DOSSIERS
Alle dossiers

Onrechtmatige publicaties  

IEF 23331

Uitspraak ingezonden door Vivien Rorsch, LaRorsch.

Vrijheid van meningsuiting letselschadeadvocaat versus reputatiebescherming belangenbehartiger bij schietincident Alphen aan den Rijn

Hoge Raad 27 feb 2026, IEF 23331; ECLI:NL:PHR:2026:197 ([eiser 1] en Corpocon tegen [verweerder]), https://ie-forum.nl/artikelen/vrijheid-van-meningsuiting-letselschadeadvocaat-versus-reputatiebescherming-belangenbehartiger-bij-schietincident-alphen-aan-den-rijn

Parket bij de Hoge Raad 27 februari 2026, IEF 23331; ECLI:NL:PHR:2026:197 ([eiser 1] en Corpocon tegen [verweerder]). De zaak betreft uitlatingen van letselschadeadvocaat [verweerder] in een artikel in het Algemeen Dagblad van 7 april 2021 over de trage schadeafwikkeling na het schietincident in winkelcentrum De Ridderhof in Alphen aan den Rijn, waarin belangenbehartiger [eiser 1] en zijn vennootschap Corpocon (letselschadeclaim.nl) scherp worden neergezet als mogelijke oorzaak van vertraging en als “cowboy”‑achtige dienstverlener. [eiser 1] behartigt via Corpocon de belangen van een groep slachtoffers en heeft procedures (mede) gefinancierd, waarna de politie na het aansprakelijkheidsarrest van de Hoge Raad in 2019 de VSSA‑stichting oprichtte voor de schadeafwikkeling. In het AD‑artikel wordt onder meer gemeld dat [eiser 1] cliënten zou afraden machtigingen aan de VSSA te geven tenzij eerst een voorschot van 10.000 euro wordt betaald; daarna volgt een passage met de aan [verweerder] toegeschreven uitlatingen over “secundaire victimisatie”, slachtoffers die “de dupe van hun belangenbehartiger” zouden worden, en “te veel cowboys in de markt”. [eisers] stellen dat deze uitingen, mede gezien de foto, context en andere citaten in het stuk, voor de gemiddelde lezer rechtstreeks op hen slaan en hun eer en goede naam ernstig aantasten; zij vorderen onder meer een verklaring voor recht dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld (art. 6:162 BW), een verbod op soortgelijke uitlatingen, rectificatie via ANP en het AD (online en op de homepage), dwangsommen en schadevergoeding op te maken bij staat. De rechtbank Den Haag wijst alle vorderingen af omdat [verweerder] in de gegeven context niet onrechtmatig heeft gehandeld; het hof Den Haag bekrachtigt dat vonnis na een belangenafweging tussen art. 10 en art. 8 EVRM, waarbij het hof onder meer centraal stelt dat [verweerder] slechts één uitlating specifiek over [eiser 1] heeft gedaan (“Het lijkt erop dat de belangenbehartiger niet weet hoe verder te gaan met deze dossiers”), dat hij de overige opmerkingen in algemene zin over de letselschademarkt heeft geuit, en dat de wijze waarop de journalist deze in het artikel heeft gemonteerd primair aan de journalist moet worden toegerekend. Het hof acht verder van belang dat [verweerder] als deskundige was benaderd in het kader van een publiek debat over letselschade en “cowboys” in de markt, dat zijn kernuitspraak voldoende steun vond in de door de journalist voorgehouden feiten (waaronder eerdere media‑uitingen van [eiser 1] en de situatie rond de VSSA) en dat hij de nodige terughoudendheid betrachtte door te formuleren met “het lijkt erop dat”. In cassatie klagen [eisers] in hoofdzaak dat het hof onjuiste rechtsopvattingen hanteert en relevante omstandigheden verkeerd weegt of buiten beschouwing laat, onder meer over de bijzondere positie van advocaten (vergeleken met de pers), het gewicht van de publieke perceptie, de vraag of [verweerder] feitelijk “rechtstreeks” in de media heeft gesproken en zijn verantwoordelijkheid voor controle‑ en correctiemaatregelen rond het interview.

IEF 23324

Kort geding over online beschuldigingen en grensoverschrijdende uitingen op sociale media

Rechtbank Rotterdam 27 feb 2026, IEF 23324; ECLI:NL:RBROT:2026:2075 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/kort-geding-over-online-beschuldigingen-en-grensoverschrijdende-uitingen-op-sociale-media

Rb Rotterdam 27 februari 2026, IEF 23324; ECLI:NL:RBROT:2026:2075 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze zaak zijn eiser, een publiek bekende activist, en gedaagde, een zeer actieve gebruiker van sociale media en een eigen website, sinds begin 2025 in een escalerende online ruzie verwikkeld, waarin zij over en weer berichten plaatsen en aangifte doen. Eiser stelt dat gedaagde structureel grensoverschrijdende uitingen over hem en zijn gezin doet. Zij noemt hem onder meer psychopaat en NSB’er, maar vooral beschuldigt zij hem van ernstige strafbare feiten zoals geestelijke mishandeling, psychisch geweld, stalking, doxing, femicide en kindermisbruik, publiceert portretten van eiser met teksten als “kinderen neuken”, deelt privé-informatie uit zijn echtscheiding en betrekt zijn minderjarige kinderen door een geblurde foto van hen te plaatsen met dreigende teksten, alsook een spraakbericht aan zijn zoon te sturen. Na een sommatiebrief weigert gedaagde in te binden en daagt eiser haar in kort geding, waarin hij vordert: een verbod op bedreigingen jegens hem en zijn kinderen, een (primair ruim, subsidiair toegespitst) verbod om hem van bepaalde strafbare feiten te beschuldigen, een verbod op berichten over zijn gezinsleven, kinderen, echtscheidingsgeschil en adres, een verbod op gebruik van zijn portret, een verwijderingsgebod voor bestaande uitingen, een rectificatie op diverse socialemediakanalen, een contact- en gebiedsverbod ten opzichte van hem en zijn kinderen, verbeurte van dwangsommen en, bij uitputting daarvan, lijfsdwang, plus een veroordeling van gedaagde in de werkelijke proceskosten. Gedaagde voert verweer en formuleert in een eigen “Verzetschrift” tegenvorderingen, maar die gelden niet als eis in reconventie omdat zij daarvoor een advocaat nodig had; de voorzieningenrechter acht de zaak spoedeisend en bespreekt vervolgens het toetsingskader van de botsing tussen eisers recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, goede naam en reputatie (artikel 8 EVRM) en gedaagdes vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM), waarbij aan de hand van de aard van de uitlatingen, de ernst van de gevolgen, het beschikbare feitenmateriaal, de context en de maatschappelijke positie van partijen wordt afgewogen of sprake is van onrechtmatigheid.

IEF 23298

Onrechtmatige online uitlatingen over jeugdzorgvoorzitter: hof beperkt vrijheid van meningsuiting en kent immateriële schadevergoeding toe

Hof Amsterdam 3 feb 2026, IEF 23298; ECLI:NL:GHAMS:2026:272 ([appellant] tegen [geïntimeerde]), https://ie-forum.nl/artikelen/onrechtmatige-online-uitlatingen-over-jeugdzorgvoorzitter-hof-beperkt-vrijheid-van-meningsuiting-en-kent-immateriele-schadevergoeding-toe

Hof Amsterdam 3 februari 2026, IEF 23298; ECLI:NL:GHAMS:2026:272 ([appellant] tegen [geïntimeerde]). De zaak betreft een geschil tussen appellante, voorzitter van de Stichting Jeugdhulp Voldoende Beschermd, en geïntimeerde, een jurist die juridisch onderwijs en publicaties aanbiedt via zijn onderneming. Appellante had geïntimeerde in mei 2021 benaderd voor juridisch advies over misstanden in de jeugdzorg en daarbij diverse documenten verstrekt, waaronder een audiobestand van een opgenomen telefoongesprek. Vervolgens heeft geïntimeerde meerdere publicaties op Facebook, X/Twitter en zijn eigen website geplaatst waarin hij appellante onder meer beschuldigde van het uiten dan wel aanzetten tot bedreigingen aan zijn adres, het saboteren van de documentaire Taken: Kinderen van de Staat, het starten van een procedure om een andere zaak te belemmeren, en het saboteren van jeugdzorgslachtoffers. Appellante stelde dat deze uitlatingen onrechtmatig waren en vorderde in hoger beroep, na gedeeltelijke toewijzing door de kantonrechter, onder meer verwijdering van het audiobestand en haar persoonsgegevens, een verbod op verdere uitlatingen, een rectificatie op meerdere platforms en een immateriële schadevergoeding van € 1.000,00. Geïntimeerde is in hoger beroep niet verschenen, waarna tegen hem verstek is verleend. Het hof diende de vorderingen evenwel ambtshalve te toetsen op rechtmatigheid en gegrondheid.

IEF 23286

Politieke satire en reputatiebescherming: EHRM over de grenzen van art. 10 EVRM

EHRM 13 jan 2026, IEF 23286; ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD004338817 (Mladina d.d. Ljubljana tegen Slovenia), https://ie-forum.nl/artikelen/politieke-satire-en-reputatiebescherming-ehrm-over-de-grenzen-van-art-10-evrm

EHRM 13 januari 2026, IEF 23286; IEF 4108; ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD004338817 (Mladina d.d. Ljubljana v. Slovenia (No. 2)). In de zaak Mladina d.d. Ljubljana v. Slovenia (No. 2) stond de vraag centraal of de veroordeling van de uitgever van het Sloveense weekblad Mladina wegens een satirische publicatie in strijd was met artikel 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting). De uitgever had in 2011 in de satirische rubriek “Mladinamit” een foto van de bekende Sloveense politicus B.G. met zijn gezin naast een foto van Joseph Goebbels met diens gezin geplaatst. De publicatie vond plaats tegen de achtergrond van een publiek debat waarin B.G. op sociale media met Goebbels was vergeleken. In hetzelfde nummer verscheen een redactioneel stuk waarin parallellen werden getrokken tussen de politieke methoden van B.G.’s partij en die van de nazi-propaganda. B.G. stelde dat de vergelijking, mede gezien de historische connotaties van Goebbels en diens betrokkenheid bij het naziregime, zijn eer en goede naam had aangetast en vorderde schadevergoeding, publicatie van het vonnis en een verontschuldiging. De uitgever voerde aan dat het ging om politieke satire gericht op B.G. als publiek figuur, dat de foto van zijn gezin op een openbare religieuze bijeenkomst was genomen en dat de vergelijking betrekking had op politieke methoden, niet op zijn privéleven of zijn gezin als zodanig. In eerste aanleg werd de vordering afgewezen, maar in hoger beroep werd geoordeeld dat met name de visuele vergelijking van de gezinsfoto’s een ontoelaatbare inbreuk vormde. Uiteindelijk werd de uitgever verplicht een verontschuldiging te publiceren en een (na matiging) schadevergoeding van € 3.000 te betalen. Het Sloveense Constitutionele Hof achtte de belangenafweging tussen de vrijheid van meningsuiting en het recht op reputatie correct uitgevoerd.

IEF 23274

Belangenafweging privacy veroordeelde en persvrijheid bij online zittingsverslag NRC

Rechtbank Amsterdam 17 dec 2025, IEF 23274; ECLI:NL:RBAMS:2025:10200 ([eiser] tegen MEDIAHUIS NRC B.V.), https://ie-forum.nl/artikelen/belangenafweging-privacy-veroordeelde-en-persvrijheid-bij-online-zittingsverslag-nrc

Rb Amsterdam 17 december 2025, IEF 23274; ECLI:NL:RBAMS:2025:10200 ([eiser] tegen MEDIAHUIS NRC B.V.). De zaak betreft een zorgverlener die in 2022 is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf (waarvan een half jaar voorwaardelijk) wegens seksuele uitbuiting van twee 17‑jarige meisjes, over wie NRC een artikel in de rubriek “De Zitting” publiceerde met vermelding van zijn voornaam, leeftijd en beroep. Volgens eiser is de publicatie onrechtmatig op grond van artikel 6:162 BW, omdat NRC zonder noodzaak strafrechtelijke persoonsgegevens verwerkt in strijd met zijn recht op eer en goede naam (artikel 8 EVRM) en in strijd met de AVG en de UAVG, met name omdat de gegevens niet noodzakelijk zouden zijn voor het doel van de publicatie. Eiser vordert dat NRC het artikel aanpast door deze persoonsgegevens te verwijderen, op straffe van een dwangsom, plus 750 euro immateriële schadevergoeding, subsidiair een voorziening waardoor NRC zijn strafrechtelijke persoonsgegevens niet meer verwerkt. NRC beroept zich op vrijheid van meningsuiting en persvrijheid en stelt dat het artikel feitelijk verslag doet van een openbare strafzitting, met bewust weglaten van de achternaam en andere privé‑details.

IEF 23266

EHRM over vrijheid van meningsuiting van rechters op sociale media

EHRM 25 dec 2025, IEF 23266; 16915/21 (DANILEŢ tegen Roemenië), https://ie-forum.nl/artikelen/ehrm-over-vrijheid-van-meningsuiting-van-rechters-op-sociale-media

EHRM 25 december 2025, IEF 23266; IT 5103; IEFbe 4100; 16915/21 (DANILEŢ tegen Roemenië). Deze zaak gaat over een klacht op grond van artikel 10 EVRM, ingediend door een Roemeense rechter, naar aanleiding van een disciplinaire sanctie wegens twee berichten die hij in januari 2019 op zijn openbare Facebookpagina had geplaatst. De verzoeker was op dat moment rechter bij het gerechtshof Cluj en genoot aanzienlijke publieke bekendheid, mede door eerdere functies binnen de rechterlijke macht en zijn actieve deelname aan maatschappelijke debatten over democratie, rechtsstaat en justitie. Op zijn Facebookpagina, die ongeveer 50.000 volgers telde, publiceerde hij twee berichten. Het eerste bericht ging over vermeende pogingen om kerninstituties van de staat (waaronder justitie, politie en leger) te ondermijnen en bevatte een retorische passage over de constitutionele rol van het leger bij het beschermen van de democratie. Het tweede bericht bestond uit een link naar een persartikel waarin een officier van justitie kritiek uitte op hervormingen binnen het strafrecht, met daarbij de tekst: “Now here’s a prosecutor with some blood in his veins (sânge în instalaţie), speaking his mind about dangerous prisoners being freed, our leaders’ bad ideas on legislative reform, and judges and prosecutors being ‘lynched’!” (Vertaald). De Judicial Inspection Board startte ambtshalve een onderzoek wegens mogelijk gedrag dat de eer en het imago van de rechterlijke macht zou aantasten, zoals bedoeld in artikel 99(a) van Wet nr. 303/2004. Na onderzoek werd de zaak voorgelegd aan de disciplinaire kamer van de Nationale Raad voor de Magistratuur, die oordeelde dat de verzoeker zijn plicht tot terughoudendheid had geschonden. Daarbij werd benadrukt dat zijn uitlatingen, mede gelet op hun vorm en publieke verspreiding, het vertrouwen in staatsinstellingen en de rechterlijke macht konden ondermijnen. Als sanctie werd een tijdelijke salarisverlaging van 5% voor twee maanden opgelegd. Het door de verzoeker ingestelde beroep werd door het Hoog Gerechtshof van Cassatie en Justitie verworpen. Dat hof oordeelde dat de beperking van zijn uitingsvrijheid wettelijk was voorzien, een legitiem doel diende (het beschermen van het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht) en proportioneel was. 

IEF 23242

Uitspraak ingezonden door Bertil van Kaam en Pascal Steijvers, Van Kaam.

De Hygiënepolitie mag verborgen camerabeelden uit sauna niet uitzenden

Rechtbank Gelderland 22 jan 2026, IEF 23242; ECLI:NL:RBGEL:2026:490 (SAUNA DRÔME PUTTEN B.V. tegen ACT OF CRIME B.V.), https://ie-forum.nl/artikelen/de-hygienepolitie-mag-verborgen-camerabeelden-uit-sauna-niet-uitzenden

Rb. Gelderland 22 januari 2026, IEF 23242; ECLI:NL:RBGEL:2026:490 (SAUNA DRÔME PUTTEN B.V. tegen ACT OF CRIME B.V.). De eiseres in deze zaak exploiteert een sauna in Putten. Gedaagde is Act of Crime BV, een producent die een nieuw SBS6-programma ontwikkelt met de titel “De Hygiënepolitie”. Rob Geus is de presentator van dit programma. Medewerkers van gedaagde hebben op meerdere dagen verborgen camera-infiltraties ingezet in de sauna. De beelden die zijn gemaakt wil het programma gebruiken in een aflevering over eiseres. In de sauna zijn ook monsters afgenomen die later zijn onderzocht. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen onder meer het opnemen en uitzenden van de geheime camerabeelden. De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland is het daarmee eens en oordeelt dat de verborgen camerabeelden niet mogen worden uitgezonden.

IEF 23228

Kort geding over onrechtmatige uitlatingen en rectificatieplicht op social media

Rechtbank Rotterdam 31 dec 2025, IEF 23228; ECLI:NL:RBROT:2025:15317 ([eisers] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/kort-geding-over-onrechtmatige-uitlatingen-en-rectificatieplicht-op-social-media

Rb. Rotterdam 31 december 2025, IEF 23229; IT 5082; ECLI:NL:RBROT:2025:15317 ([eisers] tegen [gedaagde]). De zaak betreft een kort geding tussen een influencer en partner enerzijds en de beheerder van een juicekanaal anderzijds. [eisers] vorderen dat berichten van het juicekanaal worden verwijderd, verwijderd gehouden en dat een rectificatie op het juicekanaal wordt geplaatst. De berichten bevatten vermeende misstanden in de beautysalons van [eiser 1], een verjaardagsfeest in attractiepark DippieDoe en de professionele achtergrond van [eiser 2]. [eiser 1] reageert op zijn eigen kanalen met berichten waarin hij suggereert dat [gedaagde] achter ernstige bedreigingen, vernielingen en het “kapotmaken” van de eerste verjaardag van zijn kind zit, en hij kondigt een eigen onderzoek en “ontmaskering” aan. In conventie vorderen [eisers] op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) en een inbreuk op hun recht op eer en goede naam en privacy (artikel 8 EVRM) onder meer dat de berichten worden verwijderd en verwijderd gehouden, dat het juicekanaal zich onthoudt van soortgelijke uitingen, dat een uitgebreide rectificatie wordt geplaatst op alle socialmediakanalen van het juicekanaal en dat de namen en adressen van de bronnen die uitlatingen over [eiser 2] hebben gedaan worden verstrekt, alles op straffe van dwangsommen. In reconventie vordert [gedaagde], ook onder beroep op onrechtmatige daad en bescherming van zijn eer en goede naam, dat [eiser 1] en [eiser 2] hun uitingen over hem verwijderen en verwijderd houden, dat zij zich onthouden van nieuwe onnodig grievende uitlatingen, dat zij een rectificatie plaatsen op hun eigen socialmediakanalen en dat zij tot de proceskosten worden veroordeeld.

IEF 23233

Voorzieningenrechter verbiedt onrechtmatige socialmediaberichten en legt contactverbod op

Rechtbank Gelderland 23 dec 2025, IEF 23233; ECLI:NL:RBGEL:2025:11614 (de Stichting tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/voorzieningenrechter-verbiedt-onrechtmatige-socialmediaberichten-en-legt-contactverbod-op

Rb. Gelderland 23 december 2025, IEF 23233; IT 5085; ECLI:NL:RBGEL:2025:11614 (de Stichting tegen [gedaagde]). In dit kort geding (verstek) vorderde Stichting Driegasthuizengroep (zorginstelling in de regio Arnhem) maatregelen tegen een familielid van bewoners, dat via diverse socialmediakanalen veelvuldig berichten, foto’s en video’s plaatste over vermeende misstanden in de ouderenzorg, waarbij hij (ook met naam/beeld) medewerkers en bestuurders van de Stichting en een zorglocatie betrok en derden opriep tot actie. De voorzieningenrechter past het klassieke afwegingskader toe bij de botsing tussen vrijheid van meningsuiting (art. 7 Gw en art. 10 EVRM) en het recht op bescherming van eer, goede naam en privacy (art. 10 Gw en art. 8 EVRM). Gelet op de aard en toon van de uitingen (ernstige beschuldigingen/verdachtmakingen, beledigingen, intimiderende en opruiende passages en het delen/vragen van persoonsgegevens), en de impact op betrokkenen en de zorgverlening, oordeelt de voorzieningenrechter dat de uitingen onrechtmatig zijn en dat de grenzen van art. 10 lid 2 EVRM ruimschoots zijn overschreden; het gaat niet om “gewone” kritiek of zorguitingen.

IEF 23176

Vorderingen tot rectificatie uitlatingen en schorsing royement afgewezen

Rechtbank Den Haag 17 dec 2025, IEF 23176; ECLI:NL:RBDHA:2025:24174 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen De Vereniging), https://ie-forum.nl/artikelen/vorderingen-tot-rectificatie-uitlatingen-en-schorsing-royement-afgewezen

Rb. Den Haag 17 december 2025, IEF 23176; ECLI:NL:RBDHA:2025:24174 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen De Vereniging). Twee leden van de Haagse Moslimvereniging Noeroel Islam, onder wie een voormalig bestuurslid, zijn door het bestuur op non-actief gesteld na het verspreiden van een door henzelf geschreven Umrah-gids. Volgens het bestuur bevatte de gids onjuiste religieuze informatie en passages die als disrespectvol tegenover de profeet konden worden opgevat. Na raadpleging van islamitische geleerden heeft het bestuur de leden geroyeerd. De algemene ledenvergadering heeft dit royement later bevestigd. [eiser 1] en [eiser 2] startten een kort geding. Zij vorderden onder meer rectificatie van beschuldigingen van "kufr" en het in gevaar brengen van de continuïteit van de vereniging, opschorting van het royementsbesluit en herstel van hun lidmaatschaps- en bestuursrechten.