DOSSIERS
Alle dossiers

Fiscaal  

IEF 7679

Voor de fiscale filmliefhebber

Gerechtshof ’s-Gravenhage, 17 februari 2009, LJN: BH5904, X te Z tegen Belastingdienst

Fiscaal. Film CV. Film CV 4. De license agreement is na toezending bij de brief van 4 februari 2004 bij de Inspecteur bekend geworden. Het agreement brengt mee dat CV 4 geen film heeft voortgebracht of heeft geexploiteerd en daartoe nimmer het oogmerk heeft gehad. Bij voorbaat stond vast dat CV 4 geen exploitatierisico met betrekking tot de film zou lopen en dat zij in het geheel geen onderneming dreef. De Inspecteur heeft een nieuw feit om na te vorderen. De navorderingsaanslag is niet opgelegd in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur.
 
Lees het arrest hier

IEF 7636

De rechten welke uit die film voortvloeien

Rechtbank Arnhem, 31 juli 2008, LJN: BH4909, X tegen de inspecteur van de Belastingdienst.

Fiscaal recht met IE-component. Veertigtal film CV’s . Nieuw feit. De uit de licentie-overeenkomsten (o.a. met betrekking tot de filmrechten) verkregen informatie vormt een losstaand feit als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad 17 november 1999 (BNB 2000/7). Deze informatie kan als bewijs gelden van een feit op grond waarvan verweerder tot navordering kan overgaan.

De omstandigheid dat het verweerder reeds bij de aanslagregeling redelijkerwijs bekend had moeten zijn dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, staat niet eraan in de weg dat de belasting wordt nagevorderd op grond van het andere feit.

Lees de uitspraak hier

IEF 7621

Persoonlijke creaties van de kunstenaar waarin hij uitdrukking geeft aan een esthetisch ideaal

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), 7 november 2008, LJN: BH4368. Belastingdienst tegen Sieradenmaker

Geen IE, wel aardig, al was het alleen maar om het jargon eens te vergelijken. Fiscaal kunstcriterium, waarbij van belang is dat kunst in aanmerking komt voor een verlaagt tarief (zie in dezelfde categorie ook het redelijk recente peepshow-arrest van de Hoge Raad (wel laag tarief, BB0678)). "De door de heer A ontworpen sieraden kunnen niet worden gekenschetst als persoonlijke creaties van de kunstenaar waarin hij uitdrukking geeft aan een esthetisch ideaal. De sieraden kunnen derhalve niet worden aangemerkt als kunstvoorwerpen."

4.3. De Hoge Raad overweegt in zijn arrest van 27 januari 2006 nr HR 41717, LJN: AV0411: "Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 18 september 1990, Farfalla Flemming und Partner, C-228/89, Jurispr. 1990, blz. I-03387, punten 20 en 21, volgt dat een voorwerp van plastische kunst aangemerkt moet worden als een beeldhouwwerk met een commercieel karakter in de zin van aantekening 3 op hoofdstuk 97 van de GN, indien het uiterlijk gelijkenis vertoont met gelijkaardige industriële of ambachtelijke producten en daardoor in concurrentie kan komen met die, gelijkende, producten. Hieraan doet, aldus het Hof van Justitie, niet af dat het voorwerp door een kunstenaar in kleine aantallen met de hand is gemaakt, dat het zeer in trek is bij verzamelaars, dat het in museumcollecties wordt opgenomen en dat het in feite niet overeenkomstig de gebruiksmogelijkheden van het voorwerp wordt gebruikt. Evenmin is de prijs van het voorwerp van belang (punt 22).".

4.4. Het ligt op de weg van belanghebbende aannemelijk te maken dat de levering van onder 2.2 genoemde zelfvervaardigde objecten het verlaagde tarief deelachtig is. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende daartoe onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de objecten op grond van kenmerken en eigenschappen die met hun uiterlijke vorm te maken hebben, niet als voorwerpen met een commercieel karakter zijn aan te merken en derhalve niet in concurrentie komen met gelijkende voorwerpen die door edelsmeden en of door juweliers op ambachtelijke dan wel industriële wijze worden vervaardigd. De door de heer A ontworpen sieraden kunnen niet worden gekenschetst als persoonlijke creaties van de kunstenaar waarin hij uitdrukking geeft aan een esthetisch ideaal. De sieraden kunnen derhalve niet worden aangemerkt als kunstvoorwerpen als bedoeld in post 29, letter b, onder 1°, van onderdeel a van de bij de Wet behorende Tabel I. Het gelijk met betrekking tot de onder I geformuleerde vraag is aan de Inspecteur.

Lees het arrest hier.

IEF 7121

De prestatie van Buma

Rechtbank Amsterdam, 17 september 2008, LJN: BF3735, Coöperatieve Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. tegen Vereniging Buma.

BUMA-zaak. Auteursrecht, fiscaalrecht. Op basis van een overeenkomst tussen Rabobank en Buma is aan Rabobank, tegen een vergoeding aan Buma, voor de duur van de overeenkomst de toestemming verleend om in haar vestigingen het zogenaamde Buma-repertoire ten gehore te brengen. Onder Buma-repertoire wordt verstaan de muziekwerken ten aanzien waarvan de makers (of hun rechtverkrijgende) de exploitatie en handhaving van het muziekauteursrecht aan Buma hebben toevertrouwd of nog zullen toevertrouwen.

De centrale vraag is of Buma diensten aan Rabobank verleend, waarover BTW is verschuldigd. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord, onder meer onder verwijzing naar jurisprudentie van het HvJ (inzake de van toepassing zijnde richtlijn 2006/112/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van BTW).  

“4.9.  De prestatie die Buma op basis van de door haar op eigen naam met Rabobank gesloten overeenkomst tegen een vergoeding aan haar aan Rabobank levert, houdt - kort gezegd - in het bieden van de mogelijkheid om alle muziekwerken uit het wereldwijd auteursrechtelijk beschermde muziekrepertoire ten gehore te brengen. Teneinde deze prestatie aan Rabobank (en andere muziekgebruikers) te kunnen leveren, heeft Buma reeds vele exploitatiecontracten met diverse auteurs/uitgevers van auteursrechtelijk beschermde muziekwerken gesloten en sluit zij - zoals niet gemotiveerd is weersproken - ook nu nog (dagelijks) nieuwe contracten om zodoende, onder verwerving van de daartoe benodigde rechten, het aan de muziekgebruikers ter beschikking te stellen Buma-repertoire aan te vullen.

Daarnaast beschikt Buma - zoals zij onbetwist heeft uitgelegd - over een eigen, zelfstandig opererende organisatie bestaande uit computersystemen, databanken en ook mankracht, die onder meer zorg draagt voor de controle van het gebruik van het Buma-repertoire, het optreden tegen inbreuken op de aan Buma overgedragen auteursrechten, het incasseren van de vergoedingen van de diverse muziekgebruikers, het bewaken van de juiste verdeling van de ontvangen gelden over de auteurs/uitgevers, het administreren en invoeren van nieuwe muziekwerken in haar computerbestanden en tot slot het onderhandelen met (potentiële) nieuwe muziekgebruikers over de condities waaronder een overeenkomst tussen de (mogelijk) nieuwe gebruiker en Buma zal worden aangegaan. Als onweersproken staat vast dat zonder deze organisatie van Buma het voor onder andere Rabobank als gebruiker van het mondiale muziekrepertoire niet mogelijk is de wettelijk vereiste toestemming tot het ten gehore brengen van het wereldwijde muziekrepertoire te verwerven.

Immers, nog afgezien van het feit dat de auteurs/uitgevers door middel van de exploitatiecontracten met Buma hun rechten aan Buma hebben overgedragen en op grond daarvan geen licentie aan de gebruikers kunnen bieden om hun muziekwerken ten gehore te brengen, zouden de auteurs/uitgevers ook zonder de exploitatiecontracten met Buma het totaalpakket dat Buma thans tegen een bepaalde vergoeding aan de muziekgebruikers - waaronder Rabobank - levert, niet kunnen aanbieden. Dit niet alleen vanwege het feit dat - zoals Buma benadrukt - de auteurs/uitgevers zonder de exploitatiecontracten ieder afzonderlijk enkel over de rechten op hun eigen muziekrepertoire kunnen beschikken, maar ook omdat in dat geval de hiervoor genoemde faciliteiten die Buma thans aan onder meer Rabobank als muziekgebruiker levert, zonder welke het Buma-repertoire niet ter beschikking gesteld kan worden, alsdan niet voorhanden zijn.

4.10.  De conclusie van het bovenstaande is dat Buma zelfstandig en in het economische verkeer diensten aan Rabobank (en andere muziekgebruikers) levert en aldus als ondernemer in de zin van de Wet OB 1968 is aan te merken. Dat Buma - zoals Rabobank nog benadrukt - (vanuit haar verenigingsoogpunt) de inkomsten die zij ontvangt van de muziekgebruikers (via een bepaalde verdeelsleutel) als tegenprestatie voor de aan haar overgedragen exploitatierechten aan de auteurs/uitgevers uitkeert na aftrek van haar kosten, doet - anders dan Rabobank bepleit - aan de voornoemde conclusie niet af. De wijze van aanwending van de inkomsten uit de overeenkomsten met de muziekgebruikers zegt (op zich) immers niets over de zelfstandigheid waarmee Buma de diensten aan de muziekgebruikers verricht.”

Lees het vonnis hier.

IEF 7117

Voor haar geen waarde heeft

Gerechtshof 's-Gravenhage, 18 december 2007, 2 september 2008, LJN: BE9566, Hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rb. Rotterdam  ten aanzien van Stichting [X] te [Z].

Aardig om te vermelden, maar veel meer ook niet. IE-argument in belastingzaak. Partijen zijn verdeeld over de waarde die op de waardepeildatum aan de onroerende zaak, De Kunsthal, dient te worden toegekend. 

.“6.1  Het primaire standpunt van belanghebbende houdt in dat de onroerende zaak in economische zin voor haar geen waarde heeft, omdat deze voor haar geen nut oplevert. Het Hof zal belanghebbende niet volgen in deze stelling. Het Hof acht aannemelijk dat de onroerende zaak is ontworpen en gebouwd als museum. Het gebouw wordt ook als zodanig door belanghebbende overeenkomstig haar doelstelling gebruikt. Niet kan worden gezegd dat de onroerende zaak voor belanghebbende geen ander nut oplevert dan dat deze blijft voortbestaan als architectonisch belangwekkend gebouw. De omstandigheid dat aan het gebouwde gedurende de periode dat de intellectuele eigendom van het ontwerp bij de architect berust, geen wijzigingen kunnen worden aangebracht en het ook overigens dient te blijven bestaan, brengt hierin geen verandering.”

Lees het vonnis hier.

IEF 5951

Kennisgroep Intellectueel eigendom (FIOD-ECD)

Rechtbank Haarlem, Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer, 22 januari 2008,  LJN: BC3359, Eiser tegen de inspecteur van de Belastingdienst

Voor de liefhebber. Eiser is reeds strafrechtelijk veroordeeld voor de handel in illegale kopieën van auteursrechtelijk beschermde werken (cd’s en dvd’s) en maakt i.c. maakt bezwaar tegen een omzetschatting door de belastingdienst (eiser heeft geen administratie bijgehouden, noch beschikte eiser over facturen of bonnen).

De rechtbank is van oordeel dat de belastingdienst is uitgegaan van een redelijke schatting bij het berekenen van de gehanteerde omzet. De taakstraf door de rechtbank Utrecht is opgelegd voor de illegale handel in cd’s en dvd’s. De boete die door de belastingdienst is opgelegd is een straf voor het niet betalen van omzetbelasting. Daardoor is geen sprake van tweemaal een veroordeling voor hetzelfde feit.

Lees het vonnis hier.

IEF 5069

Actieve- en passieve toneelbeleving

Rechtbank Haarlem, Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer. 11 oktober 2007, LJN: BB6572.

Belastingzaak. Dinnergameshows vormen geen toneel- en / of muziekvoorstelling. Het verlaagde tarief van 6 procent is niet van toepassing. 

“5.5. De rechtbank komt tot het oordeel dat de dinnergameshows geen toneel- en / of muziekvoorstelling vormen, en wel om de volgende redenen. Uit de aparte vermelding in de Wet van het gelegenheid geven tot sportbeoefening en het bijwonen van sportwedstrijden en -demonstraties, leidt de rechtbank af dat de wetgever onderscheid heeft willen maken tussen actieve en passieve sportbeleving. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit onderscheid ook voor toneel- en muziekuitvoeringen, zodat alleen de passieve bijwoning van een dergelijke uitvoering voor het verlaagde tarief in aanmerking komt.

Nu de gasten uitdrukkelijk worden uitgenodigd om zelf toneel te spelen en deze actieve deelname de sleutel tot een geslaagde bijeenkomst vormt, kan niet worden gezegd dat de gasten toegang wordt geboden tot een toneeluitvoering. De rechtbank concludeert uit de ter zitting getoonde film dat indien de gasten onvoldoende meewerken, de dinnergameshow het best te omschrijven is als een diner met muzikale omlijsting (de muzikale boodschappen, showtunes en acts). Deze omlijsting is echter niet van een dergelijk artistiek niveau dat kan worden gesproken van de schepping, de interpretatie of de uitvoering van een muzikaal werk. De dinnergameshow kwalificeert dus evenmin als een muziekuitvoering.”

Lees het vonnis hier.

IEF 4848

Niet-permanent resident

Voorzitter Raad van State, 5 oktober 2007, LJN: BB5223. Verzoeker tegen Minister van Buitenlandse Zaken.

Het verzoek strekt er toe dat de Voorzitter een voorziening treft inhoudende dat verzoeker door de Minister alsnog wordt aangemerkt als niet-permanent resident teneinde als werknemer van een internationale organisatie, het EOB, te worden vrijgesteld van het betalen van belasting van personenauto's en motorrijwielen en belasting over de toegevoegde waarde voor een door verzoeker aanschafte personenauto.

Naar voorlopig oordeel van de Voorzitter heeft de Minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de mededeling van 25 juli 2006 aan het EOB geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. (…) De aanspraak op die privileges en immuniteiten, waaronder de vrijstelling voor werknemers van de EOB van het betalen van belasting van personenauto's en motorrijwielen en van belasting over de toegevoegde waarde voor de aanschaf van een personenauto, vloeit voort uit het Protocol en de Zetelovereenkomst. De mededeling daarover van de Minister, noch de statusvermelding op een door hem te verstrekken identiteitskaart is daarvoor constitutief. De in voormelde verhouding omtrent de uitleg of toepassing van de Zetelovereenkomst kunnen door partijen ingevolge artikel 19 van die overeenkomst worden voorgelegd aan een scheidsgerecht.

Op grond van vorenoverwogene acht de Voorzitter het waarschijnlijk dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van verzoeker in rechte stand zal houden. De Voorzitter ziet daarom geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening.

Lees de uitspraak hier.

IEF 4834

Eerst even voor jezelf lezen

Vzr. Rechtbank Arnhem, 19 september 2007, LJN: BB5014. ASV Stübbe Gmbh & Co Kg tegen ASV Stübbe Benelux B.V. c.s.

Distributie- en vaststellingsovereenkomst. “Vast staat dat ASV Stübbe Benelux tot op heden het gebruik van de merkrechten ‘ASV’ en ‘Stübbe’ van ASV Stübbe niet heeft gestaakt en de domeinnamen ‘asv-stuebbe.nl’ en ‘asv-stubbe.nl’ niet heeft overdragen aan ASV Stübbe Nederland BV.”

Lees het vonnis hier.

Douanekamer Gerechtshof Amsterdam, 3 juli 2007, LJN: BB4622. Belastingzaak, inspecteur tegen belanghebbende.

 “6.1. De Douanekamer stelt voorop dat tussen partijen vaststaat dat de door Licentiehouder betaalde royalty’s waarvan de bijtelling in geschil is, betrekking hebben op de door haar aangekochte goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald, en voorts dat de litigieuze royaltybetalingen in hun geheel zien op het recht gebruik te maken van een handelsmerk. Derhalve dient onderzocht te worden of Licentiehouder de royalties betaald heeft als voorwaarde voor de verkoop van de goederen, een en ander als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het CDW en in de daaraan in de artikelen 157 tot en met 162 van de UCDW gegeven uitwerking.”

Lees de uitspraak hier.

IEF 4013

Merkenbureau [bureau] te [woonplaats]

bdienst.gifRechtbank Breda, LJN: BA5078,  26 maart 2007, Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer. Belanghebbende tegen De inspecteur van de Belastingdienst.

Belastingzaak, met merkenrechtelijk gezien wellicht wat curieuze passages. De korte samenvatting van de zaak door Rechtspraak.nl luidt: “Belanghebbende verkoopt haar merkenrecht aan een gelieerde vennootschap en krijgt een licentie voor het voeren van dat merk tegen een vergoeding per verkocht product. De handelsnaam, die hetzelfde luidt als het merk, blijft achter bij belanghebbende. De nieuwe eigenaar van het merk vertrekt naar de Antillen. De rechtbank acht in dit geval niet aannemelijk dat belanghebbende werkelijk het merkenrecht heeft willen verkopen, belanghebbende maakt niet aannemelijk dat het een beschermingsconstructie van het merk betreft, maar acht een constructie ter afroming van de winst ten behoeve van de aandeelhouder aannemelijk.”

Uit de beoordeling van het geschil:

4.1. (…) Belanghebbende stelt dat de overdracht van het merkrecht tot doel had dit merk te beschermen [BV1] failliet gaat. Uit het advies van [adviseur] zoals weergegeven in 2.3, blijkt evenwel dat een structuur bestaande uit het opsplitsen van enerzijds de handelsnaam en anderzijds het merkenrecht, aanzienlijk minder bescherming biedt dan belanghebbende kennelijk beoogt. De naam kan dan immers door meerdere gerechtigden worden gebruikt hetgeen niet in het belang van de aanvankelijk belanghebbende bij die naam is.

4.2. De rechtbank acht bovendien niet aannemelijk dat de feitelijke bescherming van de merknaam en het beeldrecht, met de juridische eigendom, is overgegaan op [BV4]. Deze bescherming is in de praktijk steeds uitgevoerd door het Merkenbureau [bureau] te [woonplaats] en alle ter zake relevant overleg heeft plaatsgehad tussen [bureau] en [de heer] voornoemd, als contactpersoon voor belanghebbende c/q Beheer BV.

4.3. De rechtbank acht, op basis van de stukken en het ter zitting aangevoerde, aannemelijk dat voor [BV4] niet zozeer een rol was weggelegd als beschermer van het merk, maar dat [BV4] veeleer deel uitmaakte van een belastingbesparende structuur. (…)

4.4. Op grond van het vorenstaande, mede in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende haar stelling dat met het tussenschakelen van [BV4] een beschermingsconstructie is beoogd, welke stelling door de inspecteur gemotiveerd is bestreden, op geen enkele wijze heeft weten te onderbouwen. Daarmee is tevens het zakelijk karakter van de licentieovereenkomst, en daarmee het zakelijk karakter van de daaruit voortvloeiende licentievergoeding, niet aannemelijk geworden.

Lees de uitspraak hier.