Een einde aan de Endstra-saga?
F.W. Grosheide, Een einde aan de Endstra-saga?, IE-Forum.nl IEF 13188.
Een redactionele bijdrage ingezonden door Willem Grosheide, VersteegWigmanSprey Advocaten.
1. In zijn recente arrest van 16 juli 2013 heeft het Haagse Hof in - wat ik noem - de Endstra-saga, het eerdere vonnis van 11 mei 2006 van de Amsterdamse Rechtbank bekrachtigd [IEF 12875]. Dusdoende wordt de vordering van de erven Endstra tot auteursrechtelijke bescherming van Endstra’s bijdrage aan de fameuze achterbankgesprekken opnieuw afgewezen. In overweging 5.15 overweegt het Hof daartoe dat de bijdrage van Endstra aan deze achterbankgesprekken geen voortbrengsel is dat zijn persoonlijk stempel draagt, zodat daarop bijgevolg geen auteursrecht rust. Deze uitkomst spoort met het eerdere vonnis van de Amsterdamse Voorzieningenrechter zowel als met het daarop gevolgde arrest van het Amsterdamse Hof. Drie keer nul op het rekest van de erven Endstra dus. Maar - zoals, gelet op de aanwijzingen van de Hoge Raad in zijn casserende arrest, viel te verwachten - wel met een andere motivering dan die welke was gegeven in de voorafgaande uitspraken. Om die Haagse motivering, neergelegd in de overwegingen 5.12-5.13, is het mij in wat volgt te doen.
(dit artikel is ingekort, lees het in zijn geheel hier)
6. Op het eerste gezicht lijkt het oordeel van het Haagse Hof recht-in-de-leer van de Hoge Raad. Maar bij nadere beschouwing is het de vraag of vereenzelviging van inhoud en vorm naar geldend auteursrecht wel juist is.
In de eerste plaats wordt ook naar Nederlands auteursrecht nog steeds uitgegaan van de zogeheten idea/expression dichotomy. Weliswaar kan niet ontkend worden dat onverkorte toepassing ervan een probleem oplevert wanneer onder omstandigheden, zoals het Endstra-geval aantoont, inhoud en vorm zodanig verkleefd zijn dat het één niet of nauwelijks van het ander is te scheiden. Maar dat scheiding niet langer de regel zou zijn, is door de Hoge Raad nog nooit uitgesproken, en kan m.i. evenmin in zijn Endstra-arrest worden gelezen. Ook de doctrine staat in het algemeen nog steeds op het standpunt dat inhoud en vorm strikt moeten worden onderscheiden, zij het dat vanwege het gesignaleerde probleem de onverkorte toepassing van scheiding van inhoud en vorm door sommigen, zoals ikzelf, onder omstandigheden (b.v. bij gesprekken of interviews) voor ondoenlijk en daarmee onwenselijk wordt gehouden. Vgl. Bernt Hugenholtz, Works of Literature, Science and Art, in A Century of Dutch Copyright Law (deLex 2012), p. 44-45.
In de tweede plaats is in doctrine en rechtspraak leidend de opvatting dat de rechter zich van een inhoudelijke beoordeling moet onthouden wanneer de vraag voorligt of een intellectuele prestatie origineel is, d.i. het persoonlijk stempel van de maker draagt. Concreet: of een vorm mooi of lelijk, vernieuwend of traditioneel etc. etc. is, doet niet ter zake. Het geven van zo een inhoudelijke beoordeling is echter precies wat het Haagse Hof doet.
Tenslotte breng ik in herinnering dat naar het oordeel van de Hoge Raad het persoonlijk stempel uit een voortbrengsel zelf te kennen moet zijn. Hoewel niet geheel duidelijk is wat de Hoge Raad met de term ‘voortbrengsel’ bedoelt - niet gesproken wordt van ‘werk’ en evenmin van ‘vormgeving - mag uit de context waarin de term wordt gebruikt, worden afgeleid dat daarmee inderdaad wordt gedoeld op de vorm(geving) van een werk. In deze laatste lezing is het Haagse Hof dus niet recht-in-de-leer, omdat naar zijn oordeel de banaliteit/trivialiteit van de vorm van de achterbankgesprekken wordt afgeleid uit de transcripties van haar inhoud.
7. Wanneer het onder 6 betoogde hout snijdt, betekent dit dat ook met de uitspraak van het Haagse Hof nog geen einde aan de Endstra-saga behoeft te zijn gekomen, omdat ook dit arrest dan cassabel zou zijn. Of de erven Endstra zin hebben in nog een ronde is echter niet waarschijnlijk, zeker nu voorspelbaar lijkt dat zij opnieuw links om dan wel rechts om het onderspit zullen delven.
De rechtsontwikkeling zou echter met een nieuw bezoek van partijen aan de Hoge Raad zijn gediend. Immers, zoals de zaken nu staan, valt per saldo moeilijk uit te leggen waarom afwijzing van een persoonlijk stempel bij gebrek aan coherente creatie en bewuste vormgeving (Amsterdam), niet door de cassatie-beugel kan, maar afwijzing omdat vorm inhoud volgt (Den Haag), wel.
Willem Grosheide
Tijdens het IE Symposium op 12 maart 2014 zal de jaarlijkse VIE-prijs worden uitgereikt voor een publicatie op het gebied van de Intellectuele Eigendom of het ongeoorloofde mededingingsrecht. Voor de VIE-prijs komen in aanmerking publicaties in het Nederlands, Engels, Duits of Frans, die op of na 1 november 2012 zijn verschenen en die betrekking hebben op enig aspect van het Intellectuele Eigendomsrecht of het recht inzake ongeoorloofde mededinging. In aanmerking komen publicaties in de vorm van een artikel, een blog of een scriptie. door een auteur die ten tijde van publicatie niet ouder was dan 35 jaar.
Merkvervalsingen. Strafrecht. Lagere straf dan geëist.
Uitspraak ingezonden door Suzan Houben-Van Geldorp,
Uitspraak ingezonden door Abderrahim LAHLALI , Advocatenkantoor Peeters & Lahlali.
Bijdrage ingezonden door Gijsbert Brunt,
Handelsnaamwet. Rectificatie. Niet-bestaande vennootschap veroordeeld in proceskosten. Nadat de Gemeente had verzocht de B.V. niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat deze vennootschap niet bestaat, heeft de B.V. rectificatie gevraagd omdat zij in de inleidende dagvaarding abusievelijk als partij is genoemd. De Hoge Raad vernietigt de arresten van het gerechtshof te Amsterdam, wijst de reconventionele vordering af en veroordeelt de Gemeente in de cassatiekosten.
Samantha Brinkhuis, Tobias Cohen Jehoram en Vivien Rörsch,