DOSSIERS
Alle dossiers

Onrechtmatige publicaties  

IEF 14986

Rectificatie FNV-uitlating over urenregistratie en misbruik 15-jarigen

Rechtbank Midden-Nederland 29 april 2015, IEF 14986; ECLI:NL:RBMNE:2015:2912 (Supermarkt tegen FNV)
Onrechtmatige publicatie. FNV heeft uitlatingen onder andere in verband met urenregistratie en misbruik van 15-jarigen bij supermarkt onvoldoende hard kunnen maken. Enig direct bewijs waaruit blijkt dat tijdens verschillende bijeenkomsten met het personeel is medegedeeld dat 15-jarigen zware werkzaamheden moeten uitvoeren, die wettelijk niet mogen, is niet overgelegd. Verbod verdere openbaarmaking. Daarbij weegt mee dat FNV suggestieve, strafrechtelijke getinte bewoordingen heeft gebruikt, zoals “misbruikt”, “sjoemelt” en “steelt”. Toewijzing rectificatie.

4.6. Nu de uitlatingen over de vermeende misstanden met betrekking tot de urenregistratie en de tewerkstelling van 15-jarigen een substantieel onderdeel vormen van het persbericht, acht de voorzieningenrechter de publicatie van het persbericht onrechtmatig jegens [eiser]. Daarbij weegt mee dat FNV suggestieve, strafrechtelijke getinte bewoordingen heeft gebruikt, zoals “misbruikt”, “sjoemelt” en “steelt”. Daardoor wordt [eiser] in een kwaad daglicht gesteld, hetgeen voorshands niet door de feiten wordt ondersteund of anderszins wordt gerechtvaardigd. Deze bewoordingen tasten de eer en goede naam van [eiser] aan. Dit geldt temeer nu het publiek aan uitlatingen van FNV extra waarde toekent vanwege haar maatschappelijke status. Voorts weegt mee dat niet is gebleken dat FNV afdoende onderzoek naar de vermeende misstanden heeft gedaan of laten doen, alvorens tot publicatie van de aantijgingen over te gaan. Zij heeft zich blijkens haar stellingen met name gebaseerd op mededelingen van personeelsleden. Nu [eiser] de aantijgingen steeds heeft weersproken, had het op de weg van FNV gelegen om de juistheid van de door haar verkregen informatie zorgvuldig te verifiëren en, voor zover zij dat heeft gedaan, de resultaten daarvan concreet en onderbouwd met stukken – nogmaals: waarover FNV stelt te beschikken – in het onderhavige geding naar voren te brengen. Dat heeft zij niet gedaan. In het licht van voornoemde omstandigheden valt de belangenafweging in het voordeel van [eiser] uit.

4.9. De voorzieningenrechter acht een vorm van rectificatie op zijn plaats als effectief middel ter beperking van de schade. De veroordeling tot het (doen) plaatsen van de onder III primair gevorderde rectificatie zal evenwel worden afgewezen, nu de door [eiser] geformuleerde inhoud daarvan te ver voert. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt aan de wederzijdse belangen in voldoende mate recht gedaan, indien FNV verplicht wordt een rectificatie te (doen) plaatsen met daarin een mededeling waaruit blijkt dat zij door de publicatie van het persbericht onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, een en ander op de wijze als in het dictum is verwoord. De onder III subsidiair gevorderde rectificatie zal dan ook worden toegewezen in de vorm als in de beslissing is vermeld. Daarbij zal de termijn op vierentwintig uur na betekening van dit vonnis worden bepaald. Nu niet is gesteld of gebleken dat het persbericht op de homepage van de website www.fnv.nl en op de eerste pagina van de Nieuwsbrief FNV Noord was geplaatst, zal de voorzieningenrechter bepalen dat de rectificatie dient te worden gepubliceerd op een plaats en een wijze die overeenkomt met die van het oorspronkelijke bericht. Indien een link naar het persbericht destijds op de homepage van www.fnv.nl heeft gestaan, dient FNV gedurende de publicatie van de rectificatie een link daarnaar op die homepage te plaatsen in eenzelfde opmaak, lettertype en lettergrootte als de link destijds, met dezelfde tekst van de link van destijds, voorafgegaan door “rectificatie:”. Nu niet is gesteld of gebleken dat FNV het persbericht op andere wijze in de media heeft gepubliceerd dan op haar website, op haar Facebookpagina en via de Nieuwsbrief FNV Noord, zal de voorzieningenrechter de veroordeling tot rectificatie tot die plaatsen beperken. Vanwege het feit dat het persbericht nog altijd op de website en de Facebookpagina van FNV te raadplegen is, acht de voorzieningenrechter een termijn van dertig dagen voor het geplaatst houden van de rectificatie op die sites niet onredelijk.
IEF 14952

Rectificatie verkrachtingsherinneringen afgewezen

Vzr. Rechtbank Den Haag 19 mei 2015, IEF 14952; ECLI:NL:RBDHA:2015:5691 (Rectificatie herinnering verkrachting)
Onrechtmatige publicatie. Tijdens een bespreking bij gedaagden thuis heeft dochter, een door haar geschreven brief voorgelezen waarin de aanwezige eiser vermeend verkrachter is. Eiser vordert (1) een rectificerende concepttekst ter goedkeuring voor te leggen, waarin in ieder geval vermeld wordt waar de verdenking vandaan komt en dat het slechts om herinneringen gaat die middels reïncarnatietherapie naar boven zijn gekomen en niet om vaststaande feiten; (2) deze te verzenden naar een ieder die zij over de vermeende verkrachting van dochter hebben benaderd en/of geïnformeerd en (3) excuses aan te bieden. Dat het verhaal de ronde doet in de woonplaats is mogelijk mede het gevolg van de omstandigheid dat partijen samenleven in een hechte dorpsgemeenschap, waar men elkaar kent en verhalen aan elkaar doorvertelt. Dit kan echter niet zonder meer aan gedaagden worden toegerekend. Vorderingen worden afgewezen.

3.4. Nog daargelaten de vraag of de mededelingen door gedaagden aan derden kunnen worden aangemerkt als een onjuiste publicatie van gegevens van feitelijke aard, ter zake waarvan op de voet van artikel 6:167 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een veroordeling tot het openbaar maken van een rectificatie kan worden uitgesproken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat gedaagden door het doen van die mededelingen jegens eiser aansprakelijk zijn in de zin van dit wetsartikel. Gedaagden hebben aangevoerd dat zij aan een aantal familieleden hebben meegedeeld dat zij geen contact meer willen met eiser, dat zij daarvoor als reden hebben gegeven dat [dochter] hun heeft verteld dat zij op zevenjarige leeftijd door eiser is verkracht, dat zij confrontaties met eiser, bijvoorbeeld op verjaardagen, wensen te voorkomen en voorts dat zij daarbij hebben meegedeeld dat eiser niet wenst mee te werken aan een onderzoek om de waarheid te achterhalen. Dat [dochter] aan eiser en gedaagden heeft verteld dat zij door eiser is verkracht en dat eiser niet heeft meegewerkt aan het door gedaagden voorgestelde onderzoek is tussen partijen niet in geschil, terwijl het gedaagden vrij staat ervoor te kiezen het contact met eiser te willen verbreken. Derhalve valt niet in te zien dat gedaagden zich, door hierover mededelingen te doen, schuldig hebben gemaakt aan het doen van onjuiste mededelingen aan derden, noch dat zij anderszins onrechtmatig jegens eiser hebben gehandeld. Tegen deze achtergrond is – anders dan eiser heeft betoogd – niet gebleken dat gedaagden aan derden hebben verteld dat eiser hun dochter heeft verkracht, maar is slechts aannemelijk geworden dat gedaagden hebben verteld wat zij van hun dochter hebben gehoord. Dat het verhaal dat [dochter] door eiser is verkracht wel de ronde doet in [woonplaats] en dat familieleden en kennissen eiser als gevolg daarvan mijden, is mogelijk mede het gevolg van de omstandigheid dat partijen samenleven in een hechte dorpsgemeenschap, waar men elkaar kent en verhalen aan elkaar doorvertelt. Dit een en ander kan echter niet zonder meer aan gedaagden worden toegerekend. De grote hoeveelheid verklaringen van familieleden die eiser heeft overgelegd, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien in het kader van een kort geding niet kan worden vastgesteld in hoeverre deze verklaringen authentiek en betrouwbaar zijn. Voor het openbaar maken van een rectificatie of voor het aanbieden van excuses door gedaagden, nog daargelaten de vraag of dit laatste in rechte kan worden afgedwongen, bestaat dan ook geen aanleiding. Dit geldt te meer nu gedaagden ter zitting uitdrukkelijk hebben toegezegd dat zij geen verdere mededelingen over eiser aan derden zullen doen. De vorderingen worden daarom afgewezen. Hetgeen partijen overigens nog hebben gesteld en aangevoerd, bijvoorbeeld met betrekking tot de status van de door [dochter] gevolgde therapie, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.
IEF 14942

Verwijdering van het verhaal van kind door Stichting

Vzr. Rechtbank Midden-Nederland 26 september 2014, IEF 14942; ECLI:NL:RBMNE:2014:7489 (eiser tegen stichting)
Onrechtmatige publicatie. Op een website van de Stichting [minderjarige] wordt het verhaal verteld van een minderjarige middels een logboek en oproep tot het ondertekenen van een petitie. Het in de context van mishandeling en seksueel misbruik plaatsen van teksten, afbeeldingen en tekeningen van de hand van het kind vormt een grove inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Vader (pro se en als vertegenwoordiger van minderjarige) vordert met succes de veroordeling van gedaagden om, binnen tien dagen na betekening van dit vonnis, zorg te dragen voor de verwijdering van een website van tekstmateriaal en al het foto-, video- en overig beeldmateriaal (tekeningen) waarin de naam van persoon voorkomt en/of waarmee direct dan wel indirect verwezen wordt naar de persoon.

4.14. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de wijze waarop de Stichting zich heeft uitgelaten onnodig grievend jegens zowel het kind als [eiser]. Het in de context van mishandeling en seksueel misbruik plaatsen van teksten, afbeeldingen en tekeningen van de hand van het kind vormt een grove inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. Daarnaast is het de Stichting te verwijten dat zij haar ‘feiten’ onvolledig en daardoor onzorgvuldig presenteert. De Stichting plaatst haar welgevallige citaten uit rapporten, zonder dat de lezer deze in de juiste context kan plaatsen. De lezer wordt hierdoor eenzijdig en onvolledig geïnformeerd.

4.15. De stelling dat het verhaal van dit kind al “op straat zou liggen” en dus al publiekelijk bekend zou zijn, is niet te volgen. In het anonimiseringsproces van één rechterlijke uitspraak is op detail iets fout gegaan, waardoor de naam van het kind op één plek in de uitspraak is blijven staan. Na constatering van deze omissie, is de fout rechtgezet en is de naam van het kind volledig uit de uitspraak verdwenen. Voor zover in de media over het verhaal van dit kind is bericht, is dat gedaan met gefingeerde namen. Dat de casus van dit kind hierdoor al publiekelijk bekend zou zijn is onwaarschijnlijk, door [eiser] betwist en door de Stichting niet onderbouwd. Dat de Raad voor de Kinderbescherming deze casus zou willen gebruiken voor de opleiding van zijn medewerkers betekent niet dat de bij deze casus betrokken personen met naam en toenaam zullen worden genoemd.

4.16. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Stichting onrechtmatig handelt jegens zowel het kind als [eiser], door het kind en [eiser] publiekelijk in verband te brengen met mishandeling en/of seksueel misbruik in familiale context.

4.17. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de bestuurders van de Stichting daarbij een persoonlijk verwijt valt te maken. Zij zijn degenen die de teksten en afbeeldingen van het kind op internet hebben geplaatst. Juist ook vanwege de persoonlijke betrokkenheid van verschillende (zo niet alle) bestuursleden, hadden zij zich het belang van vooral het kind aan moeten trekken en daarnaar moeten handelen. De bestuursleden hebben ongenuanceerde en ongefundeerde uitlatingen op het internet geplaatst of laten plaatsen die een willekeurige lezer doen aannemen dat het kind is mishandeld en/of seksueel misbruikt door zijn vader. Zij hadden zich de ernst van de uitlatingen over de mishandeling en/of het seksueel misbruik van het kind door zijn vader in samenhang met het gebrek aan objectieve ondersteuning voor de inhoud van die uitlatingen moeten realiseren en daaraan de consequentie moeten verbinden om zich te onthouden van de uitlatingen in de vorm waarin die op het internet zijn verschenen. Op grond hiervan acht de voorzieningenrechter de vorderingen, voor zover toewijsbaar, ook jegens de individuele bestuursleden toewijsbaar.
IEF 14872

Namen bankmedewerkers uit boek De Verpanding

Vzr. Rechtbank Den Haag 10 april 2015, IEF 14872; ECLI:NL:RBDHA:2015:4096 (Rabobank tegen Stichting Restschuld Eerlijk Delen)
Mediarecht. Onrechtmatige publicatie. Het vermelden van de namen van bankmedewerkers in het boek "De Verpanding", over de handelswijze van die bank, is onrechtmatig. Rabobank wil geen algeheel verbod op het boek en is er niet op uit om haar criticasters het zwijgen op te leggen. Rabobank kan zich ook niet vinden in de overige inhoud van het boek, maar zij heeft zich met haar vorderingen daar niet tegen gericht. Het oordeel van de voorzieningenrechter gaat daarom uitsluitend over de rechtmatigheid van het vermelden van de persoonsgegevens van de medewerkers. Verspreiding van het boek in de huidige versie (met namen) moet worden gestaakt en in de reeds uitgegeven boeken moet de namen onherkenbaar / onleesbaar worden gemaakt, of die boeken moeten worden vernietigd.

3.3. De voorzieningenrechter merkt op dat Rabobank uitsluitend bezwaar heeft tegen de vermelding van persoonsgegevens van (oud-)medewerkers in het boek en op de website. Hoewel Rabobank zich ook niet kan de vinden in de overige inhoud van het boek, zijn geen van haar vorderingen daarop gericht en kan een oordeel van de voorzieningenrechter over de inhoud van het boek – voor zover niet noodzakelijk voor de beoordeling van de voorliggende vorderingen – achterwege blijven.
3.8. Uit het voorstaande volgt dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat Stichting RED en Boektotaal niet aannemelijk hebben gemaakt dat een gerechtvaardigd belang bestaat bij de vermelding van persoonsgegevens van (oud-)medewerkers van Rabobank in het boek en op de website. Het belang van die (oud-)medewerkers om hun persoonlijke levenssfeer te beschermen dient dan ook te prevaleren en daarmee is publicatie van de persoonsgegevens onrechtmatig. Dit geldt, volledigheidshalve, ook voor de publicatie van het telefoongesprek op de website, nu – zoals Rabobank terecht stelt – publicatie van een stem ook publicatie van een persoonsgegeven betreft. De omstandigheid dat Rabobank niet is ingegaan op verzoeken van de schrijfster om informatie te geven over de visie van Rabobank op de in het boek omschreven zaken maakt voorstaande niet anders. Nog daargelaten dat in het verzoek van de schrijfster niet reeds kenbaar is gemaakt dat persoonsgegevens in het boek zouden worden opgenomen en dat het verzoek om mee te werken niet gericht is geweest aan de genoemde (oud-)medewerkers, kan aan het niet willen meewerken van Rabobank aan het boek geen rechtvaardiging worden ontleend aan het opnemen van die persoonsgegevens. Ook de omstandigheid dat Rabobank zelf ook – volgens Stichting RED en Boektotaal: heimelijk – een telefoongesprek met [F] heeft opgenomen leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat Rabobank niet is overgegaan tot openbaarmaking van dat gesprek, behoudens in het kader van haar verweer in onderhavige procedure.

3.9. De vorderingen van Rabobank zullen op na te melden wijze worden toegewezen. Daarbij zal ten aanzien van het gevorderde onder (c) in redelijkheid een termijn van twee weken worden gegund en ten aanzien van het gevorderde onder (d) een termijn van vierentwintig uur na betekening. De vorderingen zullen zowel ten aanzien van Stichting RED en Boektotaal worden toegewezen. Weliswaar staat Boektotaal niet als uitgever in de colofon van het boek vermeld, dat laat onverlet dat zij als uitgever aan de uitgave van het boek heeft meegewerkt, in elk geval door middel van het verstrekken van een ISBN-nummer. Tegen de stelling van Rabobank dat Stichting RED en Boektotaal beiden (eind)verantwoordelijk zijn voor de onrechtmatige uitingen in het boek en op de website is geen inhoudelijk verweer gevoerd.
IEF 14845

Verborgen camerabeelden toegestaan, noemen bioscoopfilm verboden

Vzr. Rechtbank Amsterdam 20 maart 2015, IEF 14845; ECLI:NL:RBAMS:2015:2091 (X tegen SBS en Noordkaap)
Uitspraak ingezonden door Josine van den Berg, Klos Morel Vos & Reeskamp. Mediarecht. Onrechtmatige publicatie. Verborgen camera. 10 EVRM en 6:162 BW. Rechtspraak.nl: Item in Undercover in Nederland (SBS) over twee filmmakers mag worden uitgezonden. De naam van een inmiddels afgeronde film van hun hand mag daarin echter niet worden genoemd. Vordering tot verbod van uitzending van de beelden gemaakt met een verborgen camera afgewezen. Voldoende aannemelijk dat een verborgen camera moest worden ingezet om opheldering te verkrijgen over misstanden. Uitzending niet onrechtmatig; aan de belangen van de filmmakers is voldoende tegemoet gekomen door het onherkenbaar maken van hun gezichten en het niet noemen van namen.

4.8. Dat X c.s. jonge onervaren actrices zaken voorspiegelen die niet reëel zijn en daarmee deze meisjes mogelijk verleiden om aan X c.s. substantiële bedragen te betalen, kan worden gekwalificeerd als een misstand die publiciteit behoeft. De vraag of Y wel of niet een joint heeft gerookt op de set en om die reden is weggestuurd alsook de vraag of Z zich aanvankelijk had aangemeld voor de functie als regieassistente dan wel als actrice - waarover partijen ieder een andere opvatting hebben, waarvan de juistheid niet kan worden vastgesteld zonder nader onderzoek naar de feiten waarvoor het kort geding zich niet leent - zijn in dit verband van ondergeschikt belang en behoeven daarom thans geen verdere bespreking.
4.6. Niettegenstaande het onder 4.5. weergegeven verweer, kan hetgeen Stegeman c.s. aan de kaak willen stellen worden aangemerkt als een misstand, die de samenleving raakt. Van belang is dat Stegeman c.s. is benaderd door diverse tipgeefsters waarbij Stegeman c.s. onweersproken heeft gesteld dat dit er naast Y en Z nog drie zijn geweest) die zich door de filmmakers om de tuin geleid voelden. Hetgeen de tipgeefsters naar voren hebben gebracht bevat voldoende concrete aanwijzingen dat X c.s. zich tegenover jonge meisjes met ambities op het acteervlak voordoen als zeer succesvolle filmmakers en dat zij deze meisjes werven voor films die naar hun zeggen in alle Pathé theaters worden vertoond, alsook dat zij (enkele van) deze meisjes laten betalen om een rol in hun films te krijgen. De heimelijk opnamen vormen daarvan naderhand een indringende illustratie. Daarin zeggen X c.s. onder meer dat zij in India al een aantal actrices schatrijk hebben gemaakt, wordt de term Bollywood genoemd en wordt zonder enig voorbehoud gezegd dat de film(s) op korte termijn, in 2013 en 2014, in alle Pathé bioscopen te zien zal (zullen) zijn. X c.s. hebben echter niet weersproken dat hun films tot op heden in geen enkele bioscoop zijn vertoond en voorshands evenmin aannemelijk gemaakt dat deze aan (distributeurs ten behoeve van) Pathé bioscopen zelfs maar zijn aangeboden. Dit werkt een heel ander licht op hun werkwijze dan zij zelf (aanvankelijk) hebben verklaard en ondersteunt de verklaringen van de tipgeefsters. Verder komt in de beelden uitgebreid ter sprake dat een filmrol kan worden 'gekocht' (€1000,- voor iedere minuut dat de betrokken persoon in beeld in) en dat dit in de filmwereld ook heel gebruikelijk is, waarbij als voorbeeld Doutzen Kroes in de film Nova Zembla wordt genoemd (hetgeen overigens, naar Stegeman c.s. onweersproken heeft gesteld, volgens het management van Doutzen Kroes volledige uit de lucht is gegrepen). Ook in de opgenomen telefoongesprekken spreken X c.s. over het tegen betaling kunnen verkrijgen van een filmrol.
4.9. Uit het onder 4.6 en 4.7 overwogene vloeit tevens voort dat de in de uitzending gebezigde uitlatingen voldoende steun vinden in het beschikbare feiten materiaal.
4.10. X c.s. hebben verder gesteld dat Stegeman c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door een verborgen camera te hanteren, terwijl er geen redelijke verdenking bestond dat X. c.s. zich schuldig maakten aan bedrog. Anders dan mogelijk in een strafrechtelijke context het geval is, is dit voor de beoordeling van een aanspraak uit onrechtmatige daad een te strenge maatstaf. Wel dient tot uitgangspunt dat bij het hanteren van een verborgen camera terughoudendheid past, aangezien het heimelijk maken van opnamen een ernstige) inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gefilmde perso(o)n(en) vormt. Dit betekent dat gebruik maken van een verborgen camera in beginsel slechts gerechtvaardigd kan zijn, indien daarmee een ernstige misstand kan worden aangetoond, die zonder hantering van deze methode niet blootgelegd had kunnen worden.

4.11 Op grond van de binnengekomen tips, weergegeven in 4.6. mochten Stegeman c.s. naar het oordeel van de voorzieningenrechter menen dat mogelijk sprake was van ernstige misstanden waarbij andere middelen dan het inzetten van de verborgen camera voor het verkrijgen van ophelderingen daarover niet voorhanden waren. Naderhand is dat bevestigd doordat X.c.s. uitlatingen die zijn volgens de tipgeefster hebben gedaan (zoals met betrekking tot de vertoning van de films in alle Pathé bioscopen) tegenover Stegeman en ook in de correspondentie aanvankelijk hebben ontkend (zie bij 2.14), terwijl uit de beelden blijkt dat die ontkenning niet juist is. In de gegeven omstandigheden is de inzet van de verborgen camera daarom niet onrechtmatig, ook niet nu vooralsnog geen harde bewijzen voorhanden zijn dat daadwerkelijk betalingen aan X c.s. zijn verricht voor het spelen in films die vervolgens niet (althans niet in reguliere bioscopen) worden vertoond.

4.13. De nadelige gevolgen voor X c.s. zijn dan ook te overzien. Wel worden in de uitzending de namen genoemd van de door X c.s. te produceren (of reeds geproduceerde) films. Weliswaar zijn ook deze films nog nergens te zien, maar ten aanzien van de film XXX hebben X c.s. vooralsnog voldoende aannemelijk gemaakt dat deze met de nodige investeringen van hun kant daadwerkelijk tot stand is gekomen. Niet valt uit te sluiten dat deze film op termijn alsnog zal worden aangeboden aan distributeurs ten behoeve van vertoning in bioscopen in Nederland en elders. Aan X c.s. zal in dit opzicht het voordeel van de twijfel worden gegund. Aannemelijk is dat in dat geval het noemen van de naam XXX in de in de door Stegeman c.s. in beeld gebrachte context, waarbij op zijn minst (ook) de suggestie wordt gewekt dat dit geen reële filmproductie is, een succesvolle exploitatie van deze film voorgoed onmogelijk maakt. Voor zover de suggestie onjuist is, wat op dit moment dus niet valt uit te sluiten, moet het noemen van de naam van de film om die reden onrechtmatig worden geacht.

Op andere blogs:
Mediareport
.


X produceert films en belooft aan acteurs een Bollywood-carrière in een film. Undercover in Nederland neemt heimelijk gesprekken op en confronteert X. Omdat zij in de uitzending worden afgeschilderd als malafide filmmakers die zich schuldig maken aan oplichting en bedrog en de film al klaar voor distributie, vorderen zij verbod op noemen van de naam van de film.

Stegeman c.s. is benaderd door diverse tipgeefsters die door filmmakers om de tuin geleid voelden [r.o. 4.6 en 4.7]; er zijn verborgen camerabeelden gemaakt. Naderhand is dat bevestigd doordat X.c.s. uitlatingen die zijn volgens de tipgeefster hebben gedaan (zoals met betrekking tot de vertoning van de films in alle Pathé bioscopen) tegenover Stegeman en ook in de correspondentie aanvankelijk hebben ontkend (zie bij 2.14), terwijl uit de beelden blijkt dat die ontkenning niet juist is. In de gegeven omstandigheden is de inzet van de verborgen camera daarom niet onrechtmatig.

Aan X c.s. wordt het voordeel van de twijfel worden gegund. Met het noemen van de naam zal op zijn minst (ook) de suggestie wordt gewekt dat dit geen reële filmproductie is, en wordt succesvolle exploitatie van deze film voorgoed onmogelijk gemaakt. Geen enkele bioscoop zou de film nog willen afnemen. De voorzieningenrechter verbiedt slechts om in de voorgenomen tv-uitzending die gaat over de bedrijven en filmactiviteit van X de naam van de film te noemen.

IEF 14837

Parlementslid Sint Maarten verliest rechtszaak over negatieve uitlating VVD-Kamerlid

Vzr. Rechtbank Den Haag 3 april 2015, IEF 14837; ECLI:NL:RBDHA:2015:3776 (Parlementslid St. Maarten)
Mediarecht. Rechtspraak.nl: In een kort geding tussen parlementslid op Sint Maarten en Tweede Kamerlid heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de uitlating van het kamerlid [in september 2014] over mogelijke omkoping weliswaar onrechtmatig is, maar dat hij deze uitlating niet meer hoeft te rectificeren. De uitlating is inmiddels te lang geleden en het parlementslid van Sint Maarten heeft thans geen belang meer bij rectificatie. Ook de gevorderde schadevergoeding is afgewezen.

Uitlating wel onrechtmatig
In haar vonnis heeft de kortgedingrechter overwogen dat een publicatie waarin een politicus in verband wordt gebracht met omkoping zeer nadelig is en dat een dergelijke beschuldiging alleen publiekelijk behoort te worden gedaan indien deze voldoende steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal. Naar het oordeel van de rechter was dat bij de uitlating van het Tweede Kamerlid niet het geval. Bij dit oordeel heeft de rechter er rekening mee gehouden dat de uitlatingen van het Tweede Kamerlid op Sint Maarten serieus worden genomen.

Geen rectificatie
Hoewel de uitlating als onrechtmatig wordt beoordeeld, acht de rechter door het tijdsverloop na de uitlating, die in september 2014 is gedaan, rectificatie niet meer passend, omdat deze uitlatingen sindsdien niet meer in de pers zijn herhaald. Volgens de rechter heeft het parlementslid van Sint Maarten daarom nu geen belang meer bij die rectificatie.

Geen schadevergoeding
Ook de door hem gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen, omdat naar het oordeel van de rechter in kort geding niet kan worden vastgesteld dat er een verband bestaat tussen de uitlating en de gestelde schade.

IEF 14823

Googles autocomplete-toevoeging ‘Peter R de Vries’ zonder opzettelijke beschadiging

Hof Amsterdam 31 maart 2015, IEF 14823; ECLI:NL:GHAMS:2015:1123 (X tegen Google)
Mediarecht. Recht om vergeten te worden. Vordering tot verwijdering van verwijzingen in zoekmachine. Invullen volledige naam levert verwijzingen op naar websites met initialen van verdachte van misdrijf. Vooralsnog moet daarom worden aangenomen dat de publicaties die daarvan, zoals gebruikelijk, het gevolg zijn geweest en de publieke belangstelling daarvoor, aan het eigen gedrag van [appellant] te wijten zijn. Belang publiek. Manipuleren van zoekgegevens niet aannemelijk gemaakt. Van opzettelijke beschadiging door autocomplete-toevoeging 'Peter R de Vries' is niet gebleken. Bekrachtiging van vonnis waarbij gevorderde voorzieningen zijn afgewezen.

3.12. [appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat Google de zoekresultaten handmatig heeft gemanipuleerd met geen ander doel dan hem te schaden. Google heeft ter zitting voldoende toegelicht dat een bepaald zoekresultaat kan ontstaan door een verband met een deel van de zoekterm, bijvoorbeeld zijn voornaam, en dat dit zoekresultaat hoger op de lijst van resultaten kan komen doordat gebruikers de webpagina vaak aanklikken. Bovendien wordt met de verwijzing, zoals reeds overwogen, voor het publiek geen zeker verband gelegd met de persoon van [appellant] maar slechts verwezen naar het boek van Engelbertink of naar een website met zijn initiaal. Een en ander betekent dat niet wordt toegekomen aan een verbod om naar aanleiding van het intypen van de volledige naam webpagina’s te tonen waarin (thans) slechts initialen voorkomen, zoals [appellant] kennelijk met zijn vordering sub II beoogt. Evenmin kan op grond van de feiten en omstandigheden worden volgehouden dat Google door haar werkwijze de content van journalistieke publicaties aanvult (met de volledige naam van [appellant]) en daarmee, wat daarvan verder zij, volgens [appellant] de in de media toegepaste initialenregel passeert. Voor het overige is de vordering sub II te ruim en weinig concreet geformuleerd en daarom al niet toewijsbaar. Grief 2, strekkende tot toewijzing van dit onderdeel van de vordering, faalt eveneens.

3.14. [appellant] voert bij grief 4 aan dat Google met de autocomplete-toevoeging ‘Peter R de Vries’ kennelijk opzettelijk beoogt om hem zonder enig gerechtvaardigd doel of publiek belang opnieuw in de belangstelling te plaatsen en dat dit daarom onrechtmatig is. [appellant] heeft echter niet betwist dat de toevoeging automatisch wordt gegenereerd op grond van onder meer het aantal keren dat gebruikers op basis van een bepaalde zoektermen hebben gezocht. Van een opzettelijke beschadiging van [appellant] is dan ook niet gebleken. Voorts heeft te gelden dat, zoals reeds overwogen, het publiek een gerechtvaardigd belang heeft om geïnformeerd te worden over [appellant]. Tot slot weegt mee dat gebruikers die worden geconfronteerd met de aanvulling kennelijk reeds op de hoogte zijn van de volledige naam van [appellant] en dat de met de autocomplete-toevoeging gegenereerde zoekresultaten niet meer gegevens over [appellant] opleveren dan zonder die toevoeging worden verkregen. [appellant] heeft in elk geval niet aangevoerd dat de autocomplete-functie andere verwijzingen oplevert die schadelijk zijn voor hem. Ook de vordering sub IV is niet toewijsbaar, zodat grief 4 faalt.

Op andere blogs:
MediaReport
Hoogenraad & Haak

IEF 14818

Rectificatie artikel over voorkennis na uitgevoerde aanbesteding

Vzr. Rechtbank Rotterdam 27 maart 2015, IEF 14818; ECLI:NL:RBROT:2015:2397 (Zondag Ontwikkeling tegen AD Nieuwsmedia)
Uitspraak ingezonden door Laura Broers en Bas Le Poole, Le Poole Bekema. Mediarecht. Onrechtmatige publicatie. Zondag heeft als projectontwikkelaar van woningbouwprojecten meegedongen in aanbestedigingsprijsvragen van de Gemeente Bunnik. AD publiceert de artikelen 'Projectontwikkelaar kon bouwen in Odijk dankzij voorkennis', 'Bouwen met een luchtje'. De aanbestedingswedstrijd is niet volledig in overeenstemming met gangbare beginselen, een bepaling over nader onderhandelen is gegeven, betekent niet dat Zondag met voorkennis heeft deelgenomen. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet serieus genomen. De rectificatie op voorpagina regioversie Utrecht en website wordt bevolen. AD moet regionale kranten, die naar aanleiding van haar publicaties hebben geschreven , informeren over de rectificatie.

4.9. AD c.s. gheeft in de gewraakte publicatie bedenkingen geuit ten aanzien van zowel de gemeente Bunnik als Zondag. De Voorzieningenrechter heeft, op basis hetgeen partijen naar voren hebben gebracht en de processtukken, de indruk gekregen dat de wijze waarop de aanbestedingswedstrijd vorm heeft gekregen niet volledig in overeenstemming is geweest met de gangbare beginselen van aanbestedingsrecht. Dit is naar voorlopig oordeel echter met name het gevolg van de handelwijze van de Gemeente Bunnik. Naar voorshands oordeel van de voorzieningenrechter is de wijze waarop de aanbestedingswedstrijd vorm heeft gekregen echter onvoldoende om jegens Zondat de verwijten te uiten die AD c.s. thans heeft geuit in de publicaties van 6,7, en 8 maart 2015.
Meer in bijzonder is in dit kader van belang dat de Zondag in oktober 2007 als winnaar van de wedstrijd (fase 4) is uitgeroepen. Artikel 10 van het "wedstrijdprogramma" bepaalt onder het kopje vervolgtraject het volgende: "een eventuele wijziging van de oorspronkelijke uitgangspunten zal leiden tot verrekening of aanpassing van het ontwerp. De opdracht (...)" Onder die omstandigheden is begrijpelijk dat Zondag gebruik heeft gemaakt van de haar in het wedstrijdprogramma geboden mogelijkheid om nader met de gemeente te onderhandelen.

Lees de uitspraak (pdf/html)

IEF 14780

Negatieve uitingen op shocklog OK Huis niet onjuist

Vzr. Rechtbank Overijssel 17 december 2014, IEF 14780; ECLI:NL:RBOVE:2014:6697 (Arthos tegen OK Huis)
Mediarecht. Onrechtmatige publicaties. Arthos [eiser] gebruikt OK Huis Nederland als handelsnaam. OK Huis [eisers] lanceren onder hun beheer de website www.mijn-okhuis-ervaring.nl. Feitelijk is hier sprake van een zogenaamd shocklog welke tracht door middel van schokkende en agressieve inhoud veel publiek te trekken, niet gehinderd door enige grens. Eiser heeft onvoldoende gesteld dat de uitingen feitelijk onjuist zijn. Uitingen kwalificeren niet als intimiderend, suggestief en/of grievend. Vordering tot verwijdering negatieve uitlatingen van weblog afgewezen.

4.4. Aan zijn vorderingen legt [eiser], samengevat, ten grondslag dat op gemelde website van [eisers] feitelijk alleen negatieve geluiden over OK Huis, waaraan hij onlosmakelijk is verbonden, (komen te) staan. [eiser] stelt dat [eisers] als beheerders daarvoor aansprakelijk zijn, dat de negatieve uitlatingen slechts gericht zijn om hem 'kapot te maken' en dat het doel van [eisers] is om hem dan wel OK Huis tot betaling (van een bedrag van € 75.000,00) te dwingen, hetgeen een vorm van chantage is. Voorts stelt [eiser] dat [eisers] onrechtmatig jegens hem handelen door intimiderend, grievend, suggestief en feitelijk onjuiste stellingen op de website te plaatsen en dat deze onrechtmatigheid c.q. het recht op bescherming van eer en goede naam en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het algemeen maatschappelijk belang c.q. het recht van vrijheid van meningsuiting. In dit verband verwijst [eiser] naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 25 juni 2009 (ECLI:NL:RBALK:2009:BI9969). Volgens [eiser] heeft hij dagelijks last van de internetterreur van [eisers] die uiteindelijk ook heeft geleid tot het faillissement van OK Bouw BV en OK Huis BV. Het vinden van een nieuwe baan wordt ernstig bemoeilijkt door de weblog van [eisers] Toelaatbare en ontoelaatbare uitingen wisselen elkaar op de website af. Deze zijn in de huidige opzet van de website echter zodanig met elkaar verweven, de ontoelaatbare uitingen zijn zo talrijk, en de daarmee nagestreefde doelen zo dubieus, dat de enig werkbare en passende reactie is om de site geheel te verbieden. Feitelijk is hier sprake, aldus [eiser], van een zogenaamd shocklog welke tracht door middel van schokkende en agressieve inhoud veel publiek te trekken, niet gehinderd door enige grens. Verder stelt [eiser] dat het onmogelijk is om op de weblog positieve zaken te vermelden, dat de afzenders die daarop staan niet duidelijk zijn vermeld, dat de adressen niet te achterhalen zijn en dat een weerwoord van hem onmogelijk is.

4.9. Ten aanzien van de op de website geplaatste uitingen over [eiser], heeft [eiser] onvoldoende gesteld en is door [eisers] voldoende gemotiveerd betwist dat deze feitelijk onjuist zijn. Voorts kan de aard van deze uitingen, naar voorshands oordeel, niet als intimiderend, suggestief en/of grievend worden gekwalificeerd. Ook hebben [eisers] voldoende gemotiveerd betwist dat het doel van hun website is dat zij tegen betaling van een bedrag (schadeloosstelling) van € 75.000,00 door [eiser] bereid zijn de website uit de lucht te halen. De enkele opmerking in de e-mail van [eisers] van 1 september 2014 (Wij hebben dus 75.000 euro schade. Alleen dit bedrag zal voor ons een reden zijn om het blog te stoppen.), in samenhang gelezen met de daaraan voorafgaande e-mails van partijen van 27 augustus 2014 en 1 september 2014, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat sprake is van (een vorm van) chantage, zoals door [eiser] is gesteld.

4.10. Het voorgaande voert de voorzieningenrechter tot de slotsom dat, alle omstandigheden tegen elkaar afgewogen, het belang van [eisers] om zich vrij te uiten zwaarder behoort te wegen dan de belangen waarvoor [eiser] opkomt en dat in dit geval derhalve het grootste gewicht moet toekomen aan het belang dat een (vermeende) misstand die de samenleving raakt door bekendmaking aan het grote publiek bestreden moet kunnen worden. Van een ontoelaatbare inbreuk op het in artikel 8 lid 2 EVRM gewaarborgde recht is dus geen sprake en de door [eiser] genoemde uitlatingen op de website van [eisers] zijn jegens hem niet onrechtmatig te noemen. Hieruit volgt dat de vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen.
IEF 14746

Schadevaststelling Malafide hondenhandelaren

Hof Amsterdam 21 oktober 2014, IEF 14746; ECLI:NL:GHAMS:2014:4329 (TROS tegen Lako Kennels)
Mediarecht. Zie eerder ECLI:NL:GHAMS:2013:2860; IEF 10102 en IEF 2088. Schadevaststelling na in eerdere procedure vastgestelde onrechtmatige uitzending van Radar over (volgens Tros) malafide hondenhandelaren. Behandeling van grieven tegen schadevaststelling door rechtbank op basis van deskundigenrapport. Hof corrigeert de schadevaststelling in die zin dat geoordeeld wordt dat sprake is van schade (in de vorm van winstderving) over een kortere periode dan de rechtbank oordeelde alsmede dat de schade over de laatste jaren van die periode aanmerkelijk lagere bedragen betreft dan door de rechtbank (aan de hand van het deskundigenrapport) was bepaald. Tros wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding (in hoofdsom) van € 328.109,- (in eerste aanleg was dat € 505.579,-).
Lees verder