IEF 22191
16 augustus 2024
Uitspraak

Inbreuk op auteursrecht op haakpatronen

 
IEF 22189
15 augustus 2024
Uitspraak

Rechter werpt licht op de licentieovereenkomst tussen EIC c.s. en Reflexy c.s.

 
IEF 22190
15 augustus 2024
Uitspraak

Restaurants gaan de strijd aan: rechter constateert verwarrende handelsnaam

 
IEF 10976

Welkom In Onze Buurt (staking executie)

Vzr. Rechtbank Utrecht 29 februari 2012, LJN BV7359 (Miecmarketing/premium solutions tegen Buurt & Co)

Staking van executie ná IEF 10009.

Staking executie van het format. Auteursrechten vormgeving. Buurt & Co heeft een format ontwikkeld dat zij exploiteert onder de naam BuurtKadoos (hierna: het BuurtKadoos-format). Een onderdeel van het BuurtKadoos-format betreft een doos met vouchers van ondernemers (hierna: de BuurtKadoos), die per post aan nieuwe bewoners in een bepaalde regio wordt gezonden voor advertentie- en acquisitiedoeleinden. Buurt & Co heeft met succes bij de voorzieningenrechter een inbreukverbod tegen de Welkom In Onze Buurt-format van Miec Marketing gekregen.

Miec Marketing legt uit dat niet volledig aan het vonnis is voldaan, aangezien er 119 WIOB-overeenkomsten zijn gesloten en in de opgave vermelding was 118 overeenkomsten. Dit is een dermate geringe afwijking dat geen dwangsommen zijn verbeurt. En Buurt & Co heeft niet direct nadat zij bekend geworden met dit feit dat de opgave niet volledig is geweest Miec Marketing aangesproken en zo het bedrag aan dwangsommen heeft laten oplopen.

Geringe overtreding Uit strijdige verklaringen omtrent de 119e WIOB-overeenkomst volgt - zo de voorzieningenrechter - dat de overeenkomst met betrekking tot de WIOB-doos niet heeft opgezegd en is het afnemer [A] niet verteld dat het om een ander marketingproduct gaat dan de WIOB-doos bij het aangaan van de overeenkomst. Aldus is er geen sprake van een geringe overtreding van het gebod.

Bekendheid Het is niet aannemelijk geworden dat Buurt & Co eerder bekend was met de onvolledigheid van de opgave, omdat zij op de genoemde datum pas beschikte over de ondertekende WIOB-overeenkomst.

Conclusie Gelet op het vorenstaande is er geen grond voor de door Miec Marketing c.s. gevorderde staking van de executie en daardoor evenmin voor de door haar gevorderde (terug)betaling van eventueel reeds verbeurde dwangsommen en van door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten. Het gevorderde zal daarom worden afgewezen.

4.7.  Met in achtneming van het vooromschreven toetsingskader is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat de overtreding van het gebod zodanig gering is dat alle omstandigheden in aanmerking genomen geen dwangsommen zijn verbeurd. Voor dit oordeel is het volgende redengevend. Duidelijk is dat de verschillende door partijen overgelegde verklaringen over de gang van zaken met betrekking tot de niet vermelde overeenkomst strijdig met elkaar zijn. Indien de verklaring van [A] van 2 februari 2012 juist is, dan heeft [A] (anders dan Miec Marketing stelt) de overeenkomst met betrekking tot de WIOB-doos niet opgezegd en is [A] op 30 juni 2011 niet verteld dat het nieuwe stuk dat hij moest ondertekenen betrekking had op een ander marketingproduct dan de WIOB-doos. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat Miec Marketing c.s. per vergissing de overeenkomst van 9 juni 2011 niet in de opgave heeft vermeld. Dan is de overtreding van het gebod naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook niet zo gering van aard dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet leiden tot toewijzing van de ingestelde vordering(en). Dit alles leidt tot het voorlopig oordeel dat Miec Marketing c.s. - gelet op de verklaring van [A] en de gemotiveerde stellingen van Buurt & Co (zie 4.5.) - voorshands onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat van een geringe overtreding van het gebod sprake is. Reeds hierom moeten de gevraagde voorzieningen worden afgewezen. De strekking van het gebod in het vonnis van 27 juli 2011 biedt voor een ander oordeel geen aanleiding. De voorzieningenrechter heeft in dat vonnis het gevorderde gebod tot het verstrekken van de opgave immers toegewezen met het oog op het zwaarwegende belang van Buurt & Co bij die informatie voor het bepalen en beperken van haar schade (zie 2.3.). Door het ontbreken van de besproken overeenkomst in de opgave is het met het gebod beoogde doel niet (volledig) bereikt. Het feit dat Buurt & Co de schadebegroting in de bodemprocedure om haar moverende redenen (onzekerheid met betrekking tot de juistheid van de opgave) niet primair op de opgave baseert, brengt hierin geen verandering.


4.11.  Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat de Buurt & Co eerder dan op 25 november 2011 beschikte over de door [A] ondertekende WIOB-overeenkomst. Daarmee is dus ook niet aannemelijk geworden dat Buurt & Co eerder dan deze datum bekend was met de onvolledigheid van de opgave. Miec Marketing c.s. stelt dat [A] tegenover [B] heeft verklaard dat een medewerker van Buurt & Co maximaal twee maanden na 10 juni 2011 de overeenkomst van hem heeft ontvangen. Zij verwijst ter zake naar de als productie 6 overgelegde e-mail van [B] van 29 december 2011 waarin hij daarover aan de heer [D] bericht: “Ook heeft hij (rb: [A]) mij in het gesprek verteld toen ik hem nader toelichtte over het omvang van de rechtszaak dat de mensen van de buurtkadoos de kopie van het origineel wiob contract wat hij nog in het bezit had ,een of maximaal twee maanden later na het cancelen dus 10-06-2011 van het contract bij hem hadden opgehaald dus ergens in juli of augustus 2011.” Deze verklaring wordt echter weersproken in de van de zijde van Buurt & Co als productie 9 overgelegde verklaring van haar medewerker de heer [E] van 3 februari 2012. Hij verklaart ter zake: “Voor zover nodig, bevestig ik u dat ik degene ben geweest die namens Buurtkadoos contact heeft gehad met meneer [A]. Dat was niet in juli of augustus 2011 (toen werkte ik nog helemaal niet voor Buurtkadoos), maar op 25 november 2011. Ik heb de documenten die ik van meneer [A] had gekregen doorgezonden naar mijn werkgever en ik begrijp dat die op zijn beurt alle stukken weer door heeft gestuurd naar onze advocaten.” Nu Buurt & Co de stellingen van Miec Marketing c.s. gemotiveerd heeft betwist, de inhoud van de door beide partijen overgelegde stukken strijdig met elkaar is en nadere bewijslevering onder andere door het horen van getuigen in het kader van dit kort geding niet mogelijk is, staat thans niet vast dat Buurt & Co eerder dan 25 november 2011 het bewijs in handen heeft gekregen van de onvolledigheid van de opgave. Nu geen andere feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die meebrengen dat Buurt & Co in redelijkheid geen gebruik mag maken van haar executiebevoegdheid, gaat de voorzieningenrechter voorshands uit van de rechtmatigheid van de executie.

Lees het vonnis hier (LJN / pdf)

IEF 10975

Merkoverdracht MOJO THEATER in strijd met statuten

Ondernemingskamer Gerechtshof Amsterdam 20 februari 2012, LJN BV7334 (Mojo Works tegen Mojo Theater C.V.)

Als randvermelding. Overdracht merk in strijd met statuten. Merk gelijk aan naam van de onderneming. Mojo Works verzoekt een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Mojo Theater, waaronder bevelen van (terug) overdragen van het merk 'Mojo Theater' aan Mojo Theater. Aangezien de statuten van de C.V. bepaald dat de naam voorbehouden blijft aan de C.V. en het beeldmerk wordt ingebracht door de beherend vennoot. In 2011 is het woordmerk "MOJO THEATER" overgedragen aan Colour of the Dream, waarna later dat jaar dit woordmerk weer terug is overgedragen.

Mojo Theater heeft erkend dat het woordmerk in strijd met statuten is overdragen, maar wilde het merk "veilig stellen", omdat zij bang was dat Mojo Works het merk zou overdragen aan een derde. De ondernemingskamer bevestigt dat Mojo Theater zonder besluit van de aandeelhoudersvergadering de overdracht in strijd is met de statuten. Het druist tegen het belang in nu de naam van de onderneming gelijkluidend is en aannemelijk is dat het woordmerk een commerciële waarde vertegenwoordigt.

Er zijn gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en de Ondernemingskamer beveelt een onderzoek.

In citaten:

3.1 (...) v.   Mojo Theater heeft op 26 april 2011 zonder daaraan voorafgaand besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders – zoals de statuten onder artikel 13 lid 4 sub i voorschrijven - het woordmerk “Mojo Theater”, dat een grote financiële en commerciële waarde vertegenwoordigt, overgedragen aan Colour of the Dream, hetgeen niet in het belang is van Mojo Theater. Mojo Works heeft in dat verband gesteld dat het recht om de naam “Mojo Theater” te gebruiken door haar rechtsvoorganger Matching Mole is ingebracht in de commanditaire vennootschap en dat uitleg van de statuten van de commanditaire vennootschap in samenhang met de oprichting van Mojo Theater meebrengt mee dat uitsluitend Mojo Theater het gebruiksrecht van het woordmerk “Mojo Theater” heeft, zolang Mojo Works aandeelhouder is van Mojo Theater. Volgens Mojo Works is het woordmerk aan haar voorbehouden. Visser heeft als bestuurder onjuist gehandeld door het woordmerk eigenmachtig en in strijd met tussen partijen geldende bepalingen aan zijn eigen vennootschap over te dragen.

De overdracht van het woordmerk
3.9  Mojo Theater heeft erkend dat zij het desbetreffende woordmerk in strijd met de statuten op 26 april 2011 heeft overgedragen aan Colour of the Dream. Ter rechtvaardiging hiervan heeft zij betoogd dat zij het merk “veilig wilde stellen” omdat zij bang was dat Mojo Works het merk zou overdragen aan een derde. Nadat Visser op de onjuistheid van zijn handelen was gewezen, heeft Colour of the Dream het woordmerk weer overgedragen aan Mojo Theater. De Ondernemingskamer is van oordeel dat, nog daargelaten of de voorshands plausibele uitleg van Mojo Works van de statuten van de commanditaire vennootschap en van Mojo Theater juist is (zie hierboven onder 3.1 sub v), Mojo Theater in strijd met haar statuten zonder besluit van de aandeelhoudersvergadering het woordmerk heeft overgedragen aan Colour of the Dream. hetgeen tegen het belang van Mojo Theater indruist, nu de naam van de onderneming gelijkluidend is en aannemelijk is dat het woordmerk een commerciële waarde vertegenwoordigt. Over deze transactie en het terugdraaien daarvan is door Mojo Theater aan Mojo Works geen openheid van zaken gegeven.

3.10  Uit hetgeen hierboven is overwogen onder 3.5 tot en met 3.9, mede in onderling verband bezien, volgt reeds dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid van Mojo Theater. De Ondernemingskamer zal een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken vanaf 1 januari 2005 bevelen, dat zich in het bijzonder dient te richten op de onderwerpen die in genoemde overwegingen zijn besproken.

IEF 10974

VOI©E wil in gesprek met... en reageert op...

Persberichten ingezonden door Marleen van Vliet en Michel Frequin, VOI©E

Uit´t persbericht I. VOI©E wil gesprek met Mariko Peters inzake aantijgingen over auteursrechttarieven

De tarieven van cbo's als Buma, Sena en Videma zijn in overleg met relevante marktpartijen tot stand gekomen, houden rekening met de aard en omvang van het gebruik in de diverse sectoren van de markt, zijn openbaar en voor iedereen onder gelijke omstandigheden gelijk, waarbij de meeste tarieven al tientallen jaren bestaan en alleen worden geïndexeerd. Dit is de reactie van VOI©E, de brancheorganisatie van de cbo’s, op de aantijgingen van Mariko Peters voor NOS Radio. Lees meer hier.

Uit't persbericht II. Reactie VOI©E op nieuwe amendementen wetsvoorstel toezicht

VOI©E heeft mevrouw Peters (GL) en mevrouw Van Toorenburg (CDA) opgeroepen hun amendement inzake ex ante toezicht op tarieven te heroverwegen. Ook het amendement van GroenLinks met de intentie tot overheidsbemoeienis met bestedingsdoelen van rechthebbenden inzake hun eigen gelden gaat veel te ver en verdient naar de mening van VOI©E geen steun. Lees meer hier.

IEF 10973

Bijkletsen en beschuitje eten

Hof 's-Hertogenbosch 28 februari 2012, LJN BV7194 (Van Geffen/Blond Amsterdam tegen Xenos B.V.)

In navolging van IEF 8502. Wel auteursrecht, geen inbreuk. Wel slaafse nabootsing. Stijlnabootsing.

Van Geffen is medeontwerpster van de afbeeldingen die zijn aangebracht op de producten van onder meer aardewerk en textiel. Blond c.s. brengt de productlijn 'Even bijkletsen' op de markt. Xenos verkoopt in haarwinkels voorraadbussen, koektrommels enz. met de teksten 'gezellig zo samen een beschuitje eten', soms voorzien van een geel en roze rand.

Ondanks dat op diverse elementen het auteursrecht berust (maar niet op tekening van een hartje, aardbei en cupcake), worden er geen inbreukvorderingen toegewezen. 

Blond c.s. roepen de bescherming van artikel 6:162 BW in tegen de slaafse nabootsing. Xenos betwist gemotiveerd dat de door Blond c.s. gestelde eigen plaats op de markt slaafs is nagebootst. De negatieve reflexwerking van het auteursrecht brengt mee dat in dit geval geen beroep gedaan kan worden op de aanvullen bescherming van 6:162 BW.

Naar voorlopig oordeel van het hof heeft Blond c.s. voldoende aannemelijk gemaakt dat de productlijn 'Even bijkletsen' en de producten daarvan een eigen positie in de markt bezitten. De partijen twisten over de verwarringssoort: herkomst- of productverwarring.

In lijn met 6:162 BW, mede gelet op de algemene formulering van artikel 10bis van het Unieverdrag van Parijs, biedt zij bescherming tegen beiden. Er Xenos heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs mogelijk en nodig is om te voorkomen dat er verwarring ontstaat of wordt vergroot. Het eerdere vonnis wordt vernietigd en het gebod wordt ondersteund met dwangsommen van €20.000  per dag, met een maximum van €1.000.000.

4.17.10. Xenos heeft niet aangevoerd en ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs mogelijk en nodig is om te voorkomen dat door gelijkheid van de r.o. 4.17.6 genoemde producten gevaar voor verwarring ontstaat of vergroot wordt. Zij had evengoed voor een andere vormgeving kunnen kiezen zonder aan deugdelijkheid en bruikbaarheid van de producten afbreuk te doen. Dat blijkt reeds uit de meer recentere productlijn van Xenos, waarvan ook producten bij gelegenheid van pleidooi aan het hof zijn getoond, waarop bijvoorbeeld prominent rode, blauwe en groene rastermotieven zijn aangebracht en waarop veel meer heldere kleuren aanwezig zijn dan bijvoorbeeld de roze pasteltinten op de producten van Blond c.s..

4.17.11. Het voorgaande leidt er toe dat in r.o. 4.17.6 genoemde producten van Xenos geacht worden slaafs te zijn nagebootst van (de producten van) de productlijn 'Even bijkletsen' van Blond c.s. In zoverre heeft Xenos onrechtmatig jegens Blond c.s. gehandeld en slaagt de tweede grief.

Lees het arrest hier (grosse HD 200.055.449, LJN BV7194, schone pdf).

IEF 10972

Een inbreukverbod volstaat (niet)

Rechtbank 's-Gravenhage 29 februari 2012, HA ZA 09-287 (Bonnie Doon Europe tegen Angro) - schone pdf

Uitspraak ingezonden door Floor de Ruijter, Bingh advocaten.

Auteursrecht. Niet-ingeschreven gemeenschapsmodel. Partijen kwamen elkaar al eerder tegen, zie hier. Na tussenvonnis [IEF 9197] slaagt Angro er niet in bewijs te leveren van haar stelling dat de Angro Legging in mei 2006 is ontworpen en daarmee maakt zij inbreuk op auteursrecht en het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodelrecht. Het verbod op auteursrechtinbreuk wordt toegewezen. Maar het inbreukverbod op het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel is niet toewijsbaar omdat de bescherming daarvan in januari 2010 is verstreken. Er is - tot slot - geen belang bij verbod op slaafse nabootsing naast het toegewezen auteursrechtelijke inbreukverbod.

De nevenvordering betreffende het afgeven van telefoon- en faxgegevens van afnemers wordt niet toegewezen. De grond om deze gegevens verstrekt te krijgen is rekening en verantwoording over genoten winst in de zin van artikel 27a Aw. Daarvoor ziet de rechtbank niet in dat voor dat doel contactgegevens nodig zijn.

Angro verweert zich tegen de afgifte (en vernietiging) van gegevens omdat een inbreukverbod volstaat. Dit verweer wordt verworpen op grond van artikel 28 lid 1 Aw.

2.19. De gevorderde afgifte van de nog in voorraad zijnde Angro Leggings zal worden toegewezen. De stelling van Angro dat een inbreukverbod volstaat, wordt verworpen. Op grond van artikel 28 lid 1 Aw kan Bonnie Doon aanspraak maken op vernietiging van inbreukmakende goederen. Een rechtmatig belang bij behoud van de goederen heeft Angro niet aangevoerd. De bevole afgifte dient, anders dan Angro heeft betoogd, ook de goederen te omvatten die haar afnemers aan haar hebben geretourneerd naar aanleiding van de brief die Angro op grond van het kort geding vonnis heeft rondgestuurd. Ook die goederen zijn immers inbreukmakend en worden door Angro in voorraad gehouden. Het dat Angro op grond van het kort geding vonnis niet verplicht was om in de brief te verzoeken om retournering, maakt dat niet anders. Dat feit sluit immers niet uit dat afnemers die producten wel hebben geretourneerd.

De rechtbank
3.1. stelt vast dat niet hoeft te worden beslist op de voorwaardelijk ingestelde vorderingen
3.2. beveelt Angro met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis in de Europese Unie te staken en gestaakt te houden iedere inbreuk op het auteursrecht van Bonnie Doon met betrekking tot haar Exquisite Legging.

Op andere blogs:
DeGier|Stam
(strak vonnis)

IEF 10971

Geen leverancier van vruchtendrankconcentraat kunnen vinden

Rechtbank 's-Gravenhage 29 februari 2012, HA ZA 11-2177 (Monarch Beverage tegen Tewari)

Uitspraak ingestuurd door Hidde Koenraad, Vondst advocaten.

Merkenrecht. Non-usus. Tewari is sinds 2006 houder van Beneluxwoordmerk NESBITT voor (niet)alcoholhoudende dranken. Monarch Beverage handelt in dranken en heeft in 2011 het Beneluxwoordmerk NESBITT'S gedeponeerd. Tewari heeft aangegeven dat er pogingen zijn gedaan om frisdranken onder het merk op de Beneluxmarkt te brengen. In de correspondentie met mogelijk leveranciers wordt het merk nauwelijks genoemd. Er heeft desondanks zonder geldige reden geen normaal gebruik plaatsgevonden en er volgt vervallenverklaring, de beslissing is niet uitvoerbaar bij voorraad.

In citaten:

4.3. Duidelijk is dat Tewari het NESBITT merk niet op deze wijze [red. o.v.v. HvJ EG Ansul-Ajax] heeft gebruikt. Uit de door hem overgelegde correspondentie met mogelijke leveranciers van het concentraat en met de afvuller in Polen (waarin het merk overigens nauwelijks wordt genoemd) kan dit gebruikt uiteraard niet blijken. Ter zitting heeft Tewari nog gewezen op afzet van een partij frisdrank in België in 2005, maar die afzet dateert, zoals hij zelf al ter zitting concludeerde, van vóór de relevante periode. Partijen verschillen van mening over welke partij het normaal gebruik dan wel de afwezigheid daarvan zou moeten bewijzen. Aan bewijs wordt echter niet toegekomen omdat uit de eigen stellingen van Tewari al blijkt dat geen normaal gebruik heeft plaatsgevonden.

4.4. De stelling dat sprake zou zijn van een geldige reden moet worden verworpen. In het door Tewari aangehaalde arrest wordt met verwijzing naar HvJEG 14 juni 2007, C-246/05 (Häupl/Lidl; LJN BF8133) overwogen dat sprake moet zijn van belemmering die een rechtstreeks verband houden met het merk, die het gebruik van het merk onmogelijk of onredelijk maken en die zich buiten de wil van de houder van het merk voordoen. De omstandigheid dat Tewari tot op heden, naar hij stelt, geen leverancier heeft kunnen vinden van vruchtendrankconcentraat kan niet als een zodanige belemmering gelden al niet omdat geen noodzaak blijkt om - zoals Tewari tot nu toe kennelijk heeft geprobeerd - de frisdrank in de Benelux te importeren vanuit gebieden buiten Europa.

IEF 10970

Formule de civilité

Gerecht EU 29 februari 2012, zaak T-525/10 (Azienda Agricola Colsaliz di Faganello Antonio teggen OHIM/Weinkelletei Lenz Moser) - dossier
 
Gemeenschapsmerkenrecht. In de oppositieprocedure komt aanvrager van het woordmerk SERVO SUO (klasse 33) houdster van het internationaal en gemeenschapswoordmerk SERVUS, internationaal beeldmerk met woordelement SERVU tegen. De oppositieafdeling wijst vordering toe. Het beroep daartegen wordt verworpen. Middel: onjuiste toepassing en uitleg artikel 8 lid 1 sub b EG 207/2009. Dit middel faalt.

De conceptuele betekenis van het woord "servus" in het Duits is een vorm van beleefdheid, idem als "servo suo" in het Italiaans. Er wordt opgemerkt dat een Gemeenschapsmerk moet worden geweigerd indien een relatieve weigeringsgrond bestaat in slechts een gedeelte van het betrokken gebied. Ten tweede is er geen reden om aan te nemen dat de betrokken consument bijzondere aandacht zal besteden aan de conceptuele aspecten van de merken. Vandaar dat alle argumenten van verzoekster met betrekking tot de begripsmatige overeenstemming moet worden afgewezen als ongegrond.

58 Premièrement, il y a lieu de constater que ces extraits de sites Internet montrent qu’en allemand le mot « servus » est une formule de civilité. Dans la mesure où le public pertinent pour lequel un risque de confusion a été constaté est constitué des consommateurs italiens et, dans une moindre mesure, des consommateurs espagnols, la traduction du mot « servus » de l’allemand vers l’anglais et l’italien n’est pas susceptible de remettre en cause le bien-fondé de la décision attaquée. En effet, il convient de rappeler qu’en vertu de la jurisprudence citée au point 33 ci-dessus, un enregistrement de marque communautaire doit être refusé lorsqu’un motif relatif de refus existe dans une partie seulement du territoire pertinent.

59 Deuxièmement, s’agissant du niveau d’attention des consommateurs, il y a lieu de rappeler qu’il a déjà été établi au point 22 ci-dessus que le consommateur pertinent manifeste, en l’espèce, un niveau d’attention moyen, et non pas élevé. Il n’y a donc pas lieu de considérer que le consommateur pertinent sera particulièrement attentif à l’aspect conceptuel des marques en cause. Le second argument de la requérante ne saurait donc être accueilli. Partant, l’ensemble des arguments de la requérante concernant la similitude conceptuelle doit être rejeté comme étant non fondé.

60 Il ressort donc de l’ensemble des considérations qui précèdent que la chambre de recours n’a pas commis d’erreur en concluant à l’existence d’un degré moyen de similitude sur les plans visuel et phonétique entre les marques en conflit, ainsi qu’à l’existence d’une similitude conceptuelle limitée au public italien.

Algehele beschouwing:
67 En premier lieu, s’agissant de l’argument de la requérante selon lequel la chambre de recours a sous-évalué l’importance de la comparaison visuelle dans son appréciation globale du risque de confusion, il y a lieu de rappeler, premièrement, qu’il a déjà été établi que la chambre de recours n’a commis aucune erreur en concluant à l’existence d’un degré moyen de similitude sur le plan visuel (voir point 44 ci-dessus). Deuxièmement, il ressort du point 27 de la décision attaquée que, contrairement à ce qu’affirme la requérante, la chambre de recours a accordé autant d’importance à l’aspect visuel qu’à l’aspect phonétique. Troisièmement, s’agissant de l’argument de la requérante selon lequel la similitude visuelle est plus importante que la similitude phonétique pour la catégorie de produits en cause, il suffit de rappeler, comme le font valoir à bon droit l’OHMI et l’intervenante, sans que la requérante avance d’argument visant à le contester, qu’il est de jurisprudence constante que, pour les vins, il y a lieu d’attacher une importance particulière à l’aspect phonétique [voir, en ce sens, arrêt du Tribunal du 23 novembre 2010, Codorniu Napa/OHMI – Bodegas Ontañon (ARTESA NAPA VALLEY), T‑35/08, non encore publié au Recueil, point 62, et la jurisprudence citée].

68 En second lieu, pour autant que la requérante soutient qu’il est nécessaire de prouver l’existence d’une renommée de la marque antérieure, ainsi que l’existence d’un préjudice subi par le titulaire de la marque antérieure, sans juste motif, pour établir l’existence d’un risque de confusion, il y a lieu de constater, ainsi que la chambre de recours l’a relevé à bon droit au point 30 de la décision attaquée, que ces deux conditions ne doivent être remplies qu’en cas d’opposition au titre de l’article 8, paragraphe 5, du règlement n° 207/2009. L’opposition de l’intervenante étant fondée sur l’article 8, paragraphe 1, sous b), du règlement n° 207/2009, il y a lieu de rejeter l’argument de la requérante comme étant non fondé.

69 Dès lors, il convient de rejeter le moyen unique tiré de la violation de l’article 8, paragraphe 1, sous b), du règlement n° 207/2009 et, partant, le recours dans son ensemble.

Op andere blogs:
Marques

IEF 10969

Voedseladditieven in dubbel beroep

Gerecht EU 29 februari 2012, gevoegde zaken T-77/10 (Certmedica International tegen OHIM/Lehning Entreprise) en T-78/10 (Lehning entreprise tegen OHIM/Certmedica International)

Dubbel beroep in nietigheidsprocedure. In de nietigheidsprocedure wordt door Lehning op basis van het ouder Franse "L.114" (klasse 5) de nietigverklaring gevorderd van het gemeenschapswoordmerk "L112" (klasse 5 en 29 - Certmedica). De nietigheidsafdeling wijst de nietigverklaring voor klasse 5 toe. Ook de kamer van beroep wijst het beroep gedeeltelijk toe.

Middelen T-77/10: Er ontbreekt bewijs van gebruik van het ingeroepen Franse merk, geen soortgelijkheid van de waren in klasse 5, geen overeenstemming.
Arrest: er zijn vier soorten bewijsstukken geleverd die het gebruik bewijzen. Het merk wordt daarbij niet op een wijze gebruikt die afbreuk doet aan het onderscheidend vermogen van het merk. Er zijn verder geen fouten door kamer van beroep gemaakt. Er volgt gedeeltelijke vernietiging van het onderdeel dat de 'diergeneeskundige preparaten' onttrekt aan de registratie.

Middel T-78/10: Er bestaat verwarringsgevaar betreft "hygiënische bereidingen" en "voedseladditieven voor medisch gebruik op basis van schaaldieren". Arrest: Er zijn echter geen ondersteunende argumenten voor deze klacht en daaom wordt de klacht afgewezen.

In de zaak T-77/10:
53. In the present case, it must be held that the representation of the mark L.114 on the copy of the packaging provided by Lehning enterprise does not alter its distinctive character. Contrary to the assertions made by Certmedica International, the size of the reference to Lehning is noticeably smaller than the term ‘L114’. Furthermore, that reference appears together with the logo of the undertaking and is displayed on the lower part of the packaging, quite separately from the term ‘L114’. The missing full-stop between the capital letter ‘L’ and the number 114 constitutes a minor difference which does not deprive the earlier mark L.114 of its distinctive character. Furthermore, the other items of evidence used by the Board of Appeal do not always refer to Lehning and represent the earlier mark with the full-stop between the capital letter ‘L’ and the number 114.

112. In the light of the foregoing, the contested decision must be annulled only in so far as it declares the registration of the mark L112 to be invalid in respect of ‘veterinary preparations’.

In de zaak T-78/10:
136. It is apparent from the foregoing that Lehning entreprise has not put forward any argument in support of its single plea in law which calls into question the Board of Appeal’s finding that the ‘sanitary preparations’ and the ‘dietetic foodstuffs concentrates with a shellfish base’ are goods which are different from the ‘pharmaceutical products for the treatment of digestive maladies’.

IEF 10968

Individualism and Collectiveness in IP Law

J. Rosén, Individualism And Collectiveness In Intellectual Property Law, e-elgar 2012.

Met bijdragen van o.a. Willem Grosheide, Van Doorne/CIER en Geertrui Van Overwalle, KU Leuven/Tilburg University.

This publication embraces fundamental, eternal and yet very contemporary elements in IP law dealt with in all parts of the world.

There are certain classic values embedded in the protection of human effort and the creativeness of individuals. This book examines the relationship of those values to the questions inherent both in individual creativeness in a collective setting, and in the tendency to build national, regional or global monopolies based on IP rights. The respect for original ownership, the occasional need for collective management of IP rights, the idiosyncrasies of co-ownership of rights and the ever present tension to be found in encounters between exploitation of IP rights and competition law are extensively exposed in this book.

This innovative collection of work will strongly appeal to scholars and researchers in intellectual property law, as well as all those with an interest in the dynamics of the creative process. Look inside.

PART I: IP RIGHTS AND COMPETITION LAW
1. Individual, Multiple and Collective Ownership – What Impact on Competition?
Reto M. Hilty

2. The Law and Economics of Progress
J.R. Peritz

3. The Multiplicity of Territorial IP Rights and its Impact on Competition
O.A. Rognstad

PART II: INDIVIDUALISM AND COLLECTIVENESS IN PATENT LAW
4. Individualism, Collectivism and Openness in Patent Law. Promoting Access through Exclusion
Geertrui van Overwalle

PART III: INDIVIDUALISM AND COLLECTIVENESS IN COPYRIGHT LAW
5. Collectivism and its Role in the Frame of Individual Contracts
Silke von Lewinski

6. Ownership of Copyright and Investment Protection Rights in Teams and Networks. Need for New Rules?
Sylvie Nérisson

7. The Emerging U.S. Approach to Orphan Works: A Partial Fault Standard for Copyright Infringement
Steven Hetcher

8. Necessity to Collectivize Copyright
Jens Schovsbo

9. Two Perspectives on the Proposed Google Book Settlement
John Cross and Willem Grosheide

PART IV: INDIVIDUALISM AND COLLECTIVENESS IN TM LAW
10. Reconciling Individualism and Collectiveness in Trademark Merchandising
Irene Calboli

11. Competitive Significance of Trademarks
Alexander Peukert

12. Multinationals’ Global Governance
Hong Xue

13. TM Take-over or Sui Generis Regimes
Katja Weckström

PART V: TEACHING AND RESEARCH IN IP LAW – INDIVIDUAL AND COLLECTIVE ASPECTS
14. Virtual Teachers
Laura Carlsson and Sandra Wolk

15. The Education Sector and Copyright Issues in the Digital Age – a Perspective from Africa
Adejoke Oyewunmi

16. Genetic Resources and Traditional Knowledge
O.A. Krauss Torres and L.S. Gomez Madrigal

IEF 10967

Waterkoeler met een extreem grootbeeld flatscreen

Vzr. Rechtbank Amsterdam 9 april 2009, LJN BV7091 (Het Oplaadpunt h.o.d.n. TENQ en Stichting Waterwijs tegen gedaagde h.o.d.n. JOINTHEPIPE.ORG), LJN BV7091 (herstelvonnis - gedaagden wordt eiseressen) en Hof Amsterdam 9 februari 2010, LJN BM9465 (appellanten tegen Stichting Waterwijs en Het Oplaadpunt)

Auteursrecht, merkenrecht. Waterwijs zet zich in om jongeren te stimuleren meer water te drinken. Om dit doel te bereiken stelt Oplaadpunt in samenwerking met Waterwijs gratis aan scholen en tegen betaling aan bedrijven en diverse andere instellingen waterkoelers met beeldscherm, de zogenaamde TENQ’s, ter beschikking. De TENQ geeft gekoeld leidingwater. TENQ is een multimedia apparaat waarmee jong en oud worden geïnteresseerd in een gezonde levensstijl en ideële boodschappen. TENQ bestaat uit een strak vormgegeven waterkoeler met ingebouwd beeldscherm, met daaraan gekoppeld een extreem grootbeeld flatscreen. Op het beeldscherm worden ondermeer uitzendingen getoond die de gezondheidsgedachte stimuleren en onderwijsinformatie gegeven. Ook worden er entertainmentprogramma’s voor jongeren aangeboden.

Doordat gedaagde foto's van de TENQ, tevens als gemeenschapswoordmerk geregistreerd door Oplaadpunt, te gebruiken, wordt inbreuk op respectievelijk auteursrechten en merkenrecht gepleegd. Oplaadpunt is houder van Gemeenschapsmerk JOIN THE PIPE. Na een tijd is dit ook als  Beneluxmerk geregistreerd, waarop Oplaadpunt gedaagde met succes aanspreekt op het gebruik daarvan.

4.5.  Ten aanzien van de intellectuele eigendomsrechten geldt het volgende.
Voor toewijzing van de vordering in kort geding dient voorshands aannemelijk te zijn dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat er sprake is van inbreuk op het auteursrecht van de gedaagden. Het multimediale waterkoelsysteem, TENQ, waarvoor door eiseressen de bescherming wordt ingeroepen voldoet aan de daarvoor noodzakelijke in de Auteurswet gestelde eisen.
Het gaat immers om een werk dat een eigen karakter en een zekere mate van oorspronkelijkheid bezit, en dat een persoonlijk stempel van de maker draagt. Van dit werk zijn foto’s gebruikt op de website en in folders van gedaagden waardoor het werk is verveelvoudigd. In die zin is sprake geweest van inbreuk op het auteursrecht. Gedaagden zal dan ook worden verboden nog verder inbreuk op het auteursrecht van eiseressen te maken en zij dienen daartoe ieder gebruik van de afbeeldingen van TENQ te staken.

In beroep Hof Amsterdam 9 februari 2010, LJN BM9465 (appellanten tegen Stichting Waterwijs en Het Oplaadpunt)

Gemeenschapsmerk prevaleert in rangorde boven Benelux-merk. Geen relevant (voor)gebruik. Het enkele aandragen van een aanduiding maakt het depot daarvan als merk door een ander nog niet te kwader trouw. Kostenveroordeling deels volgens liquidatietarief.

Het Hof Amsterdam...vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover de vorderingen van Waterwijs c.s. betreffende de inbreuk op de merkrechten van Oplaadpunt op het teken JOIN THE PIPE en het verbod op het verrichten van concurrerende activiteiten daarbij (gedeeltelijk) zijn afgewezen;

4.5. Vast staat dat het door Het Oplaadpunt op 22 augustus 2008 ingeschreven Gemeenschapsmerk met betrekking tot het teken JOIN THE PIPE in rangorde prevaleert boven het onder 4.1 sub ix bedoelde Benelux-merk van [B]. Het hof acht voorshands niet aannemelijk dat het depot van Het Oplaadpunt te kwader trouw is verricht in de zin van artikel 2.4 sub f BVIE en om die reden nietig zal worden verklaard.

Vast staat immers dat het teken JOIN THE PIPE in juni 2008 is gebruikt in het kader van de voorgenomen internationale activiteiten van Waterwijs c.s. Dat het de bedoeling van de betrokken partijen was om ook de domeinnaam JointhePipe.org in dit kader te gebruiken, vindt steun in het feit dat de abonnementskosten met betrekking tot deze domeinnaam aan Het Oplaadpunt in rekening zijn gebracht (vgl. productie 3 van Waterwijs c.s. in hoger beroep).

Daar komt bij dat [A] c.s. geen (concrete) feiten hebben gesteld die de gevolgtrekking rechtvaardigen dat The Soon Institute B.V. en/of [B] in augustus 2008 doende waren om met gebruikmaking van het teken JOIN THE PIPE waren en/of diensten aan te bieden, dan wel op dat moment van een ander relevant (voor)gebruik sprake was.

Anders dan [A] c.s. kennelijk menen, is het enkele feit dat het [B] is geweest die de aanduiding JOIN THE PIPE heeft aangedragen op zichzelf niet voldoende om het depot daarvan als merk door Het Oplaadpunt als depot te kwader trouw te beschouwen, laat staan dat een en ander in dit stadium reeds tot de gevolgtrekking leidt dat Het Oplaadpunt aan het door haar gedaan depot niet het recht ontleent om tegen het gebruik door [A] c.s. van het desbetreffende teken op te treden.

Dit brengt mee dat grief 1 in het incidenteel appel slaagt en de in de conclusie van de memorie van grieven in het incidenteel appel onder i geformuleerde vordering alsnog toewijsbaar moet worden geacht.