DOSSIERS
Alle dossiers

Rechtspraak  

IEF 23737

Uitspraak ingezonden door Barbara Mooij, Brinkhof.

Rb. Den Haag: apothekersvrijstelling biedt geen ruimte voor structurele bereiding van semaglutide

Rechtbank Den Haag 5 aug 2026,, IEF 23737; C/09/704955 / KG ZA 26-494 (Novo Nordisk tegen Ceban), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-apothekersvrijstelling-biedt-geen-ruimte-voor-structurele-bereiding-van-semaglutide

Rb. Den Haag 5 augustus 2026, IEF 23737; LS&R 2434; C/09/704955 / KG ZA 26-494 (Novo Nordisk tegen Ceban). Novo Nordisk is een kort geding gestart tegen Ceban Ziekenhuisfarmacie op grond van haar aanvullende beschermingscertificaat voor semaglutide, de werkzame stof in onder meer Ozempic®, Wegovy® en Rybelsus®. Ceban heeft een semaglutide bevattende neusspray onder de naam Semanova bereid, en brengt deze op de markt als apotheekbereiding. Ook liet zij de neusspray opnemen in de G-Standaard. Novo Nordisk heeft Ceban aangeschreven met het verzoek de inbreuk op haar ABC te staken en gestaakt te houden, maar Ceban heeft geweigerd om een onthoudingsverklaring met boete te ondertekenen. Novo Nordisk is daarom een kort geding gestart. De geldigheid van het basisoctrooi en het ABC is niet betwist. Omdat Ceban semaglutide heeft ingevoerd, in voorraad heeft gehad, verwerkt en verhandeld, moet volgens de voorzieningenrechter in beginsel van inbreuk worden uitgegaan. Centraal staat vervolgens de vraag of Ceban een beroep kan doen op de apothekersvrijstelling van artikel 54c, aanhef en onder e, ROW.

IEF 23731

Doseringspatent op rivaroxaban vernietigd wegens gebrek aan inventiviteit

Hof Den Haag 28 jul 2026,, IEF 23731; ECLI:NL:GHDHA:2026:2481 (Sandoz tegen Bayer), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/doseringspatent-op-rivaroxaban-vernietigd-wegens-gebrek-aan-inventiviteit

Hof Den Haag 28 juli 2026, IEF 23731; LS&R 2433; ECLI:NL:GHDHA:2026:2481 (Sandoz tegen Bayer). Bayer is houdster van Europees octrooi EP 1 845 961 B1 voor, kort gezegd, het gebruik van een tablet met snelle afgifte van rivaroxaban voor de behandeling van trombo-embolische aandoeningen, waarbij het middel gedurende ten minste vijf opeenvolgende dagen niet meer dan eenmaal per dag wordt toegediend. Sandoz vorderde vernietiging van het Nederlandse deel van dit doseringsoctrooi. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat een patiënteninformatieformulier met bijbehorend boekje uit de Einstein-studie vóór de prioriteitsdatum tot de stand van de techniek was gaan behoren. Bayer had erkend dat de documenten vóór die datum aan tien patiënten waren verstrekt, onder wie twee Nederlandse patiënten. Die Nederlandse patiënten waren niet expliciet of impliciet tot geheimhouding verplicht en hoefden de documenten niet terug te geven; één exemplaar was juist voor de patiënt bestemd. Daarmee waren zij leden van het publiek en konden zij de documenten vrijelijk aan derden tonen of doorgeven. Voor openbare toegankelijkheid in de zin van artikel 54 lid 2 EOV is niet vereist dat de informatie aantoonbaar daadwerkelijk verder is verspreid. Voldoende is dat een lid van het publiek daarvan kennis kon nemen en niet door een geheimhoudingsverplichting in het gebruik of de verspreiding werd beperkt.

IEF 23699

Geen aanspraak op overdracht octrooi voor rotatiegietmachine

Rechtbank Den Haag 1 jul 2026,, IEF 23699; ECLI:NL:RBDHA:2026:18188 (Dutchfiets c.s. tegen [gedaagden] c.s.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-aanspraak-op-overdracht-octrooi-voor-rotatiegietmachine

Rb. Den Haag 1 juli 2026, IEF 23699; ECLI:NL:RBDHA:2026:18188 (Dutchfiets c.s. tegen [gedaagden] c.s.). Dutchfiets ontwikkelt en produceert circulaire kunststof fietsen. In 2023 verkreeg Igus 80% van de aandelen in Dutchfiets. In een afzonderlijke IP-overeenkomst maakten Igus, Dutchfiets, de oprichters van Dutchfiets en hun holdingvennootschappen afspraken over de verdeling van de intellectuele-eigendomsrechten binnen hun samenwerking. Enkele maanden later vroeg een van de holdingvennootschappen een Nederlands octrooi aan voor een rotatiegietmachine en een methode voor het gieten van objecten. Dit octrooi werd in 2025 verleend. Na het einde van de samenwerking vorderden Dutchfiets en Igus onder meer kosteloze overdracht van het octrooi, afgifte van prototypes van de rotatiegietmachine en afgifte van gegevens over de ontwikkeling, productie en exploitatie daarvan. Zij stelden dat Dutchfiets de oorspronkelijke machine had ontwikkeld en dat de latere machine daarop een doorontwikkeling vormde. Ook zouden de daarop rustende IE-rechten op grond van de IP-overeenkomst aan Dutchfiets of Igus zijn overgedragen. Voor de opeising van het octrooi beriepen zij zich subsidiair op artikel 78 ROW, in samenhang met de artikelen 11 en 12 ROW. De prototypes werden mede opgeëist op grond van artikel 5:2 BW en artikel 70 lid 7 ROW.

IEF 23691

Processtelling van MSD is geen afdwingbare toezegging om marktintroductie van Keytruda SC uit te stellen

Rechtbank Den Haag 3 jul 2026,, IEF 23691; ECLI:NL:RBDHA:2026:18266 (Halozyme tegen MSD), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/processtelling-van-msd-is-geen-afdwingbare-toezegging-om-marktintroductie-van-keytruda-sc-uit-te-stellen

Rb. Den Haag 3 juli 2026, IEF 23691; ECLI:NL:RBDHA:2026:18266 (Halozyme tegen MSD). Halozyme is houdster van Europees octrooi EP 2 792 622 B1 voor gemodificeerde PH20-hyaluronidasepolypeptiden en voert met MSD een VRO-procedure over de vraag of Keytruda SC, een subcutane formulering van het kankergeneesmiddel Keytruda met het enzym ALT-B4, inbreuk maakt op dat octrooi. In haar conclusie van antwoord in reconventie had MSD onder meer betoogd dat geen concrete dreiging bestond dat zij Keytruda SC buiten Nederland op de Europese markt zou brengen. Nadat Zweedse en Deense vennootschappen van de MSD-groep Keytruda SC met gebruikmaking van de centrale Europese marktvergunning van MSD in de betreffende geneesmiddelen- en prijzendatabases hadden laten opnemen en op de markt hadden gebracht, vorderde Halozyme in kort geding verwijdering van die vermeldingen en een tijdelijk verbod op het vervaardigen, aanbieden en verhandelen van Keytruda SC in verschillende Europese landen gedurende de VRO-procedure. Volgens Halozyme had MSD met haar processtelling toegezegd, althans de gerechtvaardigde schijn gewekt, dat de MSD-groep de marktintroductie zou uitstellen. De voorzieningenrechter acht zich op grond van artikel 4 Brussel I-bis internationaal bevoegd en neemt een spoedeisend belang aan vanwege het gestelde risico op verlies van marktaandeel zolang Keytruda SC in Denemarken en Zweden beschikbaar is.

IEF 23563

Octrooi-kort geding over LEDFan afgewezen: geen spoedeisend belang, geen NDA-schending en geen onrechtmatig wapperen

Rechtbank Den Haag 8 jul 2025,, IEF 23563; ECLI:NL:RBDHA:2025:27985 ((Climalux c.s. tegen Food Autonomy c.s.)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/octrooi-kort-geding-over-ledfan-afgewezen-geen-spoedeisend-belang-geen-nda-schending-en-geen-onrechtmatig-wapperen

Rb. Den Haag 8 juli 2025, IEF 23563; ECLI:NL:RBDHA:2025:27985 (Climalux c.s. tegen Food Autonomy). In een kort geding bij de Rechtbank Den Haag stonden Climalux en NGES (samen Climalux c.s.) tegenover Food Autonomy c.s. en [bedrijf]. Centraal stond de vraag of de LEDFan-toplight inbreuk maakte op de octrooien NL 1040116 en EP 2 975 926 van NGES, die zien op assimilatielampen voor plantengroei. Climalux is licentiehouder van deze octrooien. Climalux c.s. vorderde een verbod op octrooi-inbreuk met nevenvorderingen, zoals opgave en rectificatie en volledige proceskosten ex art. 1019h Rv. Food Autonomy c.s. betwistte het spoedeisend belang, ontkende inbreuk en voerde nietigheid van de octrooien aan. In reconventie stelde zij dat Climalux c.s. een NDA had geschonden en zich schuldig had gemaakt aan onrechtmatig “wapperen”. De voorzieningenrechter wees de vorderingen in conventie af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Hoewel dit in beginsel wordt aangenomen bij voortdurende inbreuk, kan gebrek aan voortvarendheid dit ontkrachten. In dit geval zat er ruim drie jaar tussen het eerste inbreukvermoeden (2022) en de dagvaarding (2025). Climalux c.s. had al vroeg aanwijzingen voor betrokkenheid van Food Autonomy c.s. en beschikte over voldoende informatie om eerder op te treden. Ook na latere onderzoeksstappen, zoals het Higtec-rapport (september 2024), volgde nog aanzienlijke vertraging. Voor het Nederlandse octrooi was aanvullend technisch onderzoek bovendien niet noodzakelijk.

IEF 23549

Rb. Den Haag staat inzage in beslagen materiaal toe in octrooizaak over productie van calciumcarbonaat

Rechtbank Den Haag 24 mrt 2026,, IEF 23549; ECLI:NL:RBDHA:2026:10402 ([verzoekster] tegen [verweersters sub 1] ), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-staat-inzage-in-beslagen-materiaal-toe-in-octrooizaak-over-productie-van-calciumcarbonaat

Rb. Den Haag 24 maart 2026, IEF 23549; ECLI:NL:RBDHA:2026:10402 ([verzoekster] tegen [verweersters sub 1]). De Rechtbank Den Haag heeft in een octrooigeschil inzage toegestaan in conservatoir beslagen materiaal op grond van art. 194-196 Rv jo. art. 1019a Rv. De rechtbank acht zich exclusief bevoegd op grond van art. 80 lid 2 sub c ROW, omdat het verzoek verband houdt met de handhaving van een octrooi en verweersters in Nederland zijn gevestigd. Verzoekster is houdster van Europees octrooi EP 4 223 141 B1 voor een werkwijze voor de productie van een mineraal voederadditief op basis van calciumcarbonaat afkomstig uit drinkwaterontharding, alsmede voor het daarmee verkregen eindproduct. Verweersters houden zich bezig met het verwerken en vermalen van kalkkorrels voor de voedsel- en diervoederindustrie. Nadat eerdere samenwerkingen tussen partijen en AquaMinerals waren geëindigd, rees bij verzoekster het vermoeden dat verweersters zonder toestemming gebruik maakten van de geoctrooieerde werkwijze en de daarmee verkregen producten verhandelden. Op verzoek van verzoekster was eerder verlof verleend voor conservatoir bewijsbeslag, monsterneming en een gedetailleerde beschrijving van het productieproces. In deze procedure verzocht verzoekster vervolgens om inzage in de beslagen digitale bestanden, afgifte van de monsters en inzage in de gedetailleerde beschrijving van het maalproces. Verweersters voerden onder meer aan dat geen redelijk vermoeden van inbreuk bestond, dat het octrooi nietig zou zijn, dat de verzoeken te ruim waren geformuleerd en dat de beslagen stukken vertrouwelijke bedrijfsinformatie bevatten.

IEF 23538

Rb. Den Haag wijst claim op mede-eigendom van LinXis-octrooien af

Rechtbank Den Haag 22 apr 2026,, IEF 23538; ECLI:NL:RBDHA:2026:9754 ((LinXis tegen [partij 1] en [partij 2])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-wijst-claim-op-mede-eigendom-van-linxis-octrooien-af

Rb. Den Haag 22 april 2026, IEF23538; ECLI:NL:RBDHA:2026:9754 (LinXis tegen [partij 1] en [partij 2]). De Rechtbank Den Haag oordeelt in dit geschil tussen biotechbedrijf LinXis en voormalig bestuurder en consultant [partij 1] dat [partij 1] geen aanspraak kan maken op een aandeel in de octrooifamilies van LinXis. In de latere managementovereenkomsten ontbraken weliswaar expliciete IE‑overdrachtsclausules, maar volgens de rechtbank laten de afspraken en de samenwerking tussen partijen zien dat de octrooirechten bij LinXis liggen. [partij 1] werkte sinds 2015 via verschillende vennootschappen voor LinXis als patent consultant en later als CBO, CFO en CEO. In de eerste managementovereenkomst uit 2015 stond een expliciete IE‑overdrachtsclausule. Die bepaling ontbrak in de overeenkomsten uit 2017 en 2019. Tijdens de samenwerking vroeg LinXis meerdere octrooifamilies aan, waarbij [partij 1] deels als uitvinder stond vermeld. Volgens [partij 1] lieten de latere overeenkomsten bewust ruimte voor eigen IE‑rechten en een latere vergoeding voor overdracht. De rechtbank volgt hem daarin niet. De rechtbank vindt het logisch dat LinXis als biotechonderneming alle IE‑rechten binnen het bedrijf wilde houden. Ook weegt mee dat [partij 1] in subsidie‑ en financieringsdocumenten namens LinXis sprak van “solely owned patent applications”. Daarnaast maakten partijen geen concrete afspraken over een aparte vergoeding voor IE‑overdracht. Omdat [partij 1] de overeenkomsten zelf namens beide partijen ondertekende, had hij volgens de rechtbank eventuele mede‑eigendomsrechten expliciet moeten vastleggen. De rechtbank verklaart zowel LinXis als [partij 1] niet‑ontvankelijk in hun vorderingen over het uitvinderschap wegens gebrek aan belang (Art. 3:303 BW). Ook als [partij 1] mede‑uitvinder is, betekent dat volgens de rechtbank nog niet dat hij recht heeft op de octrooien. De rechtbank wijst ook het verzoek af om [partij 1] uit de octrooiregisters te verwijderen. LinXis stemde eerder zelf in met zijn vermelding als uitvinder en maakte onvoldoende duidelijk welk nadeel dat nu oplevert. 

IEF 23493

Kort geding over EP 2 700 765 voor trapbekleding: vorderingen afgewezen wegens serieuze kans op vernietiging van het octrooi

Rechtbank Den Haag 10 apr 2026,, IEF 23493; ECLI:NL:RBDHA:2026:8972 (I4F tegen Van Dijk), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/kort-geding-over-ep-2-700-765-voor-trapbekleding-vorderingen-afgewezen-wegens-serieuze-kans-op-vernietiging-van-het-octrooi

Rb. Den Haag 10 april 2026, IEF 23493; ECLI:NL:RBDHA:2026:8972 (I4F tegen Van Dijk). In dit kort geding tussen I4F Licensing NV en Van Dijk Postforming & Vlakverlijming B.V. stond de handhaving centraal van het Nederlandse deel van Europees octrooi EP 2 700 765, dat ziet op een paneel voor onder meer trapbekleding. Octrooihoudster is Vakman Interieur Concepten B.V. (VIC); I4F beschikt over een exclusieve licentie en was door VIC gemachtigd het octrooi jegens derden te handhaven. I4F stelde dat de door Van Dijk geproduceerde en verkochte MexForm LVT-trappanelen inbreuk maakten op conclusie 1 en de afhankelijke conclusies 2 tot en met 13 van EP 765, en vorderde onder meer een inbreukverbod, opgave, recall, afgifte ter vernietiging, proceskosten ex art. 1019h Rv en bepaling van een termijn ex art. 1019i Rv. De voorzieningenrechter achtte zich bevoegd op grond van art. 4 Brussel I-bis, terwijl de relatieve bevoegdheid volgde uit art. 80 lid 2, onder a, ROW 1995; ook het spoedeisend belang werd aangenomen wegens de gestelde voortdurende inbreuk. Bij de inhoudelijke beoordeling stelde de rechter voorop dat een voorlopige maatregel wegens octrooi-inbreuk in beginsel moet worden geweigerd wanneer een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat het ingeroepen octrooi in een bodemprocedure nietig zal worden geoordeeld.

IEF 23446

Prejudiciële vragen gesteld over het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen

HvJ EU 5 dec 2025,, IEF 23446; C-794/25 (Stada Arzneimittel AG tegen Takeda Pharmaceuticals USA, Inc., og Takeda Pharmaceutical Company Ltd.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-het-aanvullende-beschermingscertificaat-voor-geneesmiddelen

Prejudiciële vragen gesteld aan Hof van Justitie EU 5 december 2025, IEFbe 23446; LS&R 2370; IEFbe 4181;  C-794/25 (Stada Arzneimittel AG tegen Takeda Pharmaceuticals USA, Inc., og Takeda Pharmaceutical Company Ltd.) via MinBuza. Verzoeker is ‘Stada Arzneimittel’, een farmaceutische onderneming in Duitsland. Stada heeft tegen twee Japanse farmaceutische ondernemingen een vordering ingesteld, strekkende tot ongeldigverklaring van het Deense aanvullende beschermingscertificaat voor medicatie. Zij hebben een beschermingscertificaat voor de ADHD-medicatie ‘dexamfetamine’. Ter discussie staat of dat certificaat ook bescherming biedt aan de medicatie ‘lisdexamfetamine’ (wat een derivaat is van de werkzame stof dexamfetamine) of dat deze medicatie een apart (of aanvullend) beschermingscertificaat vereist. Onderliggend is de vraag naar de betekenis van ‘product’ en ‘werkzame stof’ in de zin van artikel 1, onder b), van de verordening.

IEF 23435

Conclusie A-G over exportvrijstelling bij ABC’s: geen vooraf vereiste handelsvergunning, geen eis van reeds rechtenvrije exportlanden en ruimte voor voorraadvorming voor export

Hoge Raad 27 apr 2026,, IEF 23435; ECLI:NL:PHR:2026:318 (Janssen Biotech Inc tegen Samsung Bioepis NL B.V.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/conclusie-a-g-over-exportvrijstelling-bij-abc-s-geen-vooraf-vereiste-handelsvergunning-geen-eis-van-reeds-rechtenvrije-exportlanden-en-ruimte-voor-voorraadvorming-voor-export

Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2026, IEF 23435; ECLI:NL:PHR:2026:318 (Janssen tegen SB). In Conclusie A-G Van Peursem staat de uitleg centraal van de productie-voor-export-vrijstelling van art. 5 lid 2, onder a, sub i en ii, van Verordening (EG) nr. 469/2009 inzake aanvullende beschermingscertificaten voor geneesmiddelen, zoals gewijzigd door Verordening (EU) 2019/933. Janssen is houdster van aanvullende beschermingscertificaten voor ustekinumab in onder meer Denemarken en Italië en stelt dat Samsung Bioepis NL B.V. (SB) inbreuk maakt door een biosimilar van ustekinumab (SB17) in die landen te vervaardigen en/of op te slaan voor export naar derde landen zoals het VK, Canada en Zuid-Korea. SB heeft in oktober 2023 kennisgevingen gedaan bij de Deense en Italiaanse autoriteiten waarin zij productie en opslag aankondigt met het oog op “export and storing”, en heeft later de beoogde exportlanden en uiteindelijk ook de referentienummers van de handelsvergunningen meegedeeld zodra die publiek beschikbaar kwamen. Tussen partijen staat vast dat SB voor productie voor de Uniemarkt voldeed aan de afzonderlijke EU-stockpile-vrijstelling; het geschil ziet dus alleen op de exportvrijstelling. In eerste aanleg en in hoger beroep is Janssen in het ongelijk gesteld. In cassatie betoogt zij dat het hof de doelstellingen van de gewijzigde ABC-Verordening verkeerd heeft uitgelegd, ten onrechte voorraadvorming voor toekomstige export naar derde landen heeft aanvaard, en heeft miskend dat bij kennisgeving of uiterlijk bij aanvang van de productie al een handelsvergunning moet bestaan en dat de exportlanden dan ook al rechtenvrij moeten zijn. De A-G concludeert echter dat deze cassatieklachten niet slagen en ziet in dit kort geding ook geen noodzaak om prejudiciële vragen te stellen, hoewel hij onderkent dat hierover in Europa uiteenlopende rechtspraak bestaat.