IEF 22202
23 augustus 2024
Artikel

Entertainment & Recht op 4 september

 
IEF 22201
22 augustus 2024
Uitspraak

Beroep op uitputting mislukt: verkoop van inbreukmakende (namaak)sjaals moet worden gestaakt

 
IEF 22196
22 augustus 2024
Uitspraak

Orchid Gardens maakt geen inbreuk op de octrooirechten van HE Licenties

 
IEF 8328

Aspecten van het buitenleven

Hof Amsterdam, 3 november 2009, zaaknummer 200.017.850/01 SKG, Media Mij B.V. tegen ANWB B.V. (met dank aan Meta Kuyvenhoven, Versteeg Wigman Sprey advocaten)

Merkenrecht. Hof vernietigt het vonnis waarvan beroep (Vzr. Rechtbank Amsterdam, 2 oktober 2008, IEF 7133). Tijdschrift (ANWB) Buitenleven tegen tijdschrift Welke Buitenleven. Toch geen inbreuk. “Het woord "buitenleven" heeft naar het voorlopig oordeel van het hof in dit geval onvoldoende onderscheidend vermogen om onder de aan ANWB toekomende merkenrechtelijke bescherming te vallen.”  Teken gedaagde is zodanig anders vormgegeven dat de totaalindrukken niet overeenstemmen. Merk van de ANWB is niet ingeburgerd in het geheel Nederlandstalige gebied van de Benelux. Geen onrechtmatige daad. Proceskosten eerste aanleg en hoger beroep: €36.040,39 + vergoeding kosten die Media Mij heeft moeten maken ter uitvoering van het vonnis van de voorzieningenrechter.

 4.6. Van het beeldmerk van ANWB is het woordelement "Buitenleven" het dominerende bestanddeel. Het woord "buitenleven" heeft naar het voorlopig oordeel van het hof in dit geval onvoldoende onderscheidend vermogen om onder de aan ANWB toekomende merkenrechtelijke bescherming te vallen. Het woord dient hier om kenmerken aan te duiden van de waren waarvoor het als merk is ingeschreven. ANWB gebruikt immers het merk als titel van een tijdschrift dat - in hoofdzaak - onderwerpen behandelt die naar hun aard onder het begrip "buitenleven" vallen. Dit brengt mee dat het Media Mij op zichzelf vrij stond het woord "buitenleven" te gebruiken en dat het bij de vraag, of het teken zoals dat door Media Mij wordt gebruikt inbreuk maakt op het merk van ANWB, vooral gaat om de vormgeving van het woord. Geconstateerd moet worden dat het woord zoals dat door Media Mij is gebruikt zodanig anders is vormgegeven dan het woord zoals dat deel uitmaakt van het beeldmerk van ANWB en visueel een zodanig daarvan afwijkende totaalindruk geeft dat voorshands niet kan worden geoordeeld dat het teken van Media Mij overeenstemt met het merk van ANWB.

4.7. Het oordeel omtrent de gestelde merkinbreuk zou anders kunnen zijn indien voldoende aannemelijk is dat het woord "buitenleven" zoals dat deel uitmaakt van het merk van ANWB is ingeburgerd. Hiervoor is vereist dat het merk door het gebruik onderscheidend vermogen heeft verworven in het gehele Nederlandstalige gebied van de Benelux, in die zin dat de betrokken kringen, althans een aanzienlijk deel ervan, de betrokken waar op basis van het merk als van een bepaalde onderneming afkomstig identificeren. ANWB heeft gesteld dat het tijdschrift ook in België wordt verkocht, maar zij heeft geen gegevens verstrekt omtrent de mate van inburgering in België. Gesteld noch gebleken is dat het onderzoek van het bureau Motivaction International B.V., dat zij in haar memorie van antwoord onder 37 vermeldt, ook betrekking heeft op ondervraagden in België. Uit de stellingen van ANWB bij pleidooi (zie met name pleitnota ANWB onder 21), maakt het hof integendeel op dat dit niet het geval is. Dit brengt mee dat voorshands niet kan worden aangenomen dat het merk "Buitenleven" van ANWB is ingeburgerd in het gehele Nederlandstalige gebied van de Benelux, waarbij in het midden kan blijven of de door ANWB verstrekte gegevens voldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat van inburgering in Nederland sprake is. ANWB heeft nog de stelling betrokken dat inburgering alleen in Nederland hier voldoende moet worden geacht omdat dit een aanzienlijk deel is van het over de Benelux verspreide relevante publiek. Deze stelling moet echter worden verworpen omdat - anders dan ANWB meent - niet voldoende is dat weliswaar enerzijds van de betrokken kringen als hiervoor bedoeld - ervan uitgaande dat die kringen verspreid zijn over meer dan één lidstaat van de Benelux - een aanzienlijk deel de betrokken waar op basis van het merk als van een bepaalde onderneming afkomstig identificeert, doch dat anderzijds dat aanzienlij k deel regionaal is beperkt tot alleen Nederland of alleen een andere lidstaat van de Benelux.

(…)

4.10. Voor zover er gevaar voor verwarring bestaat tussen de beide tijdschriften, is dit terug te voeren op het gebruik van het woord "buitenleven" als titel. Nu het hof heeft geoordeeld dat gebruik van het woord "buitenleven" niet op merkenrechtelijke bezwaren stuit omdat het woord in casu voldoende onderscheidend vermogen mist en door ANWB wordt gebruikt om kenmerken van haar tijdschrift aan te duiden, stond het Media Mij in beginsel vrij dit woord ook voor haar tijdschrift te gebruiken, dat (in ander opzicht dan het tijdschrift van ANWB en voor een andere doelgroep) eveneens aspecten van het "buitenleven" behandelt. Van bijkomende omstandigheden die de keuze van Media Mij desondanks onrechtmatig doen zijn is onvoldoende gebleken.

Lees het arrest hier of hieronder:

 

IEF 8327

Een ouder recht van plaatselijk belang

Vzr. Rechtbank Assen, 4 november 2009, LJN: BK2194, Stichting Prins Bernhardhoeve tegen Easy Sport & Events B.V.& Pbhoeve Beheer B.V. en V.O.F. Jaarmarkt Zuidlaren,

Merkenrecht. Kwalitatieve verplichtingen. Stichting verkoopt beurscomplex en verzet zich tegen gebruik van woordmerken "Prins Bernhardhoeve" en "PBH" door koper. Vorderingen afgewezen. Locatierecht (zie recent ook IEF 8293 (De Woeste Hoeve)  en IEF 8303 (Bellevue Dordrecht): “De naam is als zodanig te kwalificeren als een ouder recht van plaatselijk belang.” 

4.6.  Ook een beroep op art. 2.20 lid 1 sub d gaat niet op, nu PBhoeve Beheer een geldige reden heeft de naam te gebruiken en de Stichting het gebruik van de naam voor het gebouw ook nadrukkelijk heeft toegestaan. Indien en voorzover de Stichting probeert te stellen dat PBhoeve Beheer door het gebruik van die naam en door het gebruik van www.pbhoeve.nl, www.prinsbernardhoevezuidlaren.nl PBHoeve Events inbreuk maakt op de merkrechten van de Stichting, gaat deze stelling niet op. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet vast komen te staan dat door het gebruik van genoemde handels- en domeinnamen ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.

4.7.  Voorts is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het beroep van PBhoeve Beheer en v.o.f. Jaarmarkt op een depot te kwader trouw c.q. misbruik van bevoegdheid in een bodemprocedure voldoende kans maakt. Daartoe neemt de voorzieningenrechter het volgende - in onderlinge samenhang beschouwd - in aanmerking. Allereerst is gebruik van de naam al ruim 50 jaar onlosmakelijk verbonden met het beurscomplex te Zuidlaren. Het onderdeel "hoeve" verwijst naar de plaats waar voorheen de Landbouwbeurs werd georganiseerd, namelijk daar waar voorheen een drietal hoeves stonden. Prins Bernhard werd beschermheer van het complex, waarna het complex de naam Prins Bernhardhoeve kreeg. De naam is als zodanig te kwalificeren als een ouder recht van plaatselijk belang.

4.8.  Ook is bij verkoop van het complex het gebruik van de naam niet verboden, terwijl het voor de hand had gelegen dit eveneens als een kwalitatieve verplichting in de koopovereenkomst/akte van levering op te nemen.

(…).

4.9.  De Stichting heeft het merkdepot niet meegedeeld, dit terwijl dit kort voor de verkoop heeft plaatsgevonden. De Stichting heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij de naam zelf feitelijk gebruikt of heeft gebruikt. Dit zou ook onlogisch zijn, omdat zij thans evenementen en beurzen in Leeuwarden organiseert, terwijl het publiek de naam Prins Bernhardhoeve associeert met het complex te Zuidlaren. De voorzieningenrechter houdt het er voorshands dan ook voor, dat het deponeren van de merken uitsluitend bedoeld is geweest om de opvolgende eigenaar van de Prins Berhardhoeve te beperken in het gebruik ervan (vgl. HvJEG, 11 juni 2009, nr. C-529/07).

4.10.  Het beroep van de Stichting op onrechtmatige daad gaat niet op nu zij volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd dat PBhoeve Beheer de opgelegde kwalitatieve verplichtingen heeft overtreden. Bovendien zijn hieraan geen vorderingen verbonden.

Lees het vonnis hier.

IEF 8326

Het hof acht het verwarringsgevaar overigens reëel

Gerechtshof ’s-Gravenhage, beschikking van 3 november 2009, zaaknr. 200.035.180/01, Kluijfhout tegen Gustaf Digel Kleiderfabrikel GmbH & Co.

Merkenrecht. Beroep in oppositieprocedure.  DIGEL tegen DIGO (kleding). Het hof concludeert dat het BBIE de oppositie terecht heeft toegewezen.

12. Gelet op de punten van overeenstemming op visueel en auditief gebied van het teken DIGO en de merken van Digel en de mate van soortgelijkheid van de betrokken waren, als door het Bureau omschreven en door het hof onderschreven, alsmede gelet op het gemiddelde aandachtsniveau van het relevante publiek, is ook het bof van oordeel dat bij bedoeld publiek directe of indirecte verwarring kan ontstaan. Dat in het verleden nooit verwarring zou zijn ontstaan en dat Digel niet eerder bezwaar heeft gemaakt tegen gebruik van het woord-beeldmerk DiGO leidt - indien juist -niet tot een ander oordeel, nu ter beoordeling voorligt of verwarring kan ontstaan. Het hof acht het verwarringsgevaar overigens reëel. Ook de gevolgen die deze beslissing heeft voor de individuele vrijheid van ondernemen van Kluijfhout behoren niet tot de ten deze geldende beoordelingsmaatstaf.

Lees de beschikking hier (website BBIE).

IEF 8325

Het Zwarte Schaep

Bernt Hugenholtz, IViR: Het Zwarte Schaep. Commercieel Portretrecht in de Periferie van het Recht van de Intellectuele Eigendom. Eerder gepubliceerd  in: D.J.G. Visser (red.), Commercieel portretrecht. 30 jaar 't Schaep met de 5 pooten, Amsterdam: Delex 2009, p. 235-246.

"Met dat al hoort het commercieel portretrecht in zijn huidige gedaante niet thuis in het recht van intellectuele eigendom. Of deze conclusie ook voor de toekomst geldt, hangt er van af hoe het recht zich verder zal ontwikkelen. Indien het commercieel portretrecht in navolging van het preadvies van de Studiecommissie van de VMC, handen en voeten zou krijgen in een ‘Portretwet’, waarin het object en de inhoud van het recht geconcretiseerd en de overdraagbaarheid geregeld zouden worden, zou het recht het predikaat intellectuele eigendom wellicht verdienen. Indien het recht zich daarentegen zou evolueren in de richting van een van het privacyrecht afgeleid informationeel zelfbeschikkingsrecht, zoals door Dommering bepleit, is kwalificatie als IE-recht niet op zijn plaats. Denkbaar is ook dat het commercieel portretrecht zich als hybride recht tussen beide paradigma’s – intellectuele eigendom en privacy – verder ontwikkelt: niet langer als het zwarte schaap van de IE, maar als een vrij schaap op de camping van het recht."

Lees het volledige artikel hier.

IEF 8324

On The Brink

‘On the Brink Of European Patent Law.’ (CIER) Congres ter gelegenheid van het bereiken van de pensoengerechtigde leeftijd van Prof. Jan Brinkhof. 11 januari, Domplein 29, Academiegebouw (Senaatszaal)

Met lezing van Robert van Peursem (Rechtbank Den Haag), Simon Thorley (QC Londen), Peter Meier-Beck, (Bundesgerichtshof), Lord Hoffmann (Retired Law Lord House of Lords), Ernst Numann (Hoge Raad), Prof. Christian Osterrieth (advocaat, Dusseldorf), Richard Ebbink, (advocaat, Amsterdam), Paul Alting van Geusau (Board of Appeal EPO), Prof. Willem Hoyng (advocaat, Amsterdam), Christopher Heath (Board of Appeal EPO), Prof. Dieter Stauder (advocaat, München) & Sir Robin Jacob (Court of Appeal England & Wales). O.v.v. Prof. Dick van Engelen.

“Leading patent judges, academics and practicing lawyers from Germany, England and The Netherlands and members of the Boards of Appeal of the European Patent Office will be discussing issues of European patent law. Topics as scope of protection, partial revocation, inventive step, prosecution history and contributory infringement are to a large extent harmonized and unified law. However, in the absence of a highest European court, it is up to national courts to develop a uniform application and interpretation of European patent law and to provide the legal certainty and predictability that litigants need.” (5 PO-punten).

Lees het programma hier.

IEF 8323

Multimediacomponisten

Het FD bericht: “Auteursrechtenclub Buma onder vuur van eigen achterban. Makers en uitgevers van muziek die wordt gebruikt voor jingles en tunes op radio en televisie zeggen honderdduizenden euro's aan auteursrecht mis te lopen door toedoen van auteursrechtorganisatie Buma/Stemra. Een groep van zo'n 287 componisten en uitgevers stuurde half oktober een interne, nog niet eerder bekend geworden, brandbrief aan Buma/Stemra.”

(…) Mede daarom werd er in maart van dit jaar een nieuwe belangenorganisatie voor multimediacomponisten opgericht. Volgens voorzitter Johan van der Voet hebben 'al een heel aantal componisten' Buma/Stemra ingeruild voor de Britse concurrent Performing Right Society (PRS). Brusselse regelgeving maakt het sinds kort mogelijk dat, tegen de zin van de Nederlandse monopoliehouder Buma/Stemra, buitenlandse auteursrechtorganisaties zich op de Nederlandse markt begeven. (…) In een reactie laat Buma/Stemra weten zich 'slechts gedeeltelijk' in de kritiek te herkennen en 'open te staan voor verbeteringen waar dat mogelijk is'. (…)”

Lees hier meer (FD). Brandbrief hier. Antwoord Buma hier.

IEF 8322

Pijnstillers

Rechtbank ’s-Gravenhage, ex parte beschikking van 5 oktober 2009, KG RK 09-2584, Mundipharma Pharmaceuticals B.V. tegen Mediq B.V. h.o.d.n. OPG Groothandel

Octrooirecht. Ex parte. Vervolg op  Rechtbank ’s-Gravenhage, 30 september 2009, IEF 8237. In casu wordt het groothandel OPG verboden om de bij genoemd vonnis als inbreukmakend aangemerkte generieke producten te verkopen. 

2.2. De voorzieningenrechter oordeelt dat voorshands voldoende aannemelijk is gemaakt dat OPG verschillende door Ratiopharm en/of Sandoz in het verkeer gebrachte oxycodonformuleringen, in het verzoekschrift en hierna aangeduid als Generieke Producten, in Nederland aanbiedt, waarmee inbreuk wordt gemaakt op conclusie 1 in samenhang met conclusies 6 en 9 van het aan Mundipharma toebehorende Europese octrooi EP 1 258 246. Immers, het gaat om dezelfde producten die ook onderwerp waren in een procedure die heeft geresulteerd in het in het verzoekschrift onder 4 genoemde vonnis van 30 september 2009. In die bodemzaak is geoordeeld dat genoemd octrooi in elk geval voor zover het conclusie 1 in samenhang met conclusies 6 en 9 betreft geldig is en dat de door Ratiopharm en/of Sandoz in het verkeer gebrachte oxycodonformuleringen op die conclusies van het octrooi inbreuk maken. Gelet op hetgeen in het verzoekschrift onder 15 is aangevoerd is tevens voldoende aannemelijk dat uitstel ten gevolge van behandeling van de zaak op tegenspraak onherstelbare schade voor Mundipharma zal veroorzaken. Het verzoek zal gelet op het vorenstaande worden toegewezen en wel op de wijze zoals hierna is verwoord.

Lees het vonnis hier of hieronder.

IEF 8320

Functionaliteit

Jesse Hofhuis: Functionaliteit. ‘Ondanks een lange reeks uitspraken over de Tripp Trapp is nog steeds volstrekt onduidelijk wat de auteursrechtelijke beschermingsomvang van dit werk is. In een vonnis van 21 oktober paste Rechtbank Amsterdam weer een ander criterium toe dan de daaraan voorafgaande uitspraak – het arrest van 30 juni van Hof Den Haag. Na zo’n 100 jaar functionalisme én auteursrecht is nog steeds niet duidelijk in hoeverre een technische oplossing meeweegt bij de beschermingsomvang van een werk – terwijl dat van belang is voor de beschermingsomvang van elk werk van industrieel ontwerp.

(…) Om de laatste vier uitspraken over de Tripp Trapp te behandelen:

- De Rechtbank Den Haag oordeelde op 7 februari 2007 dat de technische kenmerken niet mee mogen wegen bij de vraag naar inbreuk: “Wat uitsluitend technisch bepaald is, wordt niet door het auteursrecht omvat”;

- De Rechtbank Haarlem oordeelde op 7 januari 2009 anders: “het feit dat een bepaald onderdeel een technische functie heeft, sluit op zichzelf niet uit dat het vatbaar is voor auteursrechtelijke bescherming”;

- Het Hof Den Haag vernietigde op 30 juni 2009 het vonnis van Rechtbank Den Haag en overwoog dat “van bescherming slechts is uitgesloten datgene wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch effect”; en

- De Rechtbank Amsterdam oordeelde op 21 oktober 2009 weer in tegenspraak met Hof Den Haag door te overwegen dat de elementen die te zeer worden bepaald door de gekozen techniek “als het ware dienen te worden weggedacht”.’

Lees de volledige column hier.

IEF 8319

Aanpassing Rijksoctrooiwet

Kamerstuk 32186-(R1901), nr. 2, 2e Kamer Wijziging van verschillende rijkswetten in verband met de verkrijging van de hoedanigheid van land binnen het Koninkrijk door Curaçao en Sint Maarten en de toetreding van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot het Nederlandse staatsbestel (Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen) (Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen).

Artikel 7.1 beoogt de Rijksoctrooiwet 1995 aan de nieuwe situatie aan te passen. Het gaat hier om strikt technische wijzigingen. Dus waar in de huidige rijkswet sprake is van “Nederlandse Antillen” zal dit worden vervangen door: Curaçao en Sint Maarten. Uitzondering hierop vormt het bepaalde in artikel 7.1, onderdelen F, G en H, waarbij kennelijke verschrijvingen worden rechtgezet.
 Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat enige artikelen als genoemd in de onderdelen C, E, I en K van artikel 7.1 een uitwerking zijn van met name het op 5 oktober 1973 te München tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Trb. 1975, 108 en 1976, 101) (ook bekend als Europees Octrooiverdrag). Dit betekent dat bijvoorbeeld de depositaris bij het Europees Verdrag tijdig zal worden bericht dat de toepassingssfeer van het verdrag naar aanleiding van de staatkundige hervorming dient te worden gewijzigd.

Lees alle voorgestelde wijzigingen hier (Voorstel van Rijkswet). Lees de MvT hier. Advies RvS hier.