Uiting onvrede over schikking niet in strijd met afspraken
Hof Amsterdam 14 juli 2015, IEF 15474; ECLI:NL:GHAMS:2015:2965 (IQAccu.nl)
Mediarecht. Schikking. Op grond van een overeengekomen schikking dient appellant zich te onthouden van bepaalde mededelingen op website iqaccu.nl, op straffe van een boete. Anders dan de rechter oordeelde [IEF 12959], heeft appellant volgens het Hof de schikking niet geschonden en de boete niet verbeurd door haar onvrede over de schikking te uiten. Grieven worden toegewezen en vonnis wordt vernietigd.
3.3. De voorzieningenrechter heeft in het vonnis waarvan beroep in conventie overwogen dat kern van het geschil de vraag betreft of [appellant] zich heeft gehouden aan wat tussen partijen is overeengekomen en is vastgelegd in het proces-verbaal. Volgens de voorzieningenrechter is dit niet het geval omdat [appellant] – in zijn onder 3.1 sub (iii) en/of (vi) genoemde berichten – de namen van [geïntimeerden] heeft genoemd en deze berichten bovendien onjuist zijn nu [appellant] daarin vermeldt dat hij door een rechter is veroordeeld tot betaling van een boete, terwijl het om afspraken gaat die partijen zelf hebben gemaakt en in het proces-verbaal zijn vastgelegd; daarbij hebben de mededelingen een insinuerend karakter, nu hij suggereert dat hij ten onrechte is ‘veroordeeld’ en spreekt over kwaliteits- en capaciteitsverschillen en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij met het plaatsen van deze mededelingen een andere bedoeling had dan het in een kwaad daglicht stellen van [geïntimeerden] Daarmee is volgens de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat [appellant] de afspraken als vervat in het proces-verbaal heeft overtreden en de boete van € 10.000,= heeft verbeurd, terwijl de executie door [geïntimeerden] op grond van het proces-verbaal geen misbruik van recht oplevert. In reconventie heeft de voorzieningenrechter overwogen dat [appellant] zich niet heeft gehouden aan de afspraken als vervat in het proces-verbaal en dat – nu de daarin vastgelegde schikking betrekking had op verbeurde dwangsommen, in die schikking is overeengekomen dat [appellant] een boete zou verbeuren indien hij opnieuw ‘in de fout’ zou gaan en dit ook is gebeurd – een sterkere prikkel nodig is om [appellant] ertoe te bewegen zich te onthouden van de gewraakte mededelingen. Op grond van al het voorgaande heeft de voorzieningenrechter in conventie de gevraagde voorzieningen geweigerd en [appellant] veroordeeld in de proceskosten, en in reconventie [appellant] gelast – op straffe van verbeurte van een dwangsom – zich te onthouden van insinuerende, misleidende, ongefundeerde en/of onjuiste mededelingen op zijn website of via e-mails of via enig ander medium die direct betrekking hebben op [geïntimeerden] of [X] in persoon en/of op hun producten en/of op de tussen partijen gevoerde rechtszaken, waaronder dit kort geding, en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.
3.7. Met betrekking tot het eerste bericht (dat van 5 juni 2014) overweegt het hof dat dit niet kan worden gekwalificeerd als insinuerend, misleidend, ongefundeerd of onjuist. [appellant] geeft in dit bericht (naar zijn zeggen: via een derde) te kennen dat hij het (achteraf) niet eens is met, althans spijt heeft van, de bereikte schikking en met de procedurele gang van zaken ter zitting. Voor een willekeurige lezer is overigens slechts duidelijk dat [appellant] kennelijk bij een procedure voor de rechter betrokken is geweest en dat die procedure niet naar zijn tevredenheid is afgelopen. Dat het bericht in technisch-juridisch opzicht niet geheel juist is geformuleerd, maakt niet dat het bericht als onjuist in de zin van de in het proces-verbaal vervatte bepaling moet worden aangemerkt. Voor een willekeurige lezer ervan is daarnaast niet duidelijk dat dit bericht betrekking heeft op een procedure van [appellant] tegen [geïntimeerden] of [X] in persoon. Enigerlei naam wordt in het bericht niet genoemd. Het stond [appellant] bovendien vrij dit bericht aldus te publiceren omdat in het proces-verbaal, anders dan in het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 8 augustus 2013, uitsluitend nieuwe mededelingen met het bedoelde karakter worden genoemd die betrekking hebben op [geïntimeerden] of [X] in persoon en daaronder niet mede worden begrepen (en/of) hun producten en/of de tussen partijen gevoerde rechtszaken. Een en ander gaat evenzeer op met betrekking tot het tweede bericht (dat van 18 en 19 juni 2014). Ook hiervoor geldt dat dit – naar de strekking ervan begrepen – op zichzelf niet onjuist is en evenmin als insinuerend, misleidend of ongefundeerd jegens [geïntimeerden] of [X] in persoon kan worden gekwalificeerd, omdat [appellant] hierin (slechts) zijn mening geeft over de gang van zaken tijdens en de uitkomst van een rechtszaak. Omdat krachtens het proces-verbaal het verbod op het doen van nieuwe mededelingen met het bedoelde karakter niet mede (en/of) betrekking had op producten en met name niet op tussen partijen gevoerde rechtszaken, stond het [appellant] op dat moment bovendien vrij mededelingen daaromtrent te doen en daarbij het proces-verbaal te publiceren. Anders dan [geïntimeerden] hebben betoogd, stond artikel 28 lid 3 Rv daaraan niet in de weg, omdat deze bepaling slechts betrekking heeft op de vraag aan wie afschriften van uitspraken door de griffier van een gerecht mogen worden verstrekt.
3.8. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat beide berichten, zowel afzonderlijk als in onderling verband en samenhang met elkaar beschouwd, niet tot de conclusie (kunnen) leiden dat [appellant] zich niet heeft gehouden aan de afspraken zoals vervat in het proces-verbaal, en met name niet dat [appellant] de in het proces-verbaal genoemde boete van € 10.000,= heeft verbeurd. Hiervan uitgaande hebben [geïntimeerden] geen rechtens te respecteren belang bij tenuitvoerlegging van het proces-verbaal op die grond en levert dit dus misbruik van bevoegdheid op. Een en ander heeft tot gevolg dat grief I tot en met grief V slagen.
Auteursrecht. Partijen voerden gezamenlijk een webwinkel waarop zij bronzen beelden te koop aanbieden. Na hun echtscheiding komt de webwinkel in het bezit van eiseres. Kort daarna start gedaagde een eigen webwinkel, ook handelend in bronzen beelden. Volgens eiseres heeft gedaagde delen van haar website gekopieerd en zij eist dat hij onmiddellijk deze inbreuk op haar auteursrechten op de inrichting van haar website staakt. De vorderingen op deze grondslag worden toegewezen. De vordering tot algehele staking van webwinkel op grond van oneerlijke concurrentie en echtscheidingsconvenant afgewezen.
Strafrecht. Bewezenverklaring van (medeplegen van) handel in merkvervalste goederen, gewoontewitwassen en deelname aan een criminele organisatie waarvan verdachte de leider was. Bewijs rechtmatig verkregen. Aangiftes merkhouders bruikbaar. Geen gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn en feit dat verdachte alweer ruim 3 jaar op vrije voeten is en geen justitiecontacten meer heeft gehad. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan voorarrest (105 dagen), 180 dagen voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd van 3 jaar, 240 uur taakstraf en geldboete van € 10.000.
Gemeenschapsmerk. Bevoegdheidsincident. Bevoegdheid ogv 97 lid 5 GMVo, 82 lid 5 GModVo en 7 lid 2 EEX-II Vo door invoer in Nederland. Crocs vordert een inbreukverbod tegen Real. Real stelt dat de Nederlandse rechter onbevoegd is. De rechter wijst dit verweer af. De goederen zijn aangetroffen door de douane in Nederland, wat leidt tot een inbreuk op artikel 9 GMVo en een dreigende inbreuk in Nederland. Dat de goederen voor winkels in Duitsland bestemd zijn doet niet af aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. De rechtbank is internationaal en relatief bevoegd kennis te nemen van de vorderingen.
Handelsnaam. Vaststellingsovereenkomst. Lichtfabriek Haarlem komt in rechte op tegen de handelsnaam als gevoerd door de Goudse Lichtfabriek op grond van haar oudere handelsnaamrechten. Zij vordert dat de Goudse Lichtfabriek het voeren van de handelsnaam Lichtfabriek in alle vormen staakt. Anders dan Lichtfabriek Haarlem beweert, oordeelt de rechter dat zij gebonden is aan de vaststellingsovereenkomst. De rechtbank komt echter tot de conclusie dat de Goudse Lichtfabriek niet is nagekomen en zij wordt geboden dit alsnog te doen. De vorderingen worden deels toegewezen.
Uitspraak ingezonden door Koen Konings,
Uitspraak ingezonden door Lisbeth Depypere en Tom Heremans,
Octrooirecht. Spoedeisend belang. Agfa is houdster van EP 327. Er is een CTP-overeenkomst tussen partijen overeengekomen, op grond waarvan beide partijen voor een bepaalde pool van octrooien zes licentieopties kunnen uitoefenen. Volgens Agfa valt EP 327 niet onder de overeenkomst. Fuji bestrijdt dit, maar zegt momenteel geen gebruik te willen maken van haar optierecht. Drukplaten worden sinds 2005 op de markt gebracht, maar tot mei 2013 heeft Agfa gewacht om Fuiji aan te spreken. Agfa begint een procedure tegen Fuji op grond van inbreuk op EP 327. De rechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang aan de zijde van Agfa bestaat nu zij niet voortvarend gehandeld heeft. De voorzieningen worden afgewezen.
Uitspraak mede ingezonden door Wouter de Jong,