Orange Book
Octrooirecht. Mededingingsrecht. Interessante uitspraak van het Duitse Bundesgerichtshof van 6 mei 2009 in de zogeheten ‘Orange Book’-zaak. EP 325 330 voor een ‘optically readable record’. Technische standaarden. Verplichting tot geven licentie. Mogelijkheid tot verkrijgen inbreukverbod.
Technische standaarden worden in veel elektronica gebruikt. In octrooizaken wordt het toepassen van een standaard door de gedaagde vaak aangevoerd als een bewijs van inbreuk op de voor de toepassing van de standaard noodzakelijke octrooien. Mededingingsrechtelijk is de vraag relevant of een weigering van de octrooihouder om de gedaagde een licentie te verlenen misbruik van machtspositie kan opleveren.
Deze zaak gaat over de in het ‘Orange Book’ neergelegde standaard voor recordable en rewritable compact discs (CD-R en CD-RW) en betreft de vraag onder welke voorwaarden de weigering een licentie te verlenen misbruik van machtspositie oplevert en in de weg staat aan het verkrijgen van een inbreukverbod.
Het Bundesgerichtshof geeft de volgende algemene rechtsregels:
a) Een gedaagde die aangesproken wordt op grond van octrooi-inbreuk kan zich tegen de aanspraken van de octrooihouder verweren, door te stellen dat de octrooihouder misbruik maakt van zijn marktpositie als hij weigert de gedaagde een octrooilicentie te geven op non-discriminatory en non-restrictive voorwaarden.
b) De octrooihouder maakt zich echter alleen schuldig aan onrechtmatig handelen als de gedaagde hem een onvoorwaardelijk en onherroepelijk aanbod heeft gedaan om een licentieovereenkomst af te sluiten, dat de octrooihouder niet kan afwijzen zonder het verbod op discriminatie en concurrentievervalsend gedrag, en die gedaagde zich ook voor de periode waarin hij reeds gebruik maakt van de geoctrooieerde vinding houdt aan de bepalingen van de nog te sluiten licentieovereenkomst, in ruil voor het [recht op] gebruik van de geoctrooieerde materie.
c) In het geval waarin de gedaagde de licentie-eisen van de octrooihouder excessief acht of waarin de octrooihouder weigert de royalty’s te kwantificeren, geldt een aanbod om een licentie waarin de licentiegever de royalty’s naar eigen en redelijke inschatting mag vaststellen als een dergelijk onvoorwaardelijk aanbod.
Lees de uitspraak hier in het Duits en hier in (een niet-officiële) Engelse vertaling.
De handelsnaam is beschrijvend van aard
Rechtbank Rotterdam, 18 mei 2009, KG ZA 09-188, Kamminga tegen HCD Consultancy B.V. (met dank aan Mariska Kool, Loyens & Loeff).
Handelsnaamrecht. “Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is "High Care" een binnen de medische wereld gangbare term, die partijen in hun handelsnaam gebruiken ter aanduiding van het terrein waarbinnen zijn hun werkzaamheden verrichten, en die derhalve beschrijvend van aard is. Kamminga kan de term "High Care" daarom niet monopoliseren.”
Eiser voert eenmanszaak onder de handelsnaam High Care Medisch Wervings- en Selectiebureau "heeft naar aanleiding van een uitzending van het RTL-nieuws het bestaan van de onderneming High Care Detacheringen ontdekt." Beide ondernemingen richten zich op de medische sector. Eiser beroept zich op het handelsnaamrecht, maar ziet haar vorderingen afgewezen.
4.2 Voorts stelt HCD dat Kamminga haar rechten heeft verwerkt om op te treden tegen het gebruik van "High Care" door HCD. Hoewel moeilijk voorstelbaar is dat Kamminga nooit eerder had gehoord van High Care Detacheringen, gaat de voorzieningenrechter er voorshands vanuit Kamminga pas sinds 9 augustus 2008 op de hoogte is van het bestaan van High Care Detacheringen. Om die reden valt niet in te zien dat Kamminga thans haar rechten heeft verwerkt. De omstandigheid dat HCD veel heeft geïnvesteerd om haar naamsbekendheid op te bouwen doet hieraan niet af, alleen al niet omdat HCD haar naamsbekendheid is gaan opbouwen nadat Kamminga haar onderneming is gestart.
(…) 4.6 Zoals reeds overwogen is "High Care" het overeenstemmende deel en tevens het meest kenmerkende element van de handelsnamen van beide partijen. Voorop gesteld zij dat in Nederland het gebruik van Engelse termen in (onder meer) handelsnamen niet ongebruikelijk is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is "High Care" een binnen de medische wereld gangbare term, die partijen in hun handelsnaam gebruiken ter aanduiding van het terrein waarbinnen zijn hun werkzaamheden verrichten, en die derhalve beschrijvend van aard is. Kamminga kan de term "High Care" daarom niet monopoliseren in die zin dat het HCD verboden zou kunnen worden deze worden te voeren in haar handelsnaam. Dat kan anders zijn indien de wijze waarop HCD de term "High Care" gebruikt verwarrend is. Uit de overgelegde producties blijkt dat zowel Kamminga als HCD de achtervoegsels "Medisch Wervings- en Selectiebureau" en "Detacheringen" veelvuldig weglaten en zich beide kortweg aanduiden als "High Care".
Op zichzelf zou een dergelijk gebruik formeel als verwarrend kunnen worden aangemerkt. Kamminga heeft echter niet betwist dat partijen hun ondernemingen al negen jaar probleemloos naar elkaar drijven. Daar komt bij dat HCD heeft aangetoond dat zij in 2004 zelfs voor een klant in de nabije omgeving van de vestigingsplaats van Kamminga personeel heeft verzorgd. Kamminga heeft bovendien niet gesteld in hoeverre er daadwerkelijk verwarring is ontstaan sinds voormelde RTL-nieuwsuitzending, inmiddels 9 maanden geleden. De voorzieningenrechter acht het daarom voorshands niet aannemelijk dat tussen de ondernemingen van partijen thans een reëel verwarringsgevaar te duchten is. Dat betekent dat de vordering van Kamminga dient te worden afgewezen.
Lees het vonnis hier.
Nu de ROW niet in alle gevallen bescherming biedt
Raad van State, 27 mei 2009, LJN: BI4974. Hoger beroep in zaak Octrooicentrum Nederland (OCNL) tegen Yeda Research and Development Company Ltd. (Yeda).
Octrooirecht. ABC. Hoger beroep is ongegrond nu de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat, ook indien een product via indirecte inbreuk naar nationaal recht door een basisoctrooi zou kunnen worden beschermd in de zin van artikel 3, aanhef en onder a, van de ABC-Verordening, het OCNL aan Aventis geen certificaat voor cetuximab hoefde af te geven, nu artikel 73, eerste lid, van de ROW haar niet in alle gevallen bescherming biedt tegen het aanbieden of leveren van dat product.
Bij besluit van 27 mei 2005 heeft het Octrooicentrum Nederland geweigerd aan Aventis Holdings Inc. (Aventis) een zogenoemd aanvullend beschermingscertificaat (certificaat) voor het product cetuximab af te geven. Vervolgens heeft het OCNL het door Aventis daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 mei 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage het door Aventis daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard (lees de uitspraak hier: IEF 6204.Tegen deze uitspraak heeft Yeda, de rechtsopvolger van Aventis, hoger beroep ingesteld bij de Raad van State.
2.2. Het OCNL heeft aan het besluit van 29 maart 2007 ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan het in artikel 3, aanhef en onder a, van de ABC-Verordening voor afgifte van een certificaat gestelde vereiste, nu het product cetuximab, de werkzame stof van het geneesmiddel Erbitux, niet wordt beschermd door het als basisoctrooi aangewezen Europese octrooi EP 0 667 165 (hierna: het basisoctrooi). Het Europees Octrooibureau heeft dat octrooi verleend voor de uitvinding dat een bepaalde combinatie van monoklonale antilichamen, zoals cetuximab, met een antineoplastisch middel, zoals irinotecan, geschikt is voor de behandeling van kanker. Het heeft echter geen octrooi voor het product cetuximab verleend en derhalve kan volgens het OCNL evenmin een certificaat voor dat product worden afgegeven. Volgens het OCNL wordt een product slechts door een basisoctrooi beschermd in de zin van artikel 3, aanhef en onder a, van de ABC-Verordening, indien met het product direct inbreuk kan worden gemaakt op dat octrooi, omdat het valt onder de omschrijving in de conclusies van het desbetreffende octrooischrift. Dat het verhandelen van alleen cetuximab, als door Aventis gesteld, tot een indirecte inbreuk, als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Row, op het basisoctrooi leidt, is derhalve niet van belang en staat bovendien niet ter beoordeling aan de bestuursrechter, aldus het OCNL.
2.3. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 73, eerste lid, van de Row Aventis niet in alle gevallen bescherming biedt tegen het aanbieden of leveren van cetuximab, aangezien dat antilichaam niet noodzakelijkerwijs voor toepassing in combinatie met een antineoplastisch middel is bestemd. Ook indien een product via indirecte inbreuk door een basisoctrooi kan worden beschermd in de zin van artikel 3, aanhef en onder a, van de ABC-Verordening, hoefde het OCNL aan Aventis geen certificaat voor cetuximab af te geven, aldus de rechtbank.
2.4. Yeda betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat iedere levering van cetuximab noodzakelijkerwijs een indirecte inbreuk op het basisoctrooi oplevert, aangezien cetuximab volgens de […] handelsvergunning […] alleen in combinatie met het antineoplastische middel irinotecan mag worden toegepast. Nu een product ook door een basisoctrooi kan worden beschermd in de zin van artikel 3, aanhef en onder a, van de ABC-Verordening, indien het op grond van het nationale recht via indirecte inbreuk door dat octrooi wordt beschermd, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat er geen grond voor het OCNL was om aan Aventis een certificaat voor cetuximab af te geven, aldus Yeda. Zij wijst er in dat verband op dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 16 september 1999 in zaak nr. C-392/97 (Jur. 1999, blz. I-5553 – Farmitalia, red.) heeft overwogen dat te rade moet worden gegaan bij de niet-communautaire regels die op een basisoctrooi van toepassing zijn om vast te stellen of een product door dat octrooi wordt beschermd in de zin van artikel 3, aanhef en onder a, van de ABC-Verordening.
2.4.1. Het betoog van Yeda dat de rechtbank heeft miskend dat iedere toekomstige levering van cetuximab een indirecte inbreuk op het basisoctrooi oplevert faalt. Volgens de bij de handelsvergunning behorende samenvatting van de productkenmerken is het uit cetuximab vervaardigde geneesmiddel Erbitux in combinatie met irinotecan geïndiceerd voor de behandeling van patiënten met gemetastaseerde colorectale kanker met epidermale groeifactor receptor (EGFR)-expressie, na falen van cytotoxische behandeling met irinotecan. Anders dan Yeda betoogt, volgt uit die indicatie niet dat iedere toekomstige levering van cetuximab uitsluitend voor toepassing in combinatie met irinotecan is bestemd, nu de handelsvergunning op verzoek van de vergunninghouder kan worden gewijzigd, in die zin dat in de samenvatting van de productkenmerken ook indicaties worden opgenomen, waarop het basisoctrooi geen betrekking heeft. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat, ook indien een product via indirecte inbreuk naar nationaal recht door een basisoctrooi zou kunnen worden beschermd in de zin van artikel 3, aanhef en onder a, van de ABC-Verordening, het OCNL aan Aventis geen certificaat voor cetuximab hoefde af te geven, nu artikel 73, eerste lid, van de Row haar niet in alle gevallen bescherming biedt tegen het aanbieden of leveren van dat product.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover bestreden, te worden bevestigd.
Lees de uitspraak hier.
De nieuwste niche
Persberichtje: Per 1 juni 2009 zullen Lars Bakers en Saar van Waegeningh hun praktijk van Leidsegracht Advocaten verhuizen en voortzetten onder de naam BINGH Advocaten. De advocaten Gitta van der Meer, Charlotte Vrendenbarg en Marije Roeloffzen zullen hen vergezellen.BINGH Advocaten richt zich op het intellectuele eigendom, het arbeids- en ambtenarenrecht en de algemene handelspraktijk.
Nieuw adres: Stadhouderskade 14-A, 1054 ES Amsterdam, T: 020-753 29 00, www.bingh.com (per 1 juni 2009 actief).
Ter uitvoering van het vonnis
Vzr. Rechtbank Zwolle-Lelystad, 20 mei 2009, KG ZA 09-230, Örnell B.V. tegen ABK Innovent B.V. (met dank aan Priska van Gaalen, Dommerholt)
Vonnis in een executie KG volgend op vzr. Rb. Zwolle, 5 maart 2009, IEF 7852 (auteursrecht brochures & wijnrekken) . De vzgr heft de eerder opgelegde dwangsommen op.
ABK was overgegaan tot het nemen van executiemaatregelen omdat zij van mening was dat Örnell niet had voldaan aan het vonnis van 5 maart 2009 en EUR 100.000 aan dwangsommen had verbeurd. Ornell was van mening dat zij volledig heeft voldaan aan het vonnis en de voorzieningenrechter rechter volgt haar daarin.
5.3. ABK is in beginsel gerechtigd het in kort geding gewezen en uitvoerbaar hij voorraad verklaarde vonnis jegens Örnell ten uitvoer te leggen. Kern van het geschil betreft de vraag of de door ABK ingestelde executiemaatregelen desondanks onrechtmatig zijn. Voor het antwoord op die vraag is bepalend of Örnell heeft voldaan aan hetgeen waartoe zij op basis van het in kort geding gewezen vonnis is veroordeeld (…).
5.4. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de vier door ABK gestelde punten, zoals hiervoor onder 5.2 opgenomen, niet door het vonnis van 5 mart 2009 worden gesanctioneerd met een dwangsom. ABK kan namelijk niet worden gevolgd in haar stelling dat Örnell op die punten niet aan het vonnis heeft voldaan. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat de hiervoor onder 5.3 genoemde veroordelingen zien op door Örnell te verrichten handelingen. Deze veroordelingen om iets te doen dienen beperkt te worden geïnterpreteerd (HR 18-2-1 996, NJ 1966,208 en HR 20-5-1994, NJ 1994, 652). In het navolgende zullen de vier punten afzonderlijk worden besproken.
De eerder door de advocaat van Örnell opgegeven winstberekening wordt door de accountant bevestigd. Het is daarnaast aan Örnell om te bepalen met welke winstmarges zij zaken wenst te doen. Omtrent de voorraad verklaart de accountant wel de juistheid, maar niet de volledigheid te kunnen bevestigen. Van Örnell dan wel diens accountant kan niet meer verwacht worden dan zij heeft gedaan ter uitvoering van het vonnis. Ook de rectificatie- /recallbrief was conform de wijze van formuleren van de eis door ABK.
Lees het vonnis hier.
Personalia
Per 1 april jl. zijn Erwin Haüer (32) en Arnaud Bos (33) toegetreden als partner van Knijff Merkenadviseurs. Beiden startten hun loopbaan in 2000 bij merkenbureau Intermark, dat in 2003 door Knijff Merkenadviseurs werd overgenomen.
Arnaud is sinds 2005 werkzaam als Europees merken- en modellengemachtigde bij Onel Trademarks, dat deel uitmaakt van de Knijff Groep. Erwin opereert als Europees merken- en modellengemachtigde onder de vlag van Knijff Merkenadviseurs.
Op dit moment bestaat de Knijff Groep uit een aantal ondernemingen: Knijff Merkenadviseurs, Onel trademarks en Multisearch. De merkenbureaus Intermark en Markmatters zijn na hun overname in de loop van de tijd volledig geïntegreerd in het label Knijff Merkenadviseurs. Bij de verschillende ondernemingen van de Knijff Groep werken op dit moment circa 60 medewerkers.
Ter zitting heeft laten doorschemeren
Vzr. Rechtbank Assen, 25 mei 2009, KG ZA 09-77, Spits Wallcoverings B.V. tegen Noordwand B.V. (met dank aan Bas van Hunnik, NautaDutilh).
Merkenrechtelijk ‘vervolg’ op het inmiddels al roemruchte auteursrechtelijke behangdessin-vonnis van de Rechtbank Den Haag (IEF 7643 en IEF 7689 (noot DV). In casu stelt de verliezende partij in de Haagse zaak, Spits dat Noordwand inbreuk zou maken op haar merk ‘Brand-new’.
Noordwand kocht vanaf 1997 wandbekleding met het etiket “Brand-new by spits” van het inmiddels failliete Spits (oud). Spits (nieuw) neemt de activa, waaronder de IE-rechten, over en deponeert in 2006 het merk ‘Brand-new’. Spits stelt dat Noordwand het merk na de registratiedatum heeft gebruikt voor haar nieuwe collectie, maar weet onvoldoende aannemelijk te maken dat de door haar overgelegde rollen behang dateren uit een collectie van na de inschrijving van het merk. Daarnaast is er onvoldoende spoedeisend belang:
4.10. In dit kort geding is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet voldoende door Spits aannemelijk gemaakt dat sprake is (geweest) van gebruik van dit merk door Noordwand voor haar nieuwe collectie behang in de periode na de inschrijving van het merk "Brand-new". In zoverre kan dan ook buiten de beoordeling blijven in hoeverre de vordering van Noordwand tot nietigverklaring van de inschrijving van het merk kans van slagen moet worden geacht te hebben.
4.1 1. Tot slot wordt nog overwogen dat ook onvoldoende spoedeisend belang van Spits aanwezig wordt geacht bij de door haar ingestelde vorderingen. Allereerst is onvoldoende aannemelijk geworden dat Noordwand op dit moment inbreuk maakt op het merk van Spits. Verder dateert de door Spits ingeroepen inschrijving van het merk van 5 januari 2007, terwijl zij nu pas optreedt tegen een volgens haar stellingen sinds lang aan de orde zijnde inbreuk op dit merk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Spits ter zitting heeft laten doorschemeren dat het onderhavige kort geding weer een reactie is op het door Noordwand aangespannen, in r.o.2.11 bedoelde, kort geding ter zake de inbreuk door Spits op auteursrechten van Noordwand.
Lees het vonnis hier.
Het gaat alleen nog om het opschalingsprobleem
Rechtbank ’s-Gravenhage 26 mei 2009, 336052 / KG ZA 09-509, Boehringer Ingelheim Pharma GMBH & CO.KG tegen Purac Biochem B.V.
Octrooirecht. Kort geding. Vordering tot inzage ex artikel 843a lid 2 Rv wordt afgewezen, aangezien er een gerede kans bestaat dat het octrooi van Boehringer een oppositie of een nietigheidsprocedure niet zal overleven.
Eiser Boehringer maakt deel uit van een groep ondernemingen wereldwijd die zich onder meer bezighoudt met onderzoek, ontwikkeling, vervaardiging en verhandeling van geneesmiddelen en polymeren voor biomedische toepassingen. Gedaagde Purac is een producent van natuurlijk melkzuur, derivaten, glucomaten, lactiden en bio-polymeren. Purac en Boehringer zijn belangrijke concurrenten op de markt voor bio-polymeren.
Boehringer is houdster van een Europese octrooi dat betrekking heeft op een werkwijze voor de bereiding van resorbeerbare polyesters door massapolymerisatie. Boehringer zegt redenen te hebben om te veronderstellen dat Purac de in het octrooi beschreven werkwijze toepast. Om die reden heeft zij dan ook een conservatoir bewijs- en beschrijvend beslag doen leggen onder Purac ex artikel 1019b – 1019d Rv.
Purac heeft oppositie ingesteld tegen het octrooi, maar de oppositieafdeling heeft inmiddels aangegeven het octrooi ongewijzigd in stand te zullen laten.
In dit kort geding vordert Boehringer onder meer inzage in de beslagen documenten omtrent en de beschrijving van het productieproces van Purac. Purac verweert zich hiertegen door als meest verstrekkende verweer aan te voeren dat het octrooi niet geldig is. Indien het octrooi niet geldig zou zijn, heeft Boehringer niet langer recht en belang bij toegang tot de beslagen documenten en de beschrijving. Binnen het bestek van het kort geding betekent een en ander dat beoordeeld moet worden of er een gerede kans is dat het octrooi in een daartoe bestemde procedure ongeldig zal worden verklaard.
De discussie tussen partijen ziet onder meer op welke vakman men hier op het oog moet hebben. Boehringer heeft desgevraagd opgegeven te denken aan een organisch chemicus met ervaring in de ontwikkeling van bio-polymeren. De Voorzieningenrechter is echter voorshands van oordeel dat Boehringer veronachtzaamt dat in dit geval de stof en de werkwijze ter verkrijging van de stof op laboratoriumschaal reeds beschikbaar was. De problemen waarvoor een organisch chemicus een oplossing zou kunnen vinden zijn dus een gepasseerd station. Aan de orde was vervolgens niets anders dan de opschaling van de laboratoriumwerkwijze. Dit is in het algemeen het vakgebied van chemical technology of chemical engineering. De Voorzieningenrechter zal dan ook een chemicus die ervaring heeft met chemical engineering tot uitgangspunt nemen.
Purac stelt dat een vakman uit die kring de oplossing voor het opschalingsprobleem binnen zijn bereik heeft en verwijst naar een Engels octrooi uit 1957. Boehringer is van mening dat de vakman nooit naar dit document zou gaan kijken, omdat de producten die met de werkwijze van Boehringer kunnen worden verkregen ver verwijderd zijn van die met toepassing van de werkwijze van het Engelse octrooi kunnen worden vervaardigd. Volgens de Voorzieningenrechter doet dit er niet toe nu zowel de stof als de methode ter verkrijging van de stof prior art is. Het gaat alleen nog om het opschalingsprobleem en dit precieze probleem is opgelost in het Engelse octrooi. Dit brengt het document dus in het bereik van de vakman.
Bij deze stand van zaken oordeelt de Voorzieningenrechter voorshands dat er een gerede kans bestaat dat het octrooi van Boehringer oppositie of een nietigheidsprocedure niet zal overleven. Nu de vorderingen van Boehringer berusten op de vrees dat Purac inbreuk maakt op het octrooi dienen de vorderingen van Boehringer te worden afgewezen.
Lees het vonnis hier.
De gezichtsuitdrukking van beide kinderen is angstaanjagend weergegeven
Rechtbank Alkmaar, sector kanton, 20 april 2009, LJN: BI4783, Eiser tegen Gedaagde (in China vervaardigd schilderij).
Portret in opdracht. Geen IE, wel aardig. Gedaagde weigert afname van in zijn opdracht in China vervaardigd schilderij. Ktr. stelt vast dat het een resultaatsverbintenis betreft nu prestatie overwegend bestaat uit naschilderen van een foto en het in mindere mate gaat om het artistieke gehalte van het schilderij. Deels sprake van een tekortkoming. Partiële ontbinding wordt toegewezen. Gedaagde behoudt recht op schilderij.
De kantonrechter stelt voorop dat de door eiseres op zich genomen verplichting kan worden gekenschetst als een resultaatsverbintenis nu de prestatie overwegend bestaat uit het (na)schilderen van een foto en in mindere mate om het artistieke gehalte daarvan.
Daaraan getoetst is de kantonrechter van oordeel dat de dochter prima is weergegeven, dat de hond een goed geschilderde Golden Retriever (doch volgens gedaagde niet zijn hond), terwijl de weergave van de zoon, zeker van dichtbij, minder geslaagd is te noemen. Er is dan ook sprake van enige tekortkoming. De wettelijk uitgangspunt is dat in een dergelijk geval de opdrachtnemer, in dit geval de portretschilder, in de gelegenheid dient te worden gesteld om de geleverde prestatie te perfectioneren, hetgeen door een enkele retouche zeer wel mogelijk lijkt.
In de onderhavige situatie blijkt dit echter op praktische gronden onuitvoerbaar te zijn. Het door eiseres via een tussenpersoon getroffen arrangement met de (haar onbekende) Chinese uitvoerder voorziet daar niet in. Een beroep op overmacht gaat in dit geval niet op. De onmogelijkheid om het portret te verbeteren komt in de gegeven omstandigheden voor rekening van eiseres, terwijl bovendien de Chinese schilder als haar hulppersoon is te beschouwen.
De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de ernst van de tekortkoming niet een ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Gedaagde wist bij het aangaan van de transactie dat het schilderij in China zou worden vervaardigd, dus ook gedaagde moet zich er redelijkerwijs van bewust zijn geweest dat, indien het resultaat zou tegenvallen “ruilen”voor een beter exemplaar onmogelijk zou zijn.
De kantonrechter acht daarom gerechtvaardigd een partiële ontbinding van de overeenkomst, in dier voege dat gedaagde slechts de helft van de overeengekomen prijs verschuldigd is, overeenkomend met de kwaliteit van het schilderij. De vordering van eiseres zal dan ook voor de helft worden toegewezen (waarbij gedaagde zijn recht behoudt op het schilderij).
Lees het vonnis hier.