DOSSIERS
Alle dossiers

Rechtspraak  

IEF 23563

Octrooi-kort geding over LEDFan afgewezen: geen spoedeisend belang, geen NDA-schending en geen onrechtmatig wapperen

Rechtbank Den Haag 8 jul 2025, IEF 23563; ECLI:NL:RBDHA:2025:27985 ((Climalux c.s. tegen Food Autonomy c.s.)), https://ie-forum.nl/artikelen/octrooi-kort-geding-over-ledfan-afgewezen-geen-spoedeisend-belang-geen-nda-schending-en-geen-onrechtmatig-wapperen

Rb. Den Haag 8 juli 2025, IEF 23563; ECLI:NL:RBDHA:2025:27985 (Climalux c.s. tegen Food Autonomy). In een kort geding bij de Rechtbank Den Haag stonden Climalux en NGES (samen Climalux c.s.) tegenover Food Autonomy c.s. en [bedrijf]. Centraal stond de vraag of de LEDFan-toplight inbreuk maakte op de octrooien NL 1040116 en EP 2 975 926 van NGES, die zien op assimilatielampen voor plantengroei. Climalux is licentiehouder van deze octrooien. Climalux c.s. vorderde een verbod op octrooi-inbreuk met nevenvorderingen, zoals opgave en rectificatie en volledige proceskosten ex art. 1019h Rv. Food Autonomy c.s. betwistte het spoedeisend belang, ontkende inbreuk en voerde nietigheid van de octrooien aan. In reconventie stelde zij dat Climalux c.s. een NDA had geschonden en zich schuldig had gemaakt aan onrechtmatig “wapperen”. De voorzieningenrechter wees de vorderingen in conventie af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Hoewel dit in beginsel wordt aangenomen bij voortdurende inbreuk, kan gebrek aan voortvarendheid dit ontkrachten. In dit geval zat er ruim drie jaar tussen het eerste inbreukvermoeden (2022) en de dagvaarding (2025). Climalux c.s. had al vroeg aanwijzingen voor betrokkenheid van Food Autonomy c.s. en beschikte over voldoende informatie om eerder op te treden. Ook na latere onderzoeksstappen, zoals het Higtec-rapport (september 2024), volgde nog aanzienlijke vertraging. Voor het Nederlandse octrooi was aanvullend technisch onderzoek bovendien niet noodzakelijk.

IEF 23549

Rb. Den Haag staat inzage in beslagen materiaal toe in octrooizaak over productie van calciumcarbonaat

Rechtbank Den Haag 24 mrt 2026, IEF 23549; ECLI:NL:RBDHA:2026:10402 ([verzoekster] tegen [verweersters sub 1] ), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-staat-inzage-in-beslagen-materiaal-toe-in-octrooizaak-over-productie-van-calciumcarbonaat

Rb. Den Haag 24 maart 2026, IEF 23549; ECLI:NL:RBDHA:2026:10402 ([verzoekster] tegen [verweersters sub 1]). De Rechtbank Den Haag heeft in een octrooigeschil inzage toegestaan in conservatoir beslagen materiaal op grond van art. 194-196 Rv jo. art. 1019a Rv. De rechtbank acht zich exclusief bevoegd op grond van art. 80 lid 2 sub c ROW, omdat het verzoek verband houdt met de handhaving van een octrooi en verweersters in Nederland zijn gevestigd. Verzoekster is houdster van Europees octrooi EP 4 223 141 B1 voor een werkwijze voor de productie van een mineraal voederadditief op basis van calciumcarbonaat afkomstig uit drinkwaterontharding, alsmede voor het daarmee verkregen eindproduct. Verweersters houden zich bezig met het verwerken en vermalen van kalkkorrels voor de voedsel- en diervoederindustrie. Nadat eerdere samenwerkingen tussen partijen en AquaMinerals waren geëindigd, rees bij verzoekster het vermoeden dat verweersters zonder toestemming gebruik maakten van de geoctrooieerde werkwijze en de daarmee verkregen producten verhandelden. Op verzoek van verzoekster was eerder verlof verleend voor conservatoir bewijsbeslag, monsterneming en een gedetailleerde beschrijving van het productieproces. In deze procedure verzocht verzoekster vervolgens om inzage in de beslagen digitale bestanden, afgifte van de monsters en inzage in de gedetailleerde beschrijving van het maalproces. Verweersters voerden onder meer aan dat geen redelijk vermoeden van inbreuk bestond, dat het octrooi nietig zou zijn, dat de verzoeken te ruim waren geformuleerd en dat de beslagen stukken vertrouwelijke bedrijfsinformatie bevatten.

IEF 23538

Rb. Den Haag wijst claim op mede-eigendom van LinXis-octrooien af

Rechtbank Den Haag 22 apr 2026, IEF 23538; ECLI:NL:RBDHA:2026:9754 ((LinXis tegen [partij 1] en [partij 2])), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-wijst-claim-op-mede-eigendom-van-linxis-octrooien-af

Rb. Den Haag 22 april 2026, IEF23538; ECLI:NL:RBDHA:2026:9754 (LinXis tegen [partij 1] en [partij 2]). De Rechtbank Den Haag oordeelt in dit geschil tussen biotechbedrijf LinXis en voormalig bestuurder en consultant [partij 1] dat [partij 1] geen aanspraak kan maken op een aandeel in de octrooifamilies van LinXis. In de latere managementovereenkomsten ontbraken weliswaar expliciete IE‑overdrachtsclausules, maar volgens de rechtbank laten de afspraken en de samenwerking tussen partijen zien dat de octrooirechten bij LinXis liggen. [partij 1] werkte sinds 2015 via verschillende vennootschappen voor LinXis als patent consultant en later als CBO, CFO en CEO. In de eerste managementovereenkomst uit 2015 stond een expliciete IE‑overdrachtsclausule. Die bepaling ontbrak in de overeenkomsten uit 2017 en 2019. Tijdens de samenwerking vroeg LinXis meerdere octrooifamilies aan, waarbij [partij 1] deels als uitvinder stond vermeld. Volgens [partij 1] lieten de latere overeenkomsten bewust ruimte voor eigen IE‑rechten en een latere vergoeding voor overdracht. De rechtbank volgt hem daarin niet. De rechtbank vindt het logisch dat LinXis als biotechonderneming alle IE‑rechten binnen het bedrijf wilde houden. Ook weegt mee dat [partij 1] in subsidie‑ en financieringsdocumenten namens LinXis sprak van “solely owned patent applications”. Daarnaast maakten partijen geen concrete afspraken over een aparte vergoeding voor IE‑overdracht. Omdat [partij 1] de overeenkomsten zelf namens beide partijen ondertekende, had hij volgens de rechtbank eventuele mede‑eigendomsrechten expliciet moeten vastleggen. De rechtbank verklaart zowel LinXis als [partij 1] niet‑ontvankelijk in hun vorderingen over het uitvinderschap wegens gebrek aan belang (Art. 3:303 BW). Ook als [partij 1] mede‑uitvinder is, betekent dat volgens de rechtbank nog niet dat hij recht heeft op de octrooien. De rechtbank wijst ook het verzoek af om [partij 1] uit de octrooiregisters te verwijderen. LinXis stemde eerder zelf in met zijn vermelding als uitvinder en maakte onvoldoende duidelijk welk nadeel dat nu oplevert. 

IEF 23493

Kort geding over EP 2 700 765 voor trapbekleding: vorderingen afgewezen wegens serieuze kans op vernietiging van het octrooi

Rechtbank Den Haag 10 apr 2026, IEF 23493; ECLI:NL:RBDHA:2026:8972 (I4F tegen Van Dijk), https://ie-forum.nl/artikelen/kort-geding-over-ep-2-700-765-voor-trapbekleding-vorderingen-afgewezen-wegens-serieuze-kans-op-vernietiging-van-het-octrooi

Rb. Den Haag 10 april 2026, IEF 23493; ECLI:NL:RBDHA:2026:8972 (I4F tegen Van Dijk). In dit kort geding tussen I4F Licensing NV en Van Dijk Postforming & Vlakverlijming B.V. stond de handhaving centraal van het Nederlandse deel van Europees octrooi EP 2 700 765, dat ziet op een paneel voor onder meer trapbekleding. Octrooihoudster is Vakman Interieur Concepten B.V. (VIC); I4F beschikt over een exclusieve licentie en was door VIC gemachtigd het octrooi jegens derden te handhaven. I4F stelde dat de door Van Dijk geproduceerde en verkochte MexForm LVT-trappanelen inbreuk maakten op conclusie 1 en de afhankelijke conclusies 2 tot en met 13 van EP 765, en vorderde onder meer een inbreukverbod, opgave, recall, afgifte ter vernietiging, proceskosten ex art. 1019h Rv en bepaling van een termijn ex art. 1019i Rv. De voorzieningenrechter achtte zich bevoegd op grond van art. 4 Brussel I-bis, terwijl de relatieve bevoegdheid volgde uit art. 80 lid 2, onder a, ROW 1995; ook het spoedeisend belang werd aangenomen wegens de gestelde voortdurende inbreuk. Bij de inhoudelijke beoordeling stelde de rechter voorop dat een voorlopige maatregel wegens octrooi-inbreuk in beginsel moet worden geweigerd wanneer een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat het ingeroepen octrooi in een bodemprocedure nietig zal worden geoordeeld.

IEF 23446

Prejudiciële vragen gesteld over het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen

HvJ EU 5 dec 2025, IEF 23446; C-794/25 (Stada Arzneimittel AG tegen Takeda Pharmaceuticals USA, Inc., og Takeda Pharmaceutical Company Ltd.), https://ie-forum.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-het-aanvullende-beschermingscertificaat-voor-geneesmiddelen

Prejudiciële vragen gesteld aan Hof van Justitie EU 5 december 2025, IEFbe 23446; LS&R 2370; IEFbe 4181;  C-794/25 (Stada Arzneimittel AG tegen Takeda Pharmaceuticals USA, Inc., og Takeda Pharmaceutical Company Ltd.) via MinBuza. Verzoeker is ‘Stada Arzneimittel’, een farmaceutische onderneming in Duitsland. Stada heeft tegen twee Japanse farmaceutische ondernemingen een vordering ingesteld, strekkende tot ongeldigverklaring van het Deense aanvullende beschermingscertificaat voor medicatie. Zij hebben een beschermingscertificaat voor de ADHD-medicatie ‘dexamfetamine’. Ter discussie staat of dat certificaat ook bescherming biedt aan de medicatie ‘lisdexamfetamine’ (wat een derivaat is van de werkzame stof dexamfetamine) of dat deze medicatie een apart (of aanvullend) beschermingscertificaat vereist. Onderliggend is de vraag naar de betekenis van ‘product’ en ‘werkzame stof’ in de zin van artikel 1, onder b), van de verordening.

IEF 23435

Conclusie A-G over exportvrijstelling bij ABC’s: geen vooraf vereiste handelsvergunning, geen eis van reeds rechtenvrije exportlanden en ruimte voor voorraadvorming voor export

Hoge Raad 27 apr 2026, IEF 23435; ECLI:NL:PHR:2026:318 (Janssen Biotech Inc tegen Samsung Bioepis NL B.V.), https://ie-forum.nl/artikelen/conclusie-a-g-over-exportvrijstelling-bij-abc-s-geen-vooraf-vereiste-handelsvergunning-geen-eis-van-reeds-rechtenvrije-exportlanden-en-ruimte-voor-voorraadvorming-voor-export

Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2026, IEF 23435; ECLI:NL:PHR:2026:318 (Janssen tegen SB). In Conclusie A-G Van Peursem staat de uitleg centraal van de productie-voor-export-vrijstelling van art. 5 lid 2, onder a, sub i en ii, van Verordening (EG) nr. 469/2009 inzake aanvullende beschermingscertificaten voor geneesmiddelen, zoals gewijzigd door Verordening (EU) 2019/933. Janssen is houdster van aanvullende beschermingscertificaten voor ustekinumab in onder meer Denemarken en Italië en stelt dat Samsung Bioepis NL B.V. (SB) inbreuk maakt door een biosimilar van ustekinumab (SB17) in die landen te vervaardigen en/of op te slaan voor export naar derde landen zoals het VK, Canada en Zuid-Korea. SB heeft in oktober 2023 kennisgevingen gedaan bij de Deense en Italiaanse autoriteiten waarin zij productie en opslag aankondigt met het oog op “export and storing”, en heeft later de beoogde exportlanden en uiteindelijk ook de referentienummers van de handelsvergunningen meegedeeld zodra die publiek beschikbaar kwamen. Tussen partijen staat vast dat SB voor productie voor de Uniemarkt voldeed aan de afzonderlijke EU-stockpile-vrijstelling; het geschil ziet dus alleen op de exportvrijstelling. In eerste aanleg en in hoger beroep is Janssen in het ongelijk gesteld. In cassatie betoogt zij dat het hof de doelstellingen van de gewijzigde ABC-Verordening verkeerd heeft uitgelegd, ten onrechte voorraadvorming voor toekomstige export naar derde landen heeft aanvaard, en heeft miskend dat bij kennisgeving of uiterlijk bij aanvang van de productie al een handelsvergunning moet bestaan en dat de exportlanden dan ook al rechtenvrij moeten zijn. De A-G concludeert echter dat deze cassatieklachten niet slagen en ziet in dit kort geding ook geen noodzaak om prejudiciële vragen te stellen, hoewel hij onderkent dat hierover in Europa uiteenlopende rechtspraak bestaat.

IEF 23381

Voorlopig geen octrooi-inbreuk aangenomen bij composteerbare koffiecapsules

Rechtbank Den Haag 20 mrt 2026, IEF 23381; ECLI:NL:RBDHA:2026:6008 (Ox Barrier tegen De Koffiejongens, Euro-Caps en Capsul’in), https://ie-forum.nl/artikelen/voorlopig-geen-octrooi-inbreuk-aangenomen-bij-composteerbare-koffiecapsules

Rb. Den Haag 20 maart 2026, IEF 23381; ECLI:NL:RBDHA:2026:6008 (Ox Barrier tegen De Koffiejongens, Euro-Caps en Capsul’in). In dit kort geding vorderde Ox Barrier een verbod en nevenvoorzieningen tegen De Koffiejongens wegens gestelde directe en indirecte inbreuk op Europees octrooi EP 3 145 838 B1, dat ziet op composteerbare koffiecapsules met een meerlagig afsluitelement. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag achtte zich exclusief bevoegd op grond van art. 80 lid 2 onder a ROW en nam ook spoedeisend belang aan, ondanks het feit dat Ox Barrier al langer bekend was met de capsules, omdat de verkoop sinds 29 september 2025 was uitgebreid naar circa 800 Albert Heijn-filialen en de vermeende inbreuk daardoor was geïntensiveerd. Wel benadrukte de rechter dat de drempel voor toewijzing van een voorlopig verbod hoog lag, omdat De Koffiejongens stelde dat een verbod tot zeer zware, mogelijk faillissementsachtige gevolgen zou leiden, terwijl eventuele schade van Ox Barrier in beginsel achteraf via een licentievergoeding te begroten zou zijn.

IEF 23373

Keeex/Adobe: grens getrokken aan wereldwijde UPC‑bevoegdheid

Unified Patent Court (UPC) 13 mrt 2026, IEF 23373; UPC-COA-0000922/2025, UPC-COA-0000923/2025, UPC-COA-0000924/2025, UPC-COA-0000925/2025 (ADOBE INC., ADOBE SYSTEMS SOFTWARE IRELAND LIMITED, OPENAI LP, OPENAI OPCO LLC, OPEN AI IRELAND LTD, TRUEPIC INC., JOINT DEVELOPMENT FOUNDATION PROJECTS LLC, COALITION FOR CONTENT PROVENANCE AND AUTHENTICITY tegen KEEEX SAS), https://ie-forum.nl/artikelen/keeex-adobe-grens-getrokken-aan-wereldwijde-upc-bevoegdheid

UPC CoA 13 maart 2026, IEF 23373; UPC-COA-0000922/2025, UPC-COA-0000923/2025, UPC-COA-0000924/2025, UPC-COA-0000925/2025 (ADOBE INC., ADOBE SYSTEMS SOFTWARE IRELAND LIMITED, OPENAI LP, OPENAI OPCO LLC, OPEN AI IRELAND LTD, TRUEPIC INC., JOINT DEVELOPMENT FOUNDATION PROJECTS LLC, COALITION FOR CONTENT PROVENANCE AND AUTHENTICITY tegen KEEEX SAS). Keeex SAS heeft bij de Paris Local Division een inbreukvordering ingesteld op EP 2 949 070 (methode voor externe verificatie van integriteit en authenticiteit van digitale databestanden) tegen meerdere buitenlandse ICT‑bedrijven: Adobe (VS en IE), OpenAI (VS en IE), Truepic (VS) en Joint Development Foundation/Coalition for Content Provenance and Authenticity (VS). Keeex beriep zich op online aangeboden integriteits‑verificatiesoftware en stelde dat de schade wereldwijd was en alle territoria van het Europese octrooi bestreek. De gedaagden voerden in preliminaire excepties verweer tegen de interne en internationale bevoegdheid van de UPC, met name voor inbreuk in Zwitserland, Spanje, VK, Ierland, Noorwegen en Polen. De Paris Local Division verwierp deze excepties en aanvaardde bevoegdheid, ook voor die niet‑UPC‑staten, door te verwijzen naar het BSH‑arrest van het HvJ, waarop Adobe c.s., OpenAI, Truepic en Joint Development Foundation in verschillende hoger beroepen aanvoeren dat de UPC haar internationale bevoegdheid ten onrechte op art. 7 lid 2 Brussel I‑bis heeft gebaseerd en ten onrechte ver buiten de UPC‑territoria heeft uitgebreid. Keeex vroeg bevestiging van de beslissing en beriep zich onder meer op art. 14 Frans BW, art. 6 en 71b lid 3 Brussel I‑bis, waarbij zij stelde dat de UPC op grond van laatstgenoemde bepaling ook bevoegd is voor inbreuk buiten de Unie, nu Adobe en OpenAI via Franse dochters vermogensbestanddelen in UPC‑staten hebben.

IEF 23372

Ecovacs/Roborock: schending informatieplicht bij ex parte inspectie

Unified Patent Court (UPC) 16 mrt 2026, IEF 23372; UPC-COA-0000003/2026 (Ecovacs Robotics Co., Ltd. tegen Roborock (HK) Limited), https://ie-forum.nl/artikelen/ecovacs-roborock-schending-informatieplicht-bij-ex-parte-inspectie

UPC CoA 16 maart 2026, IEF 23372; UPC-COA-0000003/2026 (Ecovacs Robotics Co., Ltd. tegen Roborock (HK) Limited). Ecovacs Robotics, houdster van Europees octrooi EP 3 808 512 voor onder meer een methode voor lokalisering van een robot, vroeg bij de Local Division Düsseldorf van de Unified Patent Court om een ex parte inspectie- en bewijsbeslag op robotstofzuigers van Roborock (o.a. Roborock Saros 10, S8 Max V Ultra, QV 35A) op de IFA 2025 in Berlijn. De Local Division wees dit verzoek op 4 september 2025 toe zonder Roborock te horen, omdat de apparaten klein zijn en gemakkelijk verplaatst of door software-updates gewijzigd kunnen worden, en omdat Ecovacs had gesteld dat zij anders geen mogelijkheid had om bewijs te verkrijgen tegen Roborock, dat vanuit Hongkong opereert. De order verplichtte Roborock de apparaten aan een deskundige af te geven, inclusief het verstrekken van wachtwoorden, liet toe dat deze zo nodig ter plekke in beslag werden genomen en elders werden onderzocht, en omvatte ook inzage in documenten en digitale data; de deskundige moest binnen vier weken een beschrijving aan de rechtbank sturen, onder vertrouwelijkheid en geheimhouding. De inspectie vond op 7 september 2025 plaats, met rapport op 15 oktober 2025. Roborock vroeg vervolgens om herziening. De Local Division vernietigde op 19 december 2025 de inspectieorder volledig, behalve de vertrouwelijkheids- en geheimhoudingsverplichtingen, en legde alle kosten van de inspectie en het deskundigenrapport bij Ecovacs, omdat Ecovacs bij het ex parte verzoek haar op grond van Rule 192.3 RoP bestaande plicht tot volledige en juiste feitenpresentatie had geschonden. Ecovacs had in het verzoek gesuggereerd dat de IFA de enige mogelijkheid was om bewijs tegen Roborock te verkrijgen en dat Roborock geen eigen vestiging in Europa had en via dochterondernemingen distribueerde, terwijl zij al vóór het verzoek wist, en in een vrijwel gelijktijdig aanhangig gemaakte inbreukprocedure had gesteld en met een Amazon‑screenshot onderbouwd, dat Roborock zelf rechtstreeks aan Duitse klanten via Amazon verkocht en dat een andere groepsmaatschappij als fabrikant op de documentatie stond; eerdere testen van de apparaten waren bovendien al uitgevoerd.

IEF 23351

Uitspraak ingezonden door Lila Qribi

Artificial neural networks in het octrooirecht: het Britse Supreme Court wijzigt de toets voor software-uitvindingen

Overig 11 feb 2026, IEF 23351; UKSC/2024/0131 ([Emotional Perception AI Ltd tegen Comptroller General of Patents, Designs and Trade Marks]), https://ie-forum.nl/artikelen/artificial-neural-networks-in-het-octrooirecht-het-britse-supreme-court-wijzigt-de-toets-voor-software-uitvindingen

Het Britse Supreme Court heeft uitspraak gedaan in Emotional Perception AI Ltd v Comptroller General of Patents, Designs and Trade Marks. In deze zaak staat de vraag centraal of een artificial neural network (ANN) moet worden aangemerkt als een “computerprogramma” in de zin van artikel 1(2)(c) van de Patents Act 1977 en artikel 52(2) van het Europees Octrooiverdrag (EPC). Daarnaast bepaalt het Hof welke beoordelingsmethode moet worden toegepast bij computer-geïmplementeerde uitvindingen.

Het arrest is van belang voor de beoordeling van software- en AI-gerelateerde uitvindingen onder het Britse octrooirecht. Het Supreme Court spreekt zich voor het eerst expliciet uit over de positie van artificial neural networks binnen het octrooirecht en wijzigt daarbij de toets die in het Verenigd Koninkrijk bijna twintig jaar werd toegepast bij computer-geïmplementeerde uitvindingen.