Brede steun voor afschaffing geschriftenbescherming
Nota afschaffing geschriftenbescherming, Kamerstukken II 2013-2014, 33 800, nr. 6.
Redenen voor afschaffing van de geschriftenbescherming. Relatie tussen dit wetsvoorstel en de bescherming van programmagegevens. Het kabinet ziet in de afschaffing van de geschriftenbescherming dan ook geen reden voor het vervallen van de grondslag voor de vastgestelde wettelijke tarieven voor programmagegevens en evenmin voor de aanpassing van de mediawettelijke regeling over programmagegevens of voor een daling van de wettelijke tarieven voor programmagegevens tot nul. Nu ook na afloop van de internetconsultatie dergelijke belangen niet naar voren zijn gebracht en uit de literatuur en de praktijk is gebleken dat de afschaffing van de geschriftenbescherming op brede steun kan rekenen, meent het kabinet dat de door de Afdeling advisering gestelde vraag zo moet worden beantwoord dat een nader onderzoek inderdaad niet aangewezen is.
De vraag of programmagegevens auteursrechtelijk worden beschermd dan wel of overname daarvan op zichzelf een onrechtmatige daad op grond van het Burgerlijk Wetboek zou betreffen is onderdeel geweest van een gerechtelijke procedure tussen de NPO en een dagblad waarin recent uitspraak is gedaan door het Gerechtshof Amsterdam (20 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:798). Het oordeel van het hof over deze vraag luidde dat de programmagegevens niet in aanmerking komen voor auteursrechtelijke bescherming waaronder geschriftenbescherming. Het kabinet hecht er in dit kader aan op te merken dat nu de regeling van de verplichte en tijdige beschikbaarstelling in de Mediawet 2008 een zelfstandige functie heeft die los staat van het al dan niet bestaan van auteursrechtelijke bescherming, de omstandigheid dat volgens het hof geen sprake kan zijn van auteursrechtelijke bescherming van programmagegevens de omroepen niet verplicht om die programmagegevens actief beschikbaar te stellen alvorens zij openbaar zijn gemaakt.
De omstandigheid dat programmagegevens niet auteursrechtelijk worden beschermd en dat de overname daarvan op zichzelf geen onrechtmatige daad vormt, leidt er in combinatie met het wegvallen van geschriftenbescherming toe dat programmagegevens zonder vergoeding kunnen worden overgenomen indien en voor zover zij door vrije nieuwsgaring zijn verkregen. Dat gegeven zou van invloed kunnen zijn op de hoogte van de marktconforme prijs van de programmagegevens. Indien en voor zover dat het geval is, zou het Commissariaat voor de Media daarmee rekening kunnen houden bij zijn periodieke herberekening van de marktconforme waarde.
4. Advies en consultatie
De reacties op de internetconsulatie over het wetsvoorstel waren bijna allemaal positief. Slechts de NPO en SBS Broadcasting BV hebben enige kritische kanttekeningen geplaatst. Zij maken gebruik van de geschriftenbescherming en hebben de vraag gesteld in hoeverre de traditionele bescherming tegen ongeoorloofde mededinging op basis van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) bescherming biedt. Daarbij hebben zij de vraag gesteld of het niet veel meer voor de hand ligt om een bijzondere regeling te introduceren voor wat zij omschrijven als “oneerlijke concurrentie en parasitering.” Uit de praktijk en de literatuur hebben het kabinet echter geen andere signalen bereikt dat een dergelijke regeling toegevoegde waarde heeft ten opzichte van de bestaande mogelijkheid in een dergelijke situatie een beroep te doen op de onrechtmatige daad actie. Ook is zulks niet in de consultatie of daarna door andere partijen voorgesteld. Aldus wordt een dergelijke regeling niet aangewezen geacht.
De geschriftenbescherming, met inbegrip van de juridische aspecten en economische belangen, vormt reeds sinds de invoering van de huidige Auteurswet in 1912 onderwerp van debat. In dat debat is niet gebleken van zwaarwegende belangen die zich tegen de afschaffing van de geschriftenbescherming verzetten. De Afdeling advisering van de Raad van State constateert dat ook uit het advies van de Commissie Auteursrecht volgt dat niet van dergelijke belangen sprake is. In dat kader merkt de Afdeling advisering op dat het de vraag is of het wel nodig is onderzoek te doen naar aanwijzingen dat van zwaarwegende belangen die zich tegen de afschaffing van de geschriftenbescherming verzetten. Nu ook na afloop van de internetconsultatie dergelijke belangen niet naar voren zijn gebracht en uit de literatuur en de praktijk is gebleken dat de afschaffing van de geschriftenbescherming op brede steun kan rekenen, meent het kabinet dat de door de Afdeling advisering gestelde vraag zo moet worden beantwoord dat een nader onderzoek inderdaad niet aangewezen is.
Uitspraak ingezonden door Wouter Seinen en Nathalja Doing,
Gemeenschapsmerk – Beroep door de houder van het niet-ingeschreven woordmerk „R10” ingesteld en strekkende tot vernietiging van beslissing kamer van beroep van BHIM, waarbij niet-ontvankelijk is verklaard het beroep tegen de beslissing van de oppositieafdeling tot afwijzing van de oppositie die is ingesteld tegen de aanvraag voor inschrijving van het woordmerk „R10” voor waren en diensten van de klassen 18, 25 en 35 – Zaak
B. Gemeenschapsmerk – Beroep ingesteld door de aanvrager van de internationale inschrijving, waarin de Europese Unie wordt aangewezen, van het woordmerk „JUNGBORN” voor waren van de klassen 29, 30 en 32, en strekkende tot vernietiging van beslissing Kamer van Beroep BHIM houdende verwerping van het beroep tegen de beslissing van de oppositieafdeling waarbij dit merk de bescherming van de gemeenschapsmerkregeling gedeeltelijk wordt geweigerd in het kader van de oppositie ingesteld door de houder van het nationale woordmerk „BORN” voor waren van de klassen 29, 30 en 32. Beroep wordt verworpen.
C. Gemeenschapsmerk – Beroep door de aanvrager van het woordmerk „METABOL” voor waren en diensten van de klassen 5, 16 en 30 ingesteld en strekkende tot vernietiging van beslissing van Kamer van Beroep BHIM houdende gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van de oppositieafdeling tot gedeeltelijke weigering van de oppositieafdeling om dit merk in te schrijven in het kader van de oppositie die door de houder van het nationale woordmerk „METABOL-MG” voor waren van klasse 5 is ingesteld. Beroep wordt verworpen.
Media. Misbruik machtspositie. Collectief beheer. Uit het
Absolute weigeringsgrond. Vernietiging van beslissing van Kamer van Beroep BHIM houdende verwerping van het beroep tegen de weigering van de onderzoeker om het woordmerk „FLEXI” in te schrijven voor waren van de klassen 18 en 25. Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening nr. 207/2009. Beroep toe/afgewezen. Het beroep is geweigerd, Flexi heeft de betekenis van flexibel en buigbaar en is beschrijvend voor de producten, waaronder portomonnees en schoenen.
Gemeenschapsmerk. Beroep ingesteld door de houder van het beeldmerk dat vijf strepen op een sportschoen weergeeft, voor waren van klasse 25, en strekkende tot vernietiging van beslissing van kamer van beroep van BHIM houdende verwerping van het beroep tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling tot toewijzing van de vordering tot nietigverklaring die tegen dat merk is ingesteld door Künzli SwissSchuh AG. Beroep is afgewezen, het merk is terecht nietig verklaard.
De vordering tot nakoming is gebaseerd op het convenant dat buitengerechtelijk door de Gemeente werd vernietigd. De vordering tot rectificatie van een krantenartikel is gebaseerd op de stelling dat de gemeente gegeven enkele passages in het krantenbericht en het persbericht de eer en goede naam van eiser heeft aangetast. Voor een krantenartikel is de Gemeente niet verantwoordelijk. Voor het persbericht wel. De essentie van het bericht vindt voldoende steun in de feiten. Eiser kan dit vonnis gebruiken om verkeerde beelden recht te zetten.