Dit duidelijke onderscheid
Rechtbank ’s-Gravenhage, 13 oktober 2010, HA ZA 10-431, Ronald Bussink Amusement Design GmbH tegen J. Otten
Octrooirecht. EP Kermisattractie (merry-go-round /carrousel). Eiser stelt tevergeefs dat de ‘Dominator’ van gedaagde inbreuk maakt op zijn EP. Vorderingen afgewezen. 1019H proceskosten ook m.b.t. voorwaardelijke reconventionele vordering tot vernietiging. In citaten:
2.7. Deze rechtbank heeft bij vonnis van 25 augustus 2010 [Rechtbank ’s-Gravenhage, 25 augustus 2010, IEF 9048 ] in een procedure tussen KMG en Bussink geoordeeld dat de ‘Inversion’ van KMG (welke machine, zo hebben partijen ter zitting aangevoerd, identiek is aan de door Otten geëxploiteerde ‘Dominator’) geen inbreuk maakt op octrooi EP 184.
(…) 4.6. De rechtbank houdt dan ook vast aan haar in het vonnis van 25 augustus 2010 gegeven oordeel dat de in de ‘Dominator’/’Inversion’ van de kolom uitstekende structuur (…) inclusief de daarop gefixeerd aangebrachte benches dient te worden aangemerkt als een met de seating facility overeenkomende maatregel, waarbij geldt dat aan de kenmerkende maatregel van conclusie 1, inhoudende dat de benches – niet de seating facility – scharnierend zijn opgehangen, niet wordt voldaan omdat bij de ‘Dominator’/ ´Inversion’ het roteerpunt, als dit al als een scharnierpunt kan worden opgevat, zich bevindt tussen de kolom en de seating facility.
4.7. Voor het betoog van Bussink dat deze maatregel van conclusie 1 aldus moet worden uitgelegd dat het mede omvat een scharnierende seating facility, bestaat geen goede grond. Het octrooi maakt een duidelijk onderscheid tussen de benches en de seating facility. De uitleg die Bussink aan conclusie 1 wil geven verdraagt zich niet met dit duidelijke onderscheid in zowel de conclusie als de beschrijving en de tekeningen van het enige uitvoeringsvoorbeeld en zou in strijd komen met de hiervoor in r.o. 4.4. weergegeven maatstaf.
4.8. Eerst bij pleidooi heeft Bussink het in r.o. 4.7. weergegeven argument ook in een equivalentie-context aan de orde gesteld. Hoewel als uitgangspunt heeft te gelden dat aan dergelijk laattijdige argumentatie in het kader van een VRO-zaak voorbij dient te worden gegaan, wordt Bussink in dit geval gesauveerd nu hiertegen van de zijde van Otten ter zitting in het geheel geen bezwaar is gemaakt. Inhoudelijk stuit haar stelling evenwel af op het feit dat Bussink deze onvoldoende overtuigend motiveert. (…)
(…) 5.2. Bussink wordt ook veroordeeld in de kosten van de reconventie omdat de voorwaardelijke vordering in reconventie tot vernietiging van het octrooi onder de gegeven omstandigheden als een redelijke vorm van verdediging van Otten moet worden aangemerkt. (…)
Lees het vonnis hier.
Handelingen 2010-2011, nr. 3, Tweede Kamer, p. 12-16, wetsvoorstel 32 137. Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek) (32137).
Rechtbank ’s-Gravenhage, 13 oktober 2010, HA ZA 10-299, Vereffenaar nalatenschap tegen De Staat der Nederlanden (met dank aan Sikke Kingma,
Gerechtshof ’s-Gravenhage, 12 oktober 2010, zaaknr. 200.019.990/01, Connect tegen KSI Gastronomiezubehör (met dank aan Diederik Stols,
Rechtbank Amsterdam, 26 mei 2010, LJN: BO0292, Vereniging Buma & St. Stemra tegen St. Commerciële Omroep Exploitatie Zh (Scoezh) c.s (Fresh FM)
Hoge Raad, 15 oktober 2010, C07/034, Makro Zelfbedieningsgroothandel CV, Metro Cash & Carry BV en Remo Zaandam BV tegen Diesel SpA (met gelijktijdige dank aan Sven Klos,
HvJ EG, 14 oktober 2010, conclusie A-G Bot in zaak C-393/09, Bezpečnostní softwarová asociace (de BSA) tegen Ministerstvo kultury (prejudiciële vragen Nejvyšší správní soud, Tsjechië)
Kamervragen Tweede Kamer, vraagnummer 2010Z14577. Vragen van het lid Van Dam (PvdA) aan de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Justitie over de rechterlijke uitspraak over de uitzending van flitsen van beeldmateriaal van eredivisiewedstrijden door regionale omroepen (ingezonden 11 oktober 2010). [Vraag 6 ontbreekt – IEF]