Hof Amsterdam bepaalt in tussenbeschikking de omvang en wijze van beperkte inzage in SVOD-tariefcriteria van Buma/Stemra
Hof Amsterdam 16 juni 2026, IEF 23678; ECLI:NL:GHAMS:2026:1705 (Disney tegen Buma/Stemra, Apple en Netflix). Disney verzoekt op grond van artikel 843a (oud) Rv om inzage in licentieovereenkomsten en andere bescheiden over de tarieven die Buma/Stemra hanteert voor het gebruik van muziekauteursrechten door aanbieders van subscription video on demand. In een eerdere tussenbeschikking had het hof bindend beslist dat Disney slechts een beperkt rechtmatig belang bij inzage heeft. Zij mag uitsluitend kennisnemen van de criteria, factoren en omstandigheden die Buma/Stemra heeft betrokken bij de bepaling van de aan andere SVOD-aanbieders aangeboden tarieven en van de redenen waarom eventuele kortingen, afslagen of aftrekposten zijn aangeboden. Disney heeft geen recht op de concrete tarieven of kortingen, de namen van andere aanbieders, de volledige licentieovereenkomsten, de concrete toepassing van de criteria, tariefberekeningen, gegevens over muziekgebruik of percentages afgekochte rechten. Het hof komt niet terug van deze bindende eindbeslissingen. De door Buma/Stemra aangehaalde uitspraak over de algemene openbaarmakingsplicht van artikel 2p WtcbO en artikel 21 van Richtlijn 2014/26/EU betreft een andere verplichting dan de hier relevante bilaterale informatieplicht van artikel 2l WtcbO en artikel 16 van die richtlijn. Voldoende aannemelijk is dat naast de twee door Buma/Stemra genoemde criteria ook andere factoren een rol kunnen spelen bij de tariefonderhandelingen. Buma/Stemra moet gebruikers daarom de noodzakelijke informatie en de gebruikte tariefcriteria verschaffen om onderhandelingen te kunnen voeren over objectieve en niet-discriminerende tarieven.