Rechtbank veroordeelt Nolte c.s. tot verbod gebruik inbreukmakend merk in kort geding
Rechtbank Den Haag 5 februari 2019, IEF 18219; ECLI:NL:RBDHA:2019:930 (Arpa tegen Nolte c.s.). Merkenrecht. Arpa is een Italiaanse ontwerper en fabrikant van interieurmaterialen die onder meer worden gebruikt voor keukenbladen en keukenfronten. Arpa heeft o.a. het woordmerk FENIX en een daarbij behorend beeldmerk. Nolte c.s. is een internationale producent van keukens die onder de naam PHOENIX nieuw oppervlaktemateriaal heeft geïntroduceerd. In een kort geding vordert Arpa dat de rechtbank Den Haag Nolte c.s. verbiedt om de vermeende merkinbreuk voort te zetten. Nolte verweert zich door te stellen dat er geen sprake is van een gebruik van een merk, maar van een productaanduiding. De rechtbank oordeelt echter dat er wel degelijk sprake is van gebruik van een merk en overweegt vervolgens dat dit merk ook overeenstemt met het merk van Arpa, en aldus een inbreuk maakt op het merkenrecht van Arpa. Tot slot weegt de rechtbank de belangen van beide partijen af (enerzijds de aard van het kort geding en de ingrijpendheid van een veroordeling, anderzijds de te vrezen schade van Arpa als de inbreuk wordt voortgezet), en concludeert dat het gevorderde, een verbod voor de gehele Europese Unie, dient te worden toegewezen. Dit mede omdat Nolte c.s. bekend was met de merken van Arpa, en de schade zodoende over zichzelf heeft afgeroepen.
Merkenrecht. Auteursrecht. Transitgoederen. WFL oefent een expeditiebedrijf uit. Philip Morris produceert en verhandelt Marlboro-sigaretten. Philip Morris is houder van een aantal Gemeenschapsmerken en Internationale Beeldmerken en tevens auteursrechthebbende ten aanzien van ontwerpen van Marlboro sigarettenverpakkingen. Philip Morris verneemt van de douane dat een container met sigaretten geadresseerd aan WFL wordt vastgehouden op grond van een vermoeden van inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht en verzoekt WFL om in te stemmen met vernietiging van de inbreukmakende sigaretten. De vordering van WFL tot opheffing van het door Philip Morris gelegde conservatoire beslag wordt afgewezen. Naar voorlopig oordeel dient Philip Morris in beginsel de mogelijkheid te worden geboden om in een bodemprocedure te bewijzen dat de sigaretten waren bestemd voor de Nederlandse markt en, zo zij hierbij in het gelijk mocht worden gesteld, de sigaretten te doen vernietigen.
Zie eerder
Oude jurisprudentie, nu pas beschikbaar, zie eerder