Kwekersrecht  

IEF 11128

Billijke kwekersrechtvergoeding

Conclusie AG HvJ EU 29 maart 2012, Zaak C-509/10 (Geistbeck en Geistbeck)

Kwekersrechtvergoeding. Verordening (EG) nr. 2100/94 van 27 Juli 1994.

Over de gepaste vergoeding, die een landbouwer aan de houder van een communautair kwekersrecht in overeenstemming met de verordening betaald. Deze vergoeding wordt gebaseerd op het gemiddelde bedrag van de vergoeding, die in hetzelfde gebied wordt gevraagd, voor het genereren van een overeenkomstige hoeveelheid van het onder licentie geproduceerd teeltmateriaal van de beschermde rassen van de betrokken plantensoorten.

Voor de berekening van de billijke vergoeding kan ten eerste de houder de situatie herstellen naar de situatie voordat de overtreding plaatsvond en de gevolgen van de inbreuk op zijn rechten elimineren. Ten tweede kan de houder de gemaakte kosten voor monitoring en controle in de licentievergoeding opnemen. De betaling daarvan kan alleen plaatsvinden als het gaat om extra (buiten)gerechtelijke kosten in verband met het onderzoek van een specifiek geval en waarvan de vergoeding van de kosten in overeenstemming met en zonder afbreuk te doen aan het bepaalde in artikel 94, paragraaf 2 verordening nr. 2100/94 kan worden verlangd.

Conclusie AG, helaas (nog) niet in het Nederlands noch Engels beschikbaar.

Die angemessene Vergütung, die ein Landwirt dem Inhaber eines gemeinschaftlichen Sortenschutzrechts gemäß Art. 94 Abs. 1 der Verordnung (EG) Nr. 2100/94 des Rates vom 27. Juli 1994 über den gemeinschaftlichen Sortenschutz zu zahlen hat, weil er durch Nachbau gewonnenes Vermehrungsgut einer geschützten Sorte genutzt und die in Art. 14 Abs. 3 der Verordnung Nr. 2100/94 und Art. 8 der Verordnung (EG) Nr. 1768/95 der Kommission vom 24. Juli 1995 über die Ausnahmeregelung gemäß Artikel 14 Absatz 3 der Verordnung Nr. 2100/94 über den gemeinschaftlichen Sortenschutz in der durch die Verordnung (EG) Nr. 2605/98 der Kommission vom 3. Dezember 1998 geänderten Fassung festgelegten Verpflichtungen nicht erfüllt hat, ist nach dem Durchschnittsbetrag der Gebühr zu berechnen, die in demselben Gebiet für die Erzeugung einer entsprechenden Menge in Lizenz von Vermehrungsmaterial der geschützten Sorten der betreffenden Pflanzenarten verlangt wird. Da es die Bemessung der angemessenen Vergütung auf oben genannter Grundlage zum einen ermöglicht, den Sortenschutzinhaber wieder in die Lage zu versetzen, in der er sich vor dem Verstoß befunden hat, und die Folgen der Verletzung seiner Rechte zu beseitigen, und zum anderen davon auszugehen ist, dass der Sortenschutzinhaber angefallene Kontroll- und Überwachungskosten in die Lizenzgebühr hat einfließen lassen, kann die Zahlung dieser Kosten vom Sortenschutzinhaber nur insoweit verlangt werden, als es sich um zusätzliche vorgerichtliche oder gerichtliche Kosten im Zusammenhang mit der Prüfung eines besonderen Falls einer Verletzungshandlung handelt, deren Erstattung nach Maßgabe und unbeschadet der Voraussetzungen des Art. 94 Abs. 2 der Verordnung Nr. 2100/94 verlangt werden kann.

IEF 11078

Buiten Nederland is belangstelling klein

Brief betreft de stand van zaken veredelingsvrijstelling 19 maart 2012, 2012Z01662/2012D04151.

Aan de technisch-wetenschappelijke attachés en landbouwattachés is gevraagd om te onderzoeken in hoeverre in andere landen van Europa belangstelling bestaat voor introductie van een beperkte of uitgebreide veredelingsvrijstelling in het octrooirecht. In de meeste Europese landen blijkt na contacten met de verantwoordelijke ministeries geen belangstelling voor een beperkte of uitgebreide veredelingsvrijstelling in het octrooirecht, omdat men daartoe geen reden ziet.

In de motie Van Gerwen c.s. werd gevraagd om in verband met de consultatie van belanghebbende partijen binnen een maand een onafhankelijke voorzitter te benoemen bij het intersectorale overleg met belangenorganisaties, daarbij maatschappelijke organisaties, zoals LTO, Oxfam-Novib en Greenpeace, toe te laten en uiterlijk deze zomer een eindverslag naar de Kamer te zenden. Wat betreft het sectoroverleg over een licentiegedragscode zal op korte termijn een verslag over de voortgang worden gezonden, waaruit tevens zal blijken waarom nog geen eindverslag mogelijk is.

Weinig belangstelling buiten Nederland
Dat geldt voor België, Bulgarije, Denemarken, Finland, Griekenland, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk, IJsland en Zweden. Evenmin bestaan in die landen voornemens om deze beperkte of uitgebreide vrijstelling in te voeren. Duitsland, Frankrijk en Zwitserland hebben een beperkte vrijstelling in het nationale octrooirecht ingevoerd. Er bestaan in die landen geen voornemens voor introductie van een uitgebreide veredelingsvrijstelling in het octrooirecht.

Lees meer over de veredelingsvrijstelling in het octrooirecht: dossier.

IEF 11061

Motie beperkte veredelingsvrijstelling aangenomen

De motie-Koopmans c.s. over inzetten op een beperkte veredelingsvrijstelling (32627, nr. 5) is aangenomen, zie Handelingen II, 2011-2012, 55.

De motie over het inzetten op een beperkte veredelingsvrijstelling in't octrooirecht luidt als volgt:

De Kamer [is] van mening, dat sprake is van een ongewenste disbalans tussen het kwekersrecht en het octrooirecht en dat deze hersteld moet worden;

verzoekt de regering tevens in te zetten op het inbouwen van een beperkte veredelingsvrijstelling zowel in de Rijksoctrooiwet 1995 als in de Verordening unitair octrooi, als opmars naar het inbouwen van een uitgebreide veredelingsvrijstelling in de Europese Bio-octrooirichtlijn;

verzoekt de regering voorts op politiek niveau actief steun te werven onder EU-lidstaten voor een kritische evaluatie van de Bio-octrooirichtlijn en zich actief in te zetten voor een adequate aanpassing van deze richtlijn, zodat de balans tussen het kwekersrecht en het octrooirecht, met oog voor de belangen van alle betrokken partijen, ontstaat;

verzoekt de regering de motie ter kennis te stellen aan de Europese instellingen (Raad, Europese Commissie en Europees Parlement) en hiervan een afschrift aan de Kamer te zenden en op het niveau van bewindspersonen deze motie te bespreken met Eurocommissaris Barnier en voor de zomer verslag aan de Kamer te doen over de voortgang,
en gaat over tot de orde van de dag.

IEF 11054

Gillette-achtige verweer in kwekersrecht

Rechtbank 's-Gravenhage kamer voor kwekersrecht 14 maart 2012, HA ZA 09-89 (Bottoms tegen Campo International en Kwekerij Y)

Uitspraak mede ingezonden door Hidde Koenraad, Vondst advocaten.

In't kort: Tussenvonnis. Kwekersrecht. Bottoms heeft samen met zijn inmiddels overleden echtgenote in 1992 een dwergvariant van een ras ontwikkeld en verhandeld. Hij heeft daarvoor destijds een zogenoemd plant patent aangevraagd in Amerika, maar die aanvraag vervolgens weer ingetrokken. Dit Luseane ras is niet kwekersrechtelijk beschermd en wordt hierna ook genoemd: Luseane mini. Voor een andere dwergvariant is een plant patent en communautair kwekersrecht (CKR) aangevraagd en verleend. Hiertegen is niet-succesvol een nietigheidsprocedure gevoerd bij het CPVO. Gilette-achtig verweer. Bottoms krijgt een bewijsopdracht.

4.3. Het naar analogie van het uit het octrooirecht bekende Gillette-achtige verweer van Campo cs kan thans blijven rusten en komt mogelijk na dit tussenvonnis en de hierna te bespreken bewijslevering aan de orde. Dit verweer van Campo cs – wat daar verder juridisch van zij – behelst het volgende. Nu er volgens haar geen sprake is van onderscheiden rassen in het geval van de Luseane mini en LUSEANE en zodoende van een ten onrechte in stand gelaten CKR voor LUSEANE, kan er – ook al is er sprake van formele geldigheid van het CKR – geen sprake van zijn dat de door Campo cs vermeerderde Schefflera mini planten – in haar optiek de sinds 1993 gelijk gebleven (onbeschermde) Luseane mini – onder de beschermingsomvang van het CKR vallen, zodat geen sprake is van kwekersrechtinbreuk.

4.4. De rechtbank komt evenwel allereerst op grond van het navolgende tot een bewijsopdracht aan Bottoms.

4.14. Nu Bottoms desgevraagd uitdrukkelijk heeft aangegeven te willen bewijzen dat de bemonsterde planten bij Y afkomstig zijn van Campo en niet van Z, onder meer door het horen van de betreffende AID ambtenaren, zal eerst een desbetreffende bewijsopdracht aan Bottoms worden gegeven.

In reconventie: 4.16. De reconventionele schadevergoedingsvordering slaagt niet. Campo cs stellen dat zij door de AID inval dusdanig zijn geschrokken/geïmponeerd, dat zij zodoende gedwongen door Bottoms voor de zekerheid ook de niet kwekersrechtelijk beschermde mini Schefflera van Caposa niet langer zijn gaan voeren nadien, waardoor zij schade zouden hebben geleden.

IEF 10996

Gladiolencultuur

Rechtbank 's-Gravenhage 29 februari 2012, HA ZA 10-1 (Snoek/Stichting Gladiolen Combinatie tegen X)

Kwekersrecht. Opzegging sublicentie teeltrechten. Snoek is houdster van gladiolenras Amsterdam en San Remo. Glaco houdt zich bezig met bevordering van de gladiolencultuur en verrijking van het assortiment door verwerving van licenties van gladiolencultivars en door teelt en verkoop hiervan. Glaco heeft exclusief van Snoek gelicentieerd gekregen. De teeltrechten heeft zij verleend aan bij haar aangesloten telers. X heeft zo'n sublicentie.

Er volgt beëindiging van de teeltrechten, maar bij controle blijkt toch nog geteeld te worden op last van een derde, namelijk Zijlstra. Deze beëindiging is rechtsgeldig. De reconventionele vordering baseert X op de sublicentieovereenkomst die Glaco, uitgaande van de gestelde inbreuken, rechtsgeldig heeft ontbonden.

Omdat X de gestelde lastgeving uitdrukkelijk weerspreekt, zullen Snoek en Glaco worden opgedragen tot het leveren van bewijs van hun stelling, zoals zij hebben aangeboden. De zaak wordt aldus aangehouden.

4.9. 4.9. Op grond van het voorgaande zal Snoek en Glaco worden opgedragen bewijs te leveren (i) van hun stelling dat Zijlstra als lasthebber van X materiaal van de rassen AMSTERDAM en SAN REMO heeft geteeld en (ii) van hun stelling dat de bollen die, naar de rechtbank vooralsnog aanneemt, X in 2008 heeft geleverd aan Veldt, van het ras AMSTERDAM waren. Daarnaast zal X worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands voor juist gehouden stelling dat X in 2008 ten minste 2.000.000 bollen heeft geleverd aan Veld.

4.10. Indien partijen dezelfde getuige(n) willen horen in het kader van meer dan een van de gegeven bewijsopdrachten, zal de rechtbank bij de planning van de zitting(en) pogen die verhoren zoveel mogelijk te combineren. Partijen wordt verzocht de volgorde van de op te roepen getuigen om die reden zoveel mogelijk onderling af te stemmen.

4.11. Bij deze stand van zaken moet de beslissing op alle vorderingen worden aangehouden. Dat geldt ook voor het gevorderde accountantsonderzoek. Snoek en Glaco hebben niet toegelicht op welke rechtsgrond zij dat onderzoek vorderen. Uit de formulering van de vordering blijkt dat het onderzoek ertoe dient om de duur en omvang van de gestelde inbreuk vast te stellen en om te achterhalen wie de leveranciers en afnemers van de vermeend inbreukmakende producten zijn. De rechtbank begrijpt daaruit dat Snoek en Glaco hebben bedoeld de vordering te baseren op artikel 70 van de ZZPW, dat een inbreukmaker verplicht rekening en verantwoording af te leggen over door de inbreuk genoten winst (lid 6) en al hetgeen de inbreukmaker bekend is omtrent de herkomst en distributiekanalen mee te delen (lid 11). Voor toewijzing van het gevorderde accountantsonderzoek op die grond is vereist dat de inbreuk vast staat. Ook voor de beslissing op deze vordering dient dus de uitkomst van de bewijslevering te worden afgewacht.

IEF 10916

Blijvende inzet is geboden

Brief regering Openstaande vragen uit 1e termijn AO tuinbouw d.d. 1 februari 2012, kamerstukken II 2011/2012, 32 627, nr. 4.

Staatssecretaris Bleker reageert op vragen van de CDA-fractie betreffende de balans tussen het octrooirecht en kwekersrecht naar aanleiding van de zaak tussen Taste of Nature en Koppert Cress [red. IEF 10847, en't commentaar IEF 10901] en de stelling dat nieuwe veredelingstechnieken die onder de EU wetgeving voor genetische modificatie komen te vallen.

CDA-fractie: Plantgerelateerde uitvindingen zijn octrooieerbaar. Veredelaars kunnen geen vrij gebruik meer maken van door anderen ontwikkeld plantenmateriaal, om zelf betere rassen hierop te ontwikkelen. Deelt de staatssecretaris dat deze problematiek onder de aandacht moet blijven? Kan de staatssecretaris reageren op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag in de zaak Taste of Natura versus Koppert Cress?

Ja. We zien overigens dat de situatie niet zwart-wit ligt, onder andere als gevolg van de uitspraak van de Board of Appeal van het Europees Octrooibureau in de 'Broccoli-zaak'. Die uitspraak leidt tot een door de regering gewenste verbetering van de balans tussen octrooirecht en kwekersrecht. Maar blijvende inzet is geboden. Ondermeer doet Nederland dat door:

bij het Europees Octrooibureau te blijven inzetten op verbetering van het octrooiverleningsproces;
binnenkort te komen met een wetsvoorstel gericht op inbouwen van een beperkte veredelingsvrijstelling in de Rijksoctrooiwet 1995;
in te zetten op inbouwen van de beperkte veredelingsvrijstelling in de Verordening Unitair octrooi;
blijvend voorlichting te (laten) geven over deze thematiek door de Raad van Plantenrassen en Agentschap NL Octrooicentrum Nederland;
inzet op dit thema bij de evaluatie van de Europese kwekersrechtverordening;
de Europese Commissie te blijven bevragen op verslaglegging over en evaluatie van de bio-octrooirichtlijn.

In de aangehaalde zaak Taste of Nature/Cresco oordeelde de voorzieningenrechter te Den Haag dat "aannemelijk is dat op grond van artikel 53, aanhef en sub b, van het Europees Octrooiverdrag niet alleen een wezenlijke biologische werkwijze (in dit geval 'klassieke veredeling') van octrooiering is uitgesloten, maar ook een door toepassing van die werkwijze rechtstreeks verkregen voortbrengsel". De voorzieningenrechter is van mening dat een andere conclusie de uitspraak van de Grote Kamer van Beroep van het Europees Octrooibureau in de zogeheten Broccolizaak
zinledig zou maken.

Tegen het vonnis van de voorzieningenrechter is inmiddels beroep ingesteld. Nu de zaak dus weer onder de rechter is, onthoud ik mij van een inhoudelijke reactie.

Veredeling met moderne technieken draagt bij aan mondiale voedselzekerheid en de verduurzaming van de landbouw. Recent is bekend geworden dat BASF uit Europa vertrekt. Dit is een verzwakking van de groene biotechnologie. Stel nu dat de nieuwe veredelingstechnieken (waaronder cisgenese) onder de Europese wetgeving voor genetische modificatie komen te vallen, wat betekent dat dan?

Gebruik van nieuwe veredelingstechnieken kan een belangrijke bijdrage leveren aan voedselzekerheid en aan verduurzaming van land- en tuinbouw. Het is mijn inzet en die van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu om in Europees verband te zorgen voor een vrijstelling van de vergunningplicht mits nieuwe plantenrassen gemaakt met de nieuwe veredelingstechnieken geen grotere risico’s kennen dan rassen gemaakt met ”klassieke” veredeling. Het vertrek van BASF is daarbij voor mij een teken aan de wand en een extra reden voor onze inspanningen voor vrijstelling voor de nieuwe veredelingstechnieken.

IEF 10915

Kwekerslicentie na faillisement geëindigd

Hof Amsterdam 31 januari 2012, LJN BV5533 (appellanten tegen curator v.o.f.)

Als randvermelding. Kwekersrechten in faillissement. Actio pauliana. Vernietiging overeenkomst tot verdeling vermogen v.o.f.. Verbintenissen tot waardevergoeding.

Doordat kwekerslicenties als gevolg van faillissement zijn geëindigd, hebben de (voor de teelt bestemde) bloembollen feitelijk geen waarde meer. Uit vernietiging voortvloeiende verbintenis tot vergoeding waarde bollen beloopt dus nihil.

4.18  Voor zover [ Appellant 1 ] en [ Appellant 2 ] erover klagen dat de rechtbank aan de partijen leliebollen die tot het vermogen van de eerste vennootschap hebben behoord en die bij de akte van 10 oktober 2003 – als onderdeel van de bedrijfsmiddelen van die vennootschap - aan hen zijn toegedeeld, een waarde van € 40.850,- heeft toegekend, kunnen zij wel worden gevolgd. Tussen partijen staat vast dat de kwekersrechten op de betrokken lelierassen telkens werden gehouden door een derde, die aan de eerste vennootschap, door middel van daarmee gesloten licentie¬overeenkomsten, onder de in die overeenkomsten bepaalde voorwaarden toestemming heeft verleend om dat recht uit te oefenen. Tussen partijen staat eveneens vast dat na de ontbinding van de eerste vennootschap eenzelfde toestemming – stilzwijgend – aan de tweede vennootschap is verleend, onder de voorwaarden die in de licentie¬overeenkomsten met de eerste vennootschap zijn bepaald. De curator heeft niet voldoende weersproken dat als gevolg van het faillissement van de tweede vennootschap, krachtens het bepaalde in de licentieovereenkomsten dan wel door de beëindiging daarvan, de bevoegdheid van deze vennootschap tot uitoefening van het kwekersrecht is komen te vervallen, zodat ook dit als vaststaand moet worden aangenomen. Gelet op het bepaalde in artikel 40 van de destijds geldende Zaaizaad- en Plantgoedwet brengt het voorgaande mee dat [ Appellant 1 ] en [ Appellant 2 ] na het faillissement van de tweede vennootschap niet bevoegd zijn geweest de leliebollen (door teelt) te vermeerderen, in het verkeer te brengen, te verhandelen of voor een van deze doeleinden in voorraad te hebben, daargelaten nog of zij hiertoe voor het faillissement wel bevoegd zijn geweest.

4.19  Uit het bovenstaande volgt dat na het faillissement van de tweede vennootschap de aan [ Appellant 1 ] en [ Appellant 2 ] toegedeelde leliebollen, voor het gebruik in de bollenteelt – waarmee de tweede vennootschap zich bezighield - feitelijk geen waarde (meer) hadden: de eerder verleende toestemming tot uitoefening van het kwekersrecht was vervallen, zodat [ Appellant 1 ] en [ Appellant 2 ] niet bevoegd waren de leliebollen te benutten voor een van de hierboven vermelde doeleinden, zij die bollen dus niet mochten vermeerderen of verhandelen en zij daarmee derhalve geen baten konden verwezenlijken door hen te gebruiken of te doen gebruiken in de bollenteelt. Ook als de bollen niet aan [ Appellant 1 ] en [ Appellant 2 ] waren toegedeeld of als laatstgenoemden deze aan de curator hadden teruggegeven, zouden zij voor een zodanig gebruik geen waarde meer hebben gehad, aangezien ook in dat geval als gevolg van het faillissement van de tweede vennootschap de bevoegdheid tot uitoefening van het kwekersrecht ter zake van die bollen zou zijn vervallen. Het voorgaande brengt mee dat de tweede vennootschap, [ X ] en Groot-Koudijs als gevolg van de niet-nakoming door [ Appellant 1 ] en [ Appellant 2 ] van hun onder 4.15 bedoelde verbintenis tot teruggave voor zover deze de leliebollen betreft, geen schade hebben geleden. De – als productie 10 bij de inleidende dagvaarding in eerste aanleg overgelegde - waardebepaling van 16 maart 2004 door de Coöperatieve Nederlandse Bloembollencentrale U.A. waarop de curator zich beroept, noopt niet tot het oordeel dat aan de leliebollen wel waarde moet worden toegekend en dat de tweede vennootschap, [ X ] en Groot-Koudijs wel schade hebben geleden: die waardebepaling gaat immers geheel voorbij aan het faillissement van de tweede vennootschap en aan het vervallen van de bevoegdheid tot uitoefening van het kwekersrecht als gevolg daarvan. Hetgeen de curator verder heeft aangevoerd ten betoge dat de tweede vennootschap, [ X ] en Groot-Koudijs als gevolg van het niet teruggeven van de leliebollen door [ Appellant 1 ] en [ Appellant 2 ] schade hebben geleden, ontbeert een toereikende onderbouwing waaruit die schade en de omvang daarvan blijken. Uit dit alles volgt dat de onder 4.14 beschreven verplichting van [ Appellant 1 ] en [ Appellant 2 ] tot waardevergoeding, ter zake van de leliebollen nihil bedraagt. In zoverre slagen de grieven; voor het overige falen zij.
IEF 10912

Weten van de hoed en de rand

Rechtbank 's-Gravenhage kamer voor het kwekersrecht 15 februari 2012, HA ZA 10-4015 (Selecta c.s. tegen Van Santen)

Met dank aan Hidde Koenraad, Vondst advocaten.

Communautair kwekersrecht. Beslaglegging. Inbreuk. Desbewustheid en onachtzaamheid. Proceskostenveroordeling €24.000 in plaats van €131.000 vanwege omvang en op oneigenlijk gronden verkregen beslaglegging.

Feiten
Selecta Klemm is onderdeel van de Selecta groep, een wereldwijd actieve veredelaar van sierplanten, waaronder de Spaanse margriet (Osteospermum ecklonis). Selecta c.s. is via schriftelijke volmacht bevoegd tot handhaving van het communautaire kwekersrecht KLEOE5115 dat wordt verhandeld onder gemeenschapsmerk FLOWER POWER® (Lavender Pink), AKAVOL (onder het merk CAPE DAISY® Volta) en SUNNY SERENA en SUNNY MARY. Gedaagden leggen zich toe op het telen van diverse Spaanse margriet variëteiten. Exemplaren van verdachte planten zijn naar Naktuinbouw ter instandhouding en voor morfologisch onderzoek gebracht. Deskundigen bevestigen dat de variëteiten "zeer veel op elkaar leken".

Beslaglegging
De rechtbank is van oordeel dat in het eerdere verzoekschrift de gestelde samenwerking tussen de bedrijven onvoldoende, feitelijk geheel niet, is onderbouwd. [red. gedaagde bedrijven worden geleid door directe neven] Dit brengt met zich mee dat het verlof tot inbeslagname zich had beperkt tot gedaagde sub 1 nu enkel wat betreft dat bedrijf door een testaankoop een gerechtvaardigd en onderbouwd vermoeden van inbreuk bestond. De gedaagden hebben echter feitelijk berust in de tenuitvoerlegging van de voorlopige maatregelen door mee te werken en toegang te verlenen.

Inbreuk
4.14. Als onweersproken zal de rechtbank er dan ook van uit gaan dat de andere monsters niet onderscheidbaar zijn en daarom inbreukmakend. Inbreukmakende monsters zijn genomen bij ieder van gedaagde. Dit brengt mee dat de vorderingen ter zake de inbreuk in beginsel toewijsbaar zijn t.a.v. ieder van gedaagden afzonderlijk. Het gegeven dat gedaagden afzonderlijk van elkaar opererende bedrijven zijn en daarnaast het gegeven dat de omvang van de inbreuk, absoluut en relatief zeer verschillende is, zal voor de rechtbank meewegen bij de kostenveroordeling.

Desbewustheid
Artikel 70 lid 4 Zaai- en Plantgoedwet (ZPW) dient te worden uitgelegd in het licht van artikel 45 Trips, waaruit volgt dat schadevergoeding kan worden gevorderd van hem die wist of redelijke gronden had om te weten dat hij inbreuk pleegde. Desbewustheid in de zin van artikel 74 lid 4 ZPW beoogt geen hogere eisen te stellen aan de onachtzaamheid van artikel 94 lid 2 VCK.

De gedaagden, ervaren en professionele telers, hebben blijk gegeven te weten van de hoed en de rand waar het om gaat in het kwekersrecht, en dus is hieraan voldaan. De gebruikelijke licentievergoeding bedraagt €0,04 per Spaanse margriet plant. De inbreuk wordt vastgesteld en er wordt schadevergoeding, op te maken bij staat, toegewezen.

Proceskosten
Selecta c.s. heeft proceskosten inclusief beslag en onderzoek door Naktuinbouw gevorder ad €131,375,61.  Omdat het gestelde omtrent het deel inbreukmakende planten en de omvang van de schade door Select c.s. niet deugdelijk is betwist en het verlof tot beslaglegging bij gedaagde sub 2 en 3 op oneigenlijke gronden is verkregen, past de rechtbank het indicatietarief voor eenvoudige zaak toe. Rekeninghoudend dat er sprake is van drie afzonderlijke gedaagden, zullen gedaagden gezamenlijk €24.000 dienen te betalen, ieder afzonderlijk €8.000.

Citaten

Beslaglegging
4.7. Selecta c.s. stelt dat zij redelijkerwijs mocht veronderstellen dat er een vorm van samenwerking bestond tussen de bedrijven van Van Santen c.s. en dat er daarom mocht worden aangenomen dat planten aangekocht op het bedrijf van gedaagde sub 1 voor een deel afkomstig waren van de bedrijven van gedaagden sub 2 en sub 3. Zij heeft verklaard dat achteraf ook is gebleken dat haar veronderstelling juist was. Met toestemming van gedaagden heeft zij inzage genomen in de administratie die in bewijsbeslag was genomen. Daaruit is gebleken dat er inderdaad sprake is van leveringen tussen de bedrijven van gedaagden.

4.8. De rechtbank is van oordeel dat in het verzoekschrift van 23 april 2010 de gestelde samenwerking tussen de bedrijven onvoldoende, feitelijk geheel niet, is onderbouwd. Dit brengt mee dat de voorzieningenrechter het verlof van 26 april 2010 had dienen te beperken tot het bedrijf van gedaagde sub 1, nu enkel wat betreft dat bedrijf door een testaankoop een gerechtvaardigd en onderbouwd vermoeden van inbreuk op kwekersrecht bestond.

4.9. Dit brengt evenwel niet met zich mee dat het bewijs wat verkregen is met gebruikmaking van de beschikking van 26 april 2010 door bewijsbeslag, monstername en beschrijving niet gebruikt kan worden in de hoofdzaak tegen gedaagden sub 2 en sub 3. Zolang de geldigheid van de beschikking van 26 april niet was aangetast, berustte de uitvoering van de voorlopige maatregelen door Selecta c.s. op een geldige titel en was deze uitvoering rechtmatig. Gedaagden hebben ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid de opheffing van de beslagen te vorderen, waartoe de voorzieningenrechter een dag en uur had gereserveerd. In plaats daarvan hebben gedaagden feitelijk berust in de tenuitvoerlegging van de voorlopige maatregelen door mee te werken aan de onderzoeken aan de monsters, toegang te verlenen tot de uitkomsten van die onderzoeken en toegang te verlenen tot de administratie onder het bewijsbeslag.

Inbreuk
4.15. Gedaagden hebben gesteld dat uit de onderzoeksrapporten blijkt dat 415.988 planten in conservatoir beslag zijn genomen en dat na onderzoek hiervan niet meer dan 37 % niet onderscheidbaar bleek te zijn. Van de bij Van Santen Garden in beslag genomen planten (149.040 planten) is slechts 20,4 % inbreukmakend is (30.440 planten). Bij Patrick van Santen zijn 253.818 planten in beslag genomen en bleek 43 % (110.000 planten) inbreukmakend. Bij P.v.S. is 100 % van het in beslag genomen materiaal niet onderscheidend, maar dit betreft slechts 13.130 planten.

4.16. Aan de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen gedaagden afzonderlijk doet dat niet af. De omvang van de inbreuk is uiteraard wel van belang voor de begroting van de te vergoeden schade, maar deze begroting is in deze procedure nog niet aan de orde.

4.17. Het gegeven dat gedaagden afzonderlijk van elkaar opererende bedrijven zijn en daarnaast het gegeven dat de omvang van de inbreuk, absoluut en relatief zeer verschillend is, zal voor de rechtbank wel meewegen bij de kostenveroordeling die bij dit vonnis dient te worden bepaald.

Desbewustheid en onachtzaamheid:
4.19. Naar oordeel van de rechtbank dient artikel 70 lid 4 ZPW te worden uitgelegd in het licht van artikel 45 Trips3. Ingevolge dat artikel kan schadevergoeding worden gevorderd van hem die wist of redelijke gronden had om te weten dat hij inbreuk pleegde. Dit criterium sluit aan bij het criterium genoemd in artikel 94 lid 2 VCK dat bepaalt dat ook degene die onachtzaam handelt, gehouden is tot vergoeding van de door inbreuk veroorzaakte schade. De rechtbank is dan ook van oordeel dat desbewustheid in de zin van artikel 74 lid 4 ZPW niet beoogt hogere eisen te stellen aan de onachtzaamheid dan artikel 94 lid 2 VCK.4

4.20. Gedaagden stellen dat er van hun kant geen sprake is van opzet of onachtzaamheid.

4.21. De rechtbank passeert dit verweer. Tegen de achtergrond van het gegeven dat gedaagden ervaren en professionele telers van onder meer de Spaanse Margriet zijn, die er ook blijk van hebben gegeven te weten van de hoed en de rand waar het gaat om de bescherming van plantenrassen door het kwekersrecht, is hun stelling onvoldoende onderbouwd.

Proceskosten:
4.34. Het gestelde omtrent het deel inbreukmakende planten en de omvang van de schade is door Selecta c.s. niet deugdelijk betwist. Daar komt bij dat de rechtbank hierboven heeft geoordeeld dat het verlof tot beslaglegging in elk geval ten aanzien van gedaagden 2 en 3 op oneigenlijke gronden is verkregen. In dit een en ander ziet de rechtbank aanleiding aansluiting te zoeken bij het indicatietarief voor een eenvoudige zaak, maar zal de rechtbank er wel rekening mee houden dat er sprake is van drie gedaagden afzonderlijk. De rechtbank houdt ook rekening met de proceskosten welke gedaagden gezamenlijk hebben opgegeven. Ex aequo et bono beslissende komt de rechtbank aldus op een door gedaagden gezamenlijk te betalen bedrag van € 24.000. Ieder van gedaagden afzonderlijk zal daarom worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 8.000.

Lees het vonnis hier (schone pdf, grosse HA ZA 10-4015)

IEF 10741

Oordeel van Raad van State aangekondigd

Beleidsbrief Ontwikkelingssamenwerking verslag van Algemeen Overleg 17 november 2011, landbouw in ontwikkelingslanden, Kamerstukken II, 31 250, nr. 96

Verslag over landbouw in ontwikkelingslanden. Zijdelings wordt er gesproken over de beperkte kwekersvrijstelling in het octrooirecht en wordt een opinie van de Raad van State aangekondigd (het advies is reeds gegeven, echter nog niet openbaar gemaakt, zie hier onderaan de pagina).

Wellicht ten overvloede: De heer El Fassed noemde de beperkte kwekersvrijstelling. Ik was destijds bij dat overleg aanwezig. Er ligt op dit moment een wetsvoorstel bij de Raad van State voor beperkte kwekersvrijstelling in het Nederlandse octrooirecht. Dat was ook de afspraak in de brief, in het debat en in het AO. Wij verwachten op korte termijn een advies van de Raad van State. Wij hebben de Raad van State gevraagd een opinie te geven over de mate waarin een volledige veredelingsvrijstelling zich verdraagt met de Europese biopatentrichtlijnen. Wij willen dus echt een oordeel van onze eigen Raad van State over de vraag in hoeverre het zich verdraagt met de WTO-regels.

Die informatie kunnen wij weer gebruiken in Europa, want inderdaad is Duitsland de voortrekker wat betreft een ruime en brede kwekersvrijstelling. Die informatie kunnen wij ook weer gebruiken in ons verdere overleg. Er spelen dan twee dingen: verdraagt het zich met de WTO-regels en met de Europese richtlijn? En als je het doet, richt het dan niet onevenredig veel schade aan bij octrooi- en patentsystemen voor bijvoorbeeld de industrie, de chemie enzovoort? Die afweging zullen wij dan moeten maken. Maar wij blijven dat onderzoeken. In Europees verband blijven wij met Duitsland zoeken naar een goede modus.
IEF 10693

Kamerbrief: kwekersproblematiek en biotechnologie

Aanbiedingsbrief beantwoording schriftelijk overleg biotechnologie 17 november 2011, Kamerstukken II, 2011-2012, referentie 244465. - Verslag schriftelijk overleg, kamerstukken II, 2011-2012, 32 472, nr. 14.

Uitgebreide beantwoording door Staatssecretaris Bleker, mede namens Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu inzake de kwekersproblematiek en op het onderdeel biotechnologie. Hieronder de inhoudsopgave:

ONDERDEEL KWEKERSPROBLEMATIEK
Stand van zaken sectoroverleg over een licentiegedragscode
Tweesporenbeleid: inzet algemeen
Eerste spoor: beperkte veredelingsvrijstelling
Tweede spoor: uitgebreide veredelingsvrijstelling
Tweede spoor, onderdeel a, de lopende consultatie onder belanghebbende partijen
Tweede spoor: onderdeel b, de internationale sondering
Tweede spoor, onderdeel c, advies van de Raad van State van het Koninkrijk over een uitgebreide veredelingsvrijstelling
Samenloop octrooirecht en kwekersrecht in concrete gevallen
Politieke verantwoordelijkheid

ONDERDEEL BIOTECHNOLOGIE

Voortzetting en financiering (onderzoeks)programma’s
Commissievoorstel inzake teelt van ggo’s
Ggo-vrije regio’s
Onafhankelijkheid EFSA
Co-existentie en Amflora aardappel
COGEM adviezen rechtstreeks aan Tweede Kamer
COGEM en sociaaleconomische aspecten
COGEM en symposium gg dieren
Overzicht wetgevingstrajecten
Cisgenese
Raad van State
Moratorium en sociaaleconomische aspecten
Klonen van dieren
Gentherapie