IEF 22572
27 februari 2025
Uitspraak

Gedaagde maakt inbreuk op auteursrecht van het logo van zwemvereniging Blue Marlins

 
IEF 22571
27 februari 2025
Uitspraak

Geen schending BOB 'Port' door merk 'Quevedo Port'

 
IEF 22564
27 februari 2025
Uitspraak

Merkregistratie eBilet terecht geweigerd wegens beschrijvend karakter

 
IEF 11742

Juridische status van virtuele objecten in online games

F.J. van Eeckhoutte, Juridische status van virtuele objecten in online games, ITenRecht IT 865.

Eerder gepubliceerd als IT 865, een bijdrage van Filip Van Eeckhoutte, Van Eeckhoutte advocaten.

Met een auteursrechtelijke bespreking als volgt:

2.4 Virtuele objecten zijn auteursrechtelijk beschermde werken
Virtuele objecten kunnen als auteursrechtelijk beschermde werken worden beschouwd. Voorwaarde is dan wel dat die objecten een eigen oorspronkelijk karakter hebben dat het persoonlijk stempel van de maker draagt.

De beoordeling of een virtueel object auteursrechtelijke bescherming geniet, hangt af van de mate waarin de speler creatieve inbreng heeft gehad en (dus) van de mate waarin de vormgeving of de creatie door de spelmaker is gedicteerd. Ik ga ervan uit dat op Minecraft, als MMORPG op zich, auteursrecht van de spelmaker rust. Het spel Minecraft mag dus niet worden verveelvoudigd zonder de toestemming van de rechthebbende Mojang.

Dat laat evenwel onverlet dat spelers binnen het Minecraft-spel diverse werken bouwen waarop op zichzelf ook auteursrecht rust. Zo is het ook gesteld met de Minecraft server die bij mij thuis draait. Het spel draait bij mij thuis onder licentie van Mojang, maar in de worlds van die Minecraft-server maken veel tieners, al dan niet samen, de prachtigste landschappen, gebouwen en andere creaties waarvan ik met een gerust hart durf te beweren dat het auteursrechtelijk beschermde werken zijn.

Dat laat onverlet dat het bij veel van die prachtige creaties niet meer duidelijk is welke speler of groep spelers zich als maker(s) daarvan mogen beschouwen. Indien een speler zijn creaties verlaat, zonder die te claimen, vallen die in beginsel toe aan de spelbeheerder of – bij gebreke daarvan - aan de server-eigenaar. Een dergelijk cascade-effect lijkt me niet onmogelijk, aangezien we in de worlds niet van een res nullius (een zaak die aan niemand toebehoort) kunnen praten. Er is geen publiek, openbaar domein, zoals de openbare weg of stoep. Het Minecraft-spel en de webserver waarop die worlds draaien behoort iemand toe.

Volgens artikel 4 Auteurswet (Aw) wordt, behoudens tegenbewijs, voor maker gehouden diegene die op of in het werk als zodanig is aangeduid. Ontbreekt een dergelijke aanduiding van de speler, maar niet die van de spelbeheerder, dan wordt deze laatste als maker beschouwd. Dit heeft tot voordeel dat de spelbeheerder ingevolge artikel 1 Aw het auteursrecht commercieel kan exploiteren en de openbaarmaking en verveelvoudiging van dat werk aan banden kan leggen. Maar er is een keerzijde.

Het cascade-effect kan ertoe leiden dat een spelbeheerder respectievelijk server-eigenaar geacht worden maker van een werk in de world te zijn, terwijl zij zich daar niet van bewust zijn. Het zijn van maker is niet zonder risico. Immers, een maker kan door derden worden aangesproken in geval zijn virtuele object inbreuk maakt op de intellectuele rechten van die derden. Het volgende scenario is illustratief: een Minecraft-speler bouwt een architectonische Apple store na, inclusief logo’s en verlaat het spel met onbekende bestemming. Vervolgens tikken de advocaten van Apple de spelbeheerder op de schouder. Op grond van het cascade-effect zullen zij de spelbeheerder als inbreukmaker (op auteurs- en merkrechten van Apple) aanspreken, met als gevolg dat hij uit hoofde van artikel 1019h Wetboek van Rechtsvordering (WvRv) de (buitengerechtelijke) advocaatkosten mag ophoesten! Dat kan in de duizenden euro’s lopen.

Echter, zonder cascade-effect, blijft de hoedanigheid van de spelbeheerder - en sowieso ook die van de server-eigenaar – onveranderd; hij wordt niet geacht de maker te zijn. Als spelbeheerder kan hij slechts aansprakelijk worden gesteld nadat hij – zonder geldige reden - geen uitvoering geeft aan de oproep van Apple’s advocaten om een notice and take down-procedure jegens de inbreukmakende speler uit te rollen. De notice and take down-procedure mondt bijna nooit uit in een financieel debacle, want onder deze procedure is het voor de spelbeheerder of server-eigenaar gerechtvaardigd om de intellectuele eigendomsinbreuk van de (onbekende) speler eigenhandig op te heffen, bijvoorbeeld door de desbetreffende virtuele Apple Store uit de desbetreffende Minecraft-world te wissen (deleten).

Op zich hoeven (eventuele) auteursrechten van spelers op hun virtuele objecten een vlot spelverloop in MMORPG niet in de weg te staan. Het enige extra voordeel dat auteursrechten bieden ten opzichte van het vermogensrecht sui generis, is dat het virtuele object niet zonder toestemming van de speler/maker mag worden verveelvoudigd en openbaar gemaakt. Hij kan dus bijvoorbeeld verbieden dat een filmpje van zijn werk wordt gemaakt en op YouTube wordt gezet en in geval van vernietiging van het spel verlangen dat met zijn gerechtvaardigde belangen wordt rekening gehouden. Voor dat laatste kan deze speler zijn aan zijn auteursrecht gekoppelde persoonlijkheidsrechten , de in acht te nemen maatschappelijke zorgvuldigheid of misbruik van recht als hefboom gebruiken.

Mogelijkerwijs kan de spelbeheerder of server-eigenaar er (commercieel) belang bij hebben om auteursrechten op de werken in zijn worlds zelf uit te oefenen (bijvoorbeeld voor marketingactiviteiten). Voor overdracht van auteursrechten is een daartoe bestemde papieren akte vereist (artikel 2 Aw). Het verkrijgen van een dergelijke (liefst notariële) akte is echter voor MMORPG’s een groot obstakel. Het is veel praktischer om van de spelers een exclusieve, in tijd en ruimte onbeperkte auteursrechtlicentie te vragen, hetgeen vrij eenvoudig via de spelvoorwaarden kan worden geregeld.

Aan auteursrechten zijn persoonlijkheidsrechten gekoppeld (artikel 25 Aw). Persoonlijkheidsrechten beschermen vooral de ideële belangen van de maker. Die houden onder andere in dat de maker bezwaar kan maken als anderen zijn werk misvormen, verminken of anderszins aantasten, mits dat ook nadeel kan toebrengen aan zijn eer of naam.

Persoonlijkheidsrechten zijn niet overdraagbaar. Zelfs al is een auteurslicentie afgegeven, kan de maker klagen dat zijn werk is aangetast. Maar de vraag is of dat het spel bederft, aangezien een speler zich slechts met succes ingevolge art 25 Aw tegen aantasting van zijn werk kan verzetten als daarbij nadeel is toegebracht aan zijn eer of naam. De spelbeheerder kan dit m.i. geringe aansprakelijkheidsrisico verder indammen door in de spelvoorwaarden te bepalen dat persoonlijkheidsrechten binnen een bepaalde termijn na ontdekking van de aantasting moeten worden uitgeoefend, bij gebreke waarvan die rechten zullen zijn verwerkt.

IEF 11741

Fashion & IE-rechten - laatste stoelen

CC-BY-SA Looking Glass via Flickr

Amsterdam Fashion Institute – filmzaal 210, donderdag 13 september 15.00 tot 18.15uur

Op de scheidslijn van Intellectuele Eigendomsrechten en de wereld van Fashion organiseert uitgeverij deLex, uitgever van onder meer IE-Forum.nl, een interessante themamiddag. Een vijftal sprekers brengen u op de hoogte van actuele onderwerpen en ontwikkelingen in het recht dat invloed heeft op de mode-industrie. Het evenement zal geheel in stijl plaatsvinden in het Amsterdam Fashion Institute te Amsterdam. Aansluitend heeft u de gelegenheid na te borrelen.

Hier aanmelden

Thema’s die onder meer aan bod komen zijn:

Innovatie in mode, wat kan worden beschermd Bespreking van het onderdeel rondom de High Fashion en innovatierechten. Auteursrecht en de plicht om binnen een jaar modellen te deponeren, op straffe van verval recht op depot in verband met de nieuwheidseis: Hoe doe je dat als je vier seizoenen vooruit ontwerpt? - Thera Adam-van Straaten, Kneppelhout & Korthals.

Inspiratie, imitatie: waar ligt de grens? Met veel praktijkvoorbeelden en recente rechtspraak zal worden aangegeven wat mag worden gevolgd en wat over de schreef gaat. Inspiratie, imitatie: waar ligt de grens? Wat adviseer je als advocaat? – Margot Span, Köster advocaten.

Strategie: schikken, procederen of persbericht? Met welke afspraken schiet je het meeste op: schikken of procederen, boetebeding of persbericht? En wat zijn de procedurele mogelijkheden? – Charissa Koster, ABC Legal.

Afspraken met derden: Afspraken met je leverancier, fabrikant – algemene voorwaarden of meer? Schitterende problematiek speelt hier, zeker bij lingerie, die op standaard cups wordt 'geschoeid'. Vermenging knowhow van fabrikant, stoffenleverancier en garment technicians van ontwerpers. Capsule-collecties en tijdelijke samenwerkingen met grote retailketens – Laurens Abbink Spaink, interim bedrijfsjurist en advocaat

De juridische aspecten van reclame en marketing via sociale media: Het vereiste van transparantie, het verbod op anonimiteit van de adverteerder, wie verantwoordelijk kan worden gehouden voor reclame via sociale media. Ook komen het viral effect van social media campagnes en valkuilen voor de adverteerder aan bod.- Marieke Neervoort, SOLV.

Locatie
Amsterdam Fashion Institute
Mauritskade 11, Amsterdam
Reissuggestie: openbaar vervoer naar Weesperplein
Klik hier voor een routebeschrijving, betaald parkeren rondom het AMFI-gebouw is mogelijk, maar vermoedelijk lastig.

Kosten deelname
€ 325 Per persoon,
€ 285 Sponsors IE-Forum betalen, en
€ 95 Rechterlijke macht/wetenschappelijk personeel (full time)
genoemde prijzen zijn excl. BTW, eventuele kortingen worden handmatig verwerkt op de factuur



Hier aanmelden

IEF 11740

Toegang tot en bewaring van wetenschappelijke informatie: belangrijkste maatregelen

Mededeling van de Commissie aan het EP, de Raad, EESC en het Comité van de Regio's, Naar een betere toegang tot wetenschappelijke informatie: Vergroting van de voordelen van overheidsinvesteringen in onderzoek, COM(2012) 401 final.

Modern onderzoek bouwt voort op een uitgebreide wetenschappelijke dialoog en doorbraken door het verbeteren van vroegere onderzoekwerkzaamheden. Een volledigere en bredere toegang tot wetenschappelijke publicaties en gegevens zal daarom helpen om:
– de innovatie te versnellen (sneller op de markt = snellere groei);
– de samenwerking te bevorderen en dubbel werk te vermijden (grotere efficiency);
– voort te bouwen op vorige onderzoekresultaten (betere kwaliteit van de resultaten);
– burgers en de samenleving bij het onderzoek te betrekken (grotere transparantie van het wetenschappelijke proces);

(...) De Commissie moedigt de auteurs aan hun auteursrecht te behouden en licenties aan uitgevers te verlenen overeenkomstig de in de lidstaten geldende voorschriften.

(...) In deze mededeling geeft de Commissie maatregelen aan om ervoor te zorgen dat de resultaten van door de overheid gefinancierd onderzoek in Europa volledig toegankelijk zijn voor onderzoekers, bedrijven en burgers. Sommige van deze maatregelen moeten door de lidstaten worden geïmplementeerd, terwijl andere door de Commissie zullen worden
uitgevoerd.

 

 

Toegang tot en bewaring van wetenschappelijke informatie: belangrijkste maatregelen

Beleidsmaatregelen
– Aanbeveling aan de lidstaten betreffende de toegang tot en de bewaring van wetenschappelijke informatie, 2012.
– Samenwerking met de door de lidstaten aangewezen nationale referentiepunten voor de opstelling van gemeenschappelijke beginselen en normen, vanaf 2013.
– Samenwerking met de nationale referentiepunten voor de structurering en de monitoring van de vooruitgang op het gebied van toegang en verspreiding, vanaf 2013.

Open toegang tot de resultaten van door de EU gefinancierd onderzoek
– Vaststelling van open toegang tot wetenschappelijke publicaties als algemeen beginsel in het programma Horizon 2020 en opstelling van de voorwaarden voor de optimale toepassing daarvan, vanaf 2014.
– Behoud van de mogelijkheid tot terugbetaling van de vergoedingen voor open access publishing als onderdeel van het programma Horizon 2020, vanaf 2014.
– Verstrekking van een kader en aanmoediging van open toegang tot onderzoekgegevens in Horizon 2020, rekening houdend met de beperkingen die nodig kunnen zijn om het intellectuele eigendom of rechtmatige handelsbelangen te
beschermen, vanaf 2014.

Financiering van infrastructuur en projecten
– Voortzetting van de financiering van relevante projecten in Horizon 2020, vanaf 2014.
– Verstrekking van 45 miljoen euro voor infrastructuur ter ondersteuning van de open toegang tot onderzoekartikelen en -gegevens en voor onderzoek naar digitale bewaring, 2012-2013.

Coördinatie buiten de EU
– Bevordering van een open-toegangbeleid en de interoperabiliteit van de gegevensinfrastructuur met internationale partners.

Streefdoelen:
– Uiterlijk 2014 is in alle lidstaten op alle relevante niveaus een beleid voor open toegang tot wetenschappelijke artikelen en gegevens vastgesteld.
– Uiterlijk 2016 is het aandeel van de door de overheid gefinancierde wetenschappelijke artikelen waartoe in de hele EU open toegang bestaat, verhoogd van 20 % tot 60 %.
– Voor 100 % van de uit Horizon 2020 voortvloeiende wetenschappelijke publicaties bestaat open toegang.

IEF 11739

Draft opinion re-use public sector information

DRAFT OPINION on the proposal for a directive of the European Parliament and of the Council amending Directive 2003/98/EC on re-use of public sector information (COM(2011)0877 – C7-0502/2011 – 2011/0430(COD)).

The proposal for a directive is part of the Digital Agenda for Europe. Public sector information can be used in the development of new digital products and services and is a vast source of growth potential that has not been sufficiently exploited by Member States. The rapporteur welcomes the timeliness of the Commission proposal, given that the Internet is no longer seen as a source of information and knowledge, but by many as a source of data. 

As regards the content of the proposal, the rapporteur wishes to draw attention to the following points:

1. Scope of the directive
2. Definitions
3. Charges
4. Independent authority responsible for supervising the re-use of public sector information.

1. Scope of the directive
Documents which are not accessible due to personal data protection reasons should be excluded from the scope of the directive.

2. Definitions
In order to facilitate its re-use, public sector information should be made available in technology-neutral and machine-readable formats. Efforts should be made to ensure that, as far as possible, specific technology is not needed to process the documents.

3. Charges
The issue of charges is key to the success of the re-use of public sector information. If the charges are set too high, the development of new digital products and services will be costprohibitive for businesses, particularly start-ups and SMEs.  However, some public sector bodies derive part of their revenue from the exploitation of their intellectual property rights.

The rapporteur is aware that a balance needs to be struck between these two objectives - increasing the re-use of public information, on the one hand, and financing the public service tasks of certain bodies, on the other hand.  The rapporteur proposes maintaining the possibility for certain public bodies and libraries, museums and archives to charge amounts that exceed the marginal costs involved in reproducing information and making it available, on the basis of objective, transparent and verifiable criteria and subject to the approval of the national authority competent to supervise the re-use of public sector information.  

4. Independent authority responsible for supervising the re-use of public sector information.
Lastly, the rapporteur takes the view that a new administrative authority does not need to be created to supervise the re-use of public sector information. Member States can designate an existing authority to successfully carry out this role

IEF 11738

EU-verordening regelt bewijsverkrijging niet uitputtend

HvJ EU 6 september 2012, zaak C-170/11 (Lippens c.s. tegen Kortekaas c.s.)

BrainJuicer (Europe Map)Prejudiciële vraag gesteld door de Hoge Raad der Nederlanden.

Als randvermelding. Bewijsverkrijging. EU-Bewijsverordening 1206/2001. Oproepen voor getuigenverhoor conform het recht van de lidstaat van het bevoegde gerecht.

Ten slotte is voor de uitlegging dat verordening nr. 1206/2001 de grensoverschrijdende bewijsverkrijging niet uitputtend regelt maar die bewijsverkrijging uitsluitend bedoelt te vergemakkelijken, waardoor gebruikmaking van andere instrumenten die hetzelfde doel hebben mogelijk wordt, steun te vinden in artikel 21, lid 2, van verordening nr. 1206/2001, dat uitdrukkelijk overeenkomsten of regelingen tussen de lidstaten om de bewijsverkrijging nog meer te vergemakkelijken toestaat, mits die overeenkomsten of regelingen met deze verordening verenigbaar zijn.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, en met name artikel 1, lid 1, daarvan, moet in die zin worden uitgelegd dat het bevoegde gerecht van een lidstaat dat een in een andere lidstaat woonachtige partij als getuige wenst te horen, teneinde dat verhoor te verrichten deze partij mag oproepen voor hem te verschijnen en haar mag horen overeenkomstig het recht van de lidstaat van dat gerecht.

Exact geformuleerde vraag:

Moet de EG-Bewijsverordening1, in het bijzonder art. 1, lid 1, daarvan, aldus worden uitgelegd dat de rechter die een in een andere lidstaat woonachtige getuige wenst te horen, voor deze vorm van bewijsverkrijging steeds gebruik moet maken van de door de EG-Bewijsverordening in het leven geroepen methoden, of is hij bevoegd gebruik te maken van de methoden voorzien in zijn eigen nationale procesrecht zoals oproeping van de getuige voor hem te verschijnen?

In de procedure van HR 1 april 2011, LJN BP3048.

Op andere blogs:
Cassatieblog (EU-Bewijsverordening is geen uitputtende regeling voor grensoverschrijdende bewijsverkrijging)

IEF 11737

Kroes: Copyright reform is the right way to support that sector

Neelie Kroes Vice-President of the European Commission responsible for the Digital Agenda Copyright and innovation in the Creative Industries The 2012 Intellectual Property and Innovation Summit, The Lisbon Council Brussels, 10 September 2012.

Neelie Kroes

Uit haar toespraak: I'm glad to see that change is finally coming for copyright, at many different levels. Internationally, the World Intellectual Property Organisation is looking into a range of new copyright exceptions and limitations. Nationally, an increasing number of Member States are recognising the need for reforms, and testing new ideas in this field. But we need a common European solution, to avoid fragmentation and to seize benefits for a European Digital Single Market.

Now I am glad the EU is playing its part too, so that our single market, our crown jewel, delivers for the creative sector. We have started a process to asses whether further changes are necessary. For this, Michel Barnier is looking at whether and how the 2001 Copyright Directive needs to be adapted. I fully back his commitment to do that, set out in the Commission's IPR Strategy of last year.

During this process of assessment we should leave passion aside and take a pragmatic view. Is our current system consistent and relevant within the real world?

I am open to ideas from all stakeholders: artists, consumers, businesses, researchers. Only together we can adapt ourselves to the future, and stimulate innovation and growth.

The world is changing fast. Let's not wait for ever faster technology to be ever more constrained by over more outdated legislation. Let's not wait for the USA to speed ahead of Europe. Let's act right now: for artists, consumers, for our economy.

IEF 11736

Reactie Buma/Stemra op het voorstel voor de Richtlijn Collectief Beheer

M. de Vries en A. Kroeze, Reactie Buma/Stemra op het voorstel voor de Richtlijn Collectief Beheer, IE-Forum, IEF 11736.

Een bijdrage van Michael de Vries en Anja Kroeze, Buma/Stemra.

Uit de conclusie: Met de Europese Commissie onderschrijft Buma/Stemra dat auteursrechten van significant belang zijn voor de economie en de muziekcultuur. Dat Europese regels worden gesteld aangaande bestuur, transparantie en financieel beheer om dat belang te beschermen en een ‘level playing field’ te creëren in Europa is goed voor rechthebbenden en consumenten.

Ten aanzien van de consumenten wordt opgemerkt dat voor wat betreft het legale online aanbod al grote stappen zijn gezet. Ter illustratie wordt aangegeven dat door SEO Economische Onderzoek (hierna: ‘SEO’) het volgende wordt geconcludeerd: “Tot slot dient te worden opgemerkt dat de digitale markten zeer dynamisch zijn. Dit blijkt onder meer uit de progressie van de muzieksector, waar veel knelpunten die enkele jaren geleden nog actueel waren, inmiddels zijn overwonnen” .

Buma/Stemra wijst er op dat er aan de nieuwe richtlijn ook mogelijke risico’s kleven. De volgende risico’s worden gesignaleerd:

1). De mogelijkheden welke worden geboden aan CBO’s om hun repertoire op niet exclusieve basis onder te brengen bij hubs in combinatie met de grote mogelijkheden voor beheer van rechthebbenden kan leiden tot een situatie van versnippering van repertoire. Daarnaast bestaat de verwachting dat de majors waarschijnlijk hun MR online rechten zelf zullen blijven beheren en deze dus niet centraal zullen laten beheren door een hub. Hierdoor bestaat het risico dat rechtenbeheer in de praktijk administratief behoorlijk ingewikkeld wordt.

 

2). Zoals hiervoor gesteld krijgen hubs onder de richtlijn de mogelijkheid om multi territoriale licenties te verstrekken aan DSP’s voor online muziekaanbod. Wanneer deze hubs tevens het repertoire beheren van de kleine CBO’s, dan kan de situatie ontstaan dat online tarieven voor gebruikers in Nederland in grote mate beïnvloed worden door deze hubs.

3) In het bijzonder wordt voor de Nederlandse CBO’s opgemerkt dat ervoor moet worden gewaakt dat met het voorstel Wet Toezicht en de daarmee samenhangende te verwachten AMvB’s, de regeldruk op Nederlandse CBO’s niet zo hoog wordt dat de concurrentiepositie van Nederlandse CBO’s ongelijk is aan die van de buitenlandse CBO’s. De richtlijn bevat minimum harmonisatie en de het wetsontwerp Toezicht Collectief Beheer is op een aantal vlakken strenger.

Buma/Stemra vindt het belangrijk dat de waarborgen die de Europese Commissie voorstelt in de richtlijn blijven staan. Deze waarborgen zijn namelijk belangrijk ter bescherming van de culturele diversiteit en de “kleinere” CBO’s en nationale rechthebbenden.

Lees de gehele bijdrage hier.

IEF 11735

Een loutere fantasienaam

Hof van beroep Antwerpen 23 april 2012, rolnr. 2010/AR/3384 (NV Jongform tegen NV Top interieur R.E.N.O., NV Top Mart en curator)

Uitspraak ingezonden door André D'Halluin en Emanuel D'Halluin, D'HALLUIN, LATTREZ & VAN REMOORTEL.

Auteursrecht. Werkgeversauteursrecht. Niet-geregistreerd modellenrecht. Verhouding BTMW (oud), BVIE en Elektrolux/Sofam. Meubels. Belgisch ontwerper en fabrikant van designmeubelair heeft middels één van haar afnemers vernomen dat slaafse kopieën van de modellen Metro, Senza, Solar, Calibra en Detroit veel goedkoper worden aangeboden.

Punt van betwisting: Over de vraag wie titularis is van de desbetreffende auteursrechten. De artikelen 3.8.1 BVIE en 3.29 bepalen het werkgeversauteursrecht. Omdat de merken van appellante in de naad van de hoekzetels zijn vermeld wordt zij vermoed titularis te zijn (art. 6 lid 2 Belgische Aw). Dat de volgens de technische beschrijving de modellen zijn ontworpen door "Ellen Robbens", zou het tegendeel niet bewijzen nu deze naam een loutere fantasienaam is voor een niet-bestaande persoon. De betwisting omtrent het feit of Ellen Robbens al dan niet bestaat is niet relevant (4.2.2.2).

4.2.2.3 (...) Het door appellante aangehaalde arrest [red. Elektrolux/Sofam, IEF 4331] stelt uitdrukkelijk
"uit de voorschriften in onderling verband beschouwd, volgt dat artikel 6, lid 2 van de BTMW dat onder de daar omschreven omstandigheden een ander als ontwerper aanwijst dan degene door wiens inspanningen het model of tekening tot stand is gekomen, mede betrekking moet hebben op niet-gedeponeerde modellen of tekeningen" (...)

4.2.2.3. Het gevolg van dit alles is dat de auteursrechten op modellen, zelfs niet-gedeponeerd, volgen de regeling van specifieke wetgeving inzake tekeningen en modellen (lex specialis): in principe overdracht van de rechten aan de werkgever (behoudens andersluidend beding).

Het hof volgt de appellante dat een algemene modetrend niet volstaat om elke originaliteit aan hoekzetels te ontzeggen en dat een nieuwe combinatie van verschillende bekende elementen, oorspronkelijk kan zijn. Er is geen reden om aan de vormgeving, waarvan geen gedateerde studies voorliggen, auteursrechtelijke bescherming toe te kennen wegens het ontbreken van een voldoende oorspronkelijkheidsniveau.

Het hof ontvangt het hoger beroep en de incidentele beroepen doch verklaart ze ongegrond, bevestigt het bestreden vonnis, zij het om andere redenen en veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, vastgesteld voor eerste en tweede geïntimeerde op ieder afzonderlijk voor een bedrag van €11.000,-.

IEF 11734

Lid van een vereniging van vertegenwoordigers

Decision of the Legal Board of Appeal 5 oktober 2011, J 8/10 (N.N.)

Zoals de "rules on the filing of authorisations" zeggen, kan een juridische beroepsbeoefenaar niet hetzelfde worden behandeld als een lid van een vereniging van vertegenwoordigers in de zin van Rule 152 (11) EPC.

"(11) The authorisation of an association of representatives shall be deemed to be an authorisation of any representative who can provide evidence that he practises within that association."

The contested decision relates to registration of an association of representatives under Rule 152(11) EPC. The appellant is a legal practitioner authorised to practise in Germany. On 25 September 2008, he and 11 professional representatives (European patent attorneys) applied for registration as an association. The EPO's Legal Division duly registered the 11 professional representatives as association No. xxx, but by letter of 21 November 2008 said the appellant could not be registered as a member; only professional representatives could form associations. The appellant then requested an appealable decision.

 

IV. In that statement it was argued in particular that the wording and rationale of Rule 152(11) EPC did not justify treating legal practitioners differently from professional representatives. The rule referred to "representatives", not "professional representatives"

12. The appellant has acknowledged that acceding to his wish that legal practitioners be included in associations under Rule 152(11) EPC would conflict with the existing rules on the filing of authorisations. But he maintains that the President's decision (see point 2.2 above) is a purely administrative provision which has to be weighed against Article 134(8) and Rule 152(11) EPC, and that the decision on the filing of authorisations is certainly not higherranking law than the Council's interpretation decision and the "Communication on matters concerning representation before the EPO" (OJ EPO 1979, 92, see point 2.5 above). The board cannot agree. For the reasons given above (points 2.3 and 2.8), it is bound by the decision on the filing of authorisations taken under Rule 152(1) EPC.

13. In his statement of grounds of appeal, the appellant pointed out that paragraph 11 and the other provisions of Rule 152 EPC referred merely to "representatives", drawing no distinction between professional representatives and legal practitioners. For the board, the term "representatives" requires interpretation. The decision on the filing of authorisations, based on Rule 152(1) EPC, does draw that distinction (see point 2.2 above), which also affects other provisions of Rule 152 EPC. For example, the "required authorisation" mentioned in Rule 152(6) EPC refers implicitly to the decision on the filing of authorisations; as a result, the legal consequences of Rule 152(6) EPC occur under differing conditions for the two professional groups. Similarly with Rule 152(11) EPC: as the law stands and taking Rule 152 EPC in its overall context, the two groups are again treated differently (see point 11 above).

14. How authoritative the Legal Division still considers the interpretation decision on Rule 101(9) EPC 1973 (now Rule 152 (11) EPC) to be can remain moot. But the board would point out that in practice the EPO some time ago stopped applying the third criterion laid down in its communication interpreting the Council's decision, i.e. that only professional representatives can act in business matters in the name of the association (see point VI above, confirmed in J 16/96, Reasons 4.3). For example, persons who are neither professional representatives nor legal practitioners are to be found acting in the name of the association to which the appellant wishes to belong. In this respect, the EPO's procedure for registering associations is no longer as described in the "Communication on matters concerning representation before the EPO" (OJ EPO 1979, 92, see point 2.7 above).

IEF 11732

Toegestaan gebruik van het EU-logo door derden

In de administratieve overeenkomst met de Raad van Europa inzake het gebruik van het EU-logo door derden (2012/C 271/04) wordt het toegestaan het EU-logo te gebruiken, zoals bijvoorbeeld IE-Forum.nl deze nu gebruikt, voor een serie links naar de HvJ EU-overzichten van de verschillende (deel)praktijkgebieden op dit platform. Voor de registratie van het logo of een imitatie daarvan als handelsmerk of ander intellectueel eigendomsrecht is geen toestemming en houden de Europese Commissie en de Raad van Europa toezicht op aanvragen tot registratie van (delen van) het EU-logo.

2. Gebruiksvoorwaarden
Het gebruik van het EU-logo en/of delen daarvan is toegestaan voor niet-commercieel en commercieel
gebruik, tenzij:

a) door dat gebruik ten onrechte de indruk wordt gewekt of wordt verondersteld dat er een verband bestaat tussen de gebruiker en een van de instellingen, organen of instanties van de Europese Unie of de Raad van Europa;
b) door dat gebruik het publiek ten onrechte zou kunnen denken dat de gebruiker wordt gesteund of gesponsord door of de goedkeuring of instemming heeft gekregen van een van de instellingen, organen of instanties van de Europese Unie of de Raad van Europa;
c) dat gebruik gepaard gaat met een doelstelling of activiteit die onverenigbaar is met de doelstellingen en beginselen van de Europese Unie of de Raad van Europa of die anderszins onwettig is.

3. Handelsmerk en daarmee verband houdende kwesties
Het gebruik van het EU-logo overeenkomstig de hiervoor beschreven voorwaarden houdt geen toestemming in om het logo of een imitatie daarvan te registreren als een handelsmerk of een ander intellectuele-eigen­domsrecht. De Europese Commissie en de Raad van Europa blijven toezicht houden op aanvragen tot  registratie van het EU-logo of delen daarvan als (onderdeel van) intellectuele-eigendomsrechten, overeen­komstig de geldende wettelijke bepalingen.

4. Wettelijke verantwoordelijkheid
Het gebruik van het EU-logo of delen daarvan geschiedt op eigen wettelijke verantwoordelijkheid. De gebruiker is aansprakelijk voor eventueel misbruik en eventuele schade als gevolg van dat gebruik, over­eenkomstig de wetten van de lidstaten of een derde land.

5. Recht op vervolging van misbruik
De Commissie behoudt zich het recht voor om op eigen initiatief of op verzoek van de Raad van Europa inzake
— gebruik dat niet voldoet aan de hier beschreven voorwaarden of
— gebruik dat de Commissie of de Raad van Europa schadelijk achten, een vordering in te stellen bij de rechtbank van een lidstaat of een derde land.