DOSSIERS
Alle dossiers

Onrechtmatige publicaties  

IEF 12318

Verwijderen van diffamerende mededelingen van website en fora

Hof 's-Hertogenbosch 1 mei 2012, LJN BW5415 (Total Telecom Lux sarl tegen Medium Willem-Jomaphone B.V.)

Onrechtmatige publicatie. Aantasting goede naam op websites. Rectificatie.

Total c.s. legt aan haar vorderingen ten grondslag dat geïntimeerde op diverse internetwebsites, internetfora en middels e-mails mededelingen heeft gedaan waarbij zij de eer en goede naam van Total c.s. heeft aangetast. Total c.s. heeft Medium c.s. gesommeerd om ieder inbreuk makend handelen tegen Total c.s. te staken en gestaakt te houden, en de beledigende mededelingen te verwijderen en te rectificeren. Geïntimeerde heeft mededelingen gedaan op websites www.paragnostwillem.nl, www.astro-willem.nl, www.mediumwillem.nl, www.medium-willem.com en www.mediumwillem.com dat Total c.s. een erotisch baron, 'eroticaboer', 'pornoboer' en sexbaron is, er malafide praktijken op nahoudt, een oplichter en dief is en deel uitmaakt van een criminele of oplichtersbende. Medium c.s. weigert gevolg te geven aan de sommatie en weigert te rectificeren.

Naar het oordeel van het hof tasten de mededelingen de eer en goede naam van Total c.s. aan, hetgeen overigens door Medium c.s. ook niet wordt betwist. Wat betreft 'de ernst van de te verwachten gevolgen van de publicaties voor Total c.s.' geldt naar het oordeel van het hof dat - nu de mededelingen diffamerend tot ernstig diffamerend zijn - in beginsel kan worden verwacht dat  publicatie van de mededelingen tamelijk ernstige gevolgen voor Total c.s. zou kunnen hebben, met name imagoschade.

Het bestreden vonnis van de rechtbank Maastricht wordt vernietigd. Het hof gebiedt binnen zeven dagen alle beweringen op websites www.paragnostwillem.nl, www.astro-willem.nl, www.mediumwillem.nl, www.medium-willem.com en www.mediumwillem.com, die inhouden dat Total c.s. er malafide praktijken op nahoudt en een dief en oplichter is en deel uitmaakt van een criminele of oplichtersbende, van deze websites te verwijderen. Daarnaast wordt een rectificatie voor de duur van twee maanden geboden onder last van een dwangsom.

4.13. Bij beantwoording van de vraag of Medium c.s. onrechtmatig handelt door thans te weigeren de mededelingen te verwijderen en te rectificeren, geldt dat het in deze zaak gaat om de botsing van twee fundamentele rechten namelijk aan de zijde van Medium c.s. haar recht op vrijheid van meningsuiting en aan de zijde van Total c.s. haar recht op bescherming van haar eer en goede naam. Het antwoord op de vraag welk van beide rechten in het onderhavige geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Tot deze omstandigheden behoren onder meer enerzijds de aard van de publicatie en de ernst van de te verwachten gevolgen hiervan voor Total c.s. en anderzijds het belang van Medium c.s. bij (handhaving van) haar mededelingen, de mate waarin de mededelingen op dit moment steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal, de inkleding van de feiten, en de zorgvuldigheid die van Medium c.s. mag worden verwacht.
4.14. Wat betreft ' de aard van de publicatie' en 'de inkleding van de feiten' geldt dat de aanduidingen dat Total c.s. een erotisch baron, 'eroticaboer', 'pornoboer' en sexbaron zou zijn, worden gebruikt om aan te geven dat Total c.s. niet geschikt is als astroloog, zodat zij in zoverre diffamerend zijn.
De mededelingen dat Total c.s. er malafide praktijken op nahoudt zijn vrij ernstig diffamerend, en de mededelingen dat Total c.s. een oplichter en dief is en deel uitmaakt van een criminele of oplichtersbende zijn ernstig diffamerend.

4.15. Wat betreft 'de ernst van de te verwachten gevolgen van (handhaving van) de publicaties voor Total c.s.' geldt naar het oordeel van het hof dat - nu de mededelingen diffamerend tot ernstig diffamerend zijn - Medium c.s. in beginsel kan verwachten dat (handhaving van) publicatie van de mededelingen tamelijk ernstige gevolgen voor Total c.s. zou kunnen hebben, met name imagoschade. Total c.s. is thans (mede) werkzaam in de spirituele consultancy en wordt door de mededelingen neergezet als iemand die hiervoor niet de geschikte achtergrond heeft.

Op andere blogs:
DomJur 

IEF 12313

Kritiek op het UWV mag, bedreigen of beledigen niet

Vzr. Rechtbank Zutphen 21 november 2012, LJN BY3603 (UWV tegen gedaagde)

Als randvermelding. Onrechtmatige publicaties. Heimelijke opnamen en vermelden namen van UWV-medewerkers op website. Bedreigingen via social media.

Klant van het UWV mag medewerk(st)ers van het UWV niet bedreigen en beledigen. Gedaagde, klant van het UWV, heeft kritiek op het UWV. Gedaagde verstuurt e-mails aan het UWV. Daarin komen beledigingen en bedreigingen voor. Het is gedaagde toegestaan kritiek te hebben op het werk van het UWV. Zolang als gedaagde in haar contacten met medewerk(st) ers van het UWV zakelijk en correct blijft, is er geen probleem. Door medewerk(st)ers van het UWV te beledigen en te bedreigen overschrijdt gedaagde de grenzen van betamelijkheid. Gedaagde heeft haar ervaringen gepubliceerd op een website, inclusief -heimelijke- geluidsopnamen van een telefoongesprek, namen van medewerkers en documenten waarin namen zijn vermeld.

Beslissend is hoe de inhoud van de e-mail overkomt bij de persoon tot wie deze is gericht en dat is zonder meer bedreigend. De voorzieningenrechter verbiedt gedaagde -op straffe van een dwangsom- in haar communicatie gericht aan het UWV beledigingen of bedreigingen op te nemen en gebiedt gedaagde om een tweet met beledigende inhoud te verwijderen.

2.8.  [gedaagde] publiceert op de website [website 1] (waarnaar haar domeinnaam w[website 2] doorlinkt) over haar ervaringen met het UWV. Op het openbare gedeelte van de website is een -heimelijke- geluidsopname gepubliceerd van een telefoongesprek dat [gedaagde] met een medewerker van het UWV, [naam 3], heeft gevoerd. Op de website worden individuele medewerkers van het UWV met naam genoemd en worden documenten gepubliceerd waarin hun namen staan vermeld.

2.9.  [gedaagde] twittert regelmatig op haar account “[account]” over het UWV en sinds kort ook over individuele werknemers van het UWV, bijvoorbeeld “Net [naam 4] van UWV aan de lijn. Zelden zo’n gebrek aan ruggegraad meegemaakt. Hij krijgt een aparte pagina op mijn nieuwe website”.

4.3.  Bij de beoordeling van de vorderingen van het UWV wordt vooropgesteld dat het [gedaagde] is toegestaan kritiek te hebben op het werk van het UWV en daarover te publiceren. Dit valt onder de vrijheid van meningsuiting. Zolang als [gedaagde] in haar contacten met medewerk(st) ers van het UWV zakelijk en correct blijft, is er geen probleem. Anders wordt het evenwel indien medewerk(st)ers van het UWV door [gedaagde] worden beledigd en bedreigd, zoals uit door UWV overgelegde en geciteerde e-mails, waarvan de inhoud niet is betwist, blijkt. [gedaagde] heeft ter zitting erkend dat het haar bedoeling is om de betreffende medewerkers te beledigen. Met betrekking tot de hiervoor onder 2.6 vermelde e-mail ontbreekt iedere feitelijke onderbouwing voor de juistheid van de daarin geuite suggestie als zou de betreffende medewerker zich aan seksueel misbruik van zijn kinderen schuldig maken. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat evengemelde e-mail niet bedreigend is bedoeld. [gedaagde] heeft ter zitting aan de voorzieningenrechter gevraagd: “Ziet u mij dit doen?”, maar dit alles doet niet ter zake. Beslissend is hoe de inhoud van de e-mail overkomt bij de persoon tot wie deze is gericht en dat is zonder meer bedreigend.

Op andere blogs:
DomJur 2013-925

IEF 12312

Een LinkedIn-profiel is een persoonlijk profiel

Rechtbank Oost-Nederland, locatie Almelo 22 januari 2013, LJN BZ0324 (Privatescan B.V. tegen Prescan B.V.)

Executievonnis. LinkedIn-profiel is persoonlijke profiel. Door maatman-consument te googelen profielpagina. Overtreding verbod van ondergeschikte aard. Verbod op executie van dwangsommen en opheffing executoriaal (derden)beslag.

In het eindvonnis (IEF 11704) is onder meer bevolen om de mededeling ‘Privatescan is marktleider’ te staken en gestaakt te houden, onder last van een dwangsom. In elk geval van 25 oktober 2012 tot en met 19 november 2012 stond er op het LinkedIn-profiel van eiser sub 1: ‘Privatescan is marktleider’.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het LinkedIn profiel een persoonlijk profiel van eiser is omdat allereerst de naam en foto van zijn gezicht is opgenomen. De maatman-consument zal niet worden beïnvloed door een mededeling op een LinkedIn-profiel. Het LinkedIn-profiel is te benaderen door 'Privatescan' te googelen en dus is het vonnis overtreden. Het is veel waarschijnlijker dat de maatman-consument op andere sites zal kijken, indien hij informatie over Privatescan dan wel Prescan zoekt, dan dat hij op het persoonlijke LinkedIn profiel van de directeur van Privatescan kijkt. De voorzieningenrechter is in dit geval van oordeel dat de overtreding van ondergeschikte aard is, waardoor geen dwangsommen zijn verbeurd.

De voorzieningenrechter verbiedt Prescan de executie van de dwangsommen op basis van het vonnis te staken en gestaakt te houden voor zover deze executie van de dwangsommen betrekking heeft op de zin ‘Privatescan is marktleider’, zoals deze is geplaatst op LinkedIn vanaf de betekening van het bestreden vonnis tot het moment dat deze zin van LinkedIn is verwijderd en heft de gelegde executoriale (derden)beslagen en executoriale aandelenbeslagen op.

4.3.  De voorzieningenrechter is van oordeel dat het LinkedIn profiel een persoonlijk profiel van [eiser sub 1] is en overweegt daartoe als volgt. Bovenaan het LinkedIn profiel is allereerst de naam van [eiser sub 1] opgenomen, met daarnaast een foto van zijn gezicht. Onder de naam van [eiser sub 1] staat vermeld dat hij ‘owner’ van Privatescan is. LinkedIn is een online sociaal netwerk dat de deelnemers in de gelegenheid stelt gebruik te maken van elkaars zakelijke netwerk. Het idee achter LinkedIn is juist dat het persoonlijk profiel wordt gebruikt voor zakelijke en carrièregerichte doeleinden. Dat het LinkedIn profiel van [eiser sub 1] kennelijk voornamelijk wordt gebruikt voor zakelijke doeleinden met betrekking tot zijn bedrijf Privatescan (zoals diverse polls en een beschrijving van Privatescan), maakt niet dat dit profiel daardoor van Privatescan is. LinkedIn biedt namelijk aan bedrijven de mogelijkheid om een eigen zakelijk profiel aan te maken. Ook Privatescan heeft zo’n zakelijk profiel, zo blijkt uit productie 9 bij de conclusie van antwoord. Dat een aantal medewerkers van Privatescan toegang heeft tot het profiel van [eiser sub 1] en het account betaald wordt door Privatescan, doet aan het voorgaande niet af. Het is het persoonlijke profiel van [eiser sub 1], dat hij gebruikt voor zakelijke doeleinden door onder meer Privatescan te promoten.

4.9.  [Eiser sub 1 c.s.] heeft aangevoerd dat de maatman-consument niet zal worden beïnvloed door een mededeling op een LinkedIn profiel, omdat een LinkedIn profiel, anders dan veel andere websites, niet voor het informeren van consumenten wordt gebruikt. Bovendien voert [eiser sub 1 c.s.] aan dat bij LinkedIn eerst door de gebruiker van een profiel eerst toegang tot dat profiel moet zijn verleend, voordat de consument toegang heeft tot informatie op dat profiel. Prescan heeft de stellingen van [eiser sub 1 c.s.] weersproken.

4.10.  De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Een LinkedIn profiel kan ook bezocht worden door personen die niet in het bezit zijn van een eigen LinkedIn profiel of die niet ingelogd zijn op hun profiel, afhankelijk van de instellingen van het LinkedIn profiel wat zij willen bekijken. De instellingen van het LinkedIn profiel van [eiser sub 1] waren ten tijde van de zitting dusdanig, dat het profiel ook voor mensen zonder LinkedIn profiel toegankelijk was, bijvoorbeeld via google. Dat betekent dat ook de ‘maatman-consument’ op het profiel van [eiser sub 1] terecht kon komen, bijvoorbeeld door ‘Privatescan’ te googelen. Zo bezien heeft [eiser sub 1] het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage dus overtreden. De vraag die de voorzieningenrechter echter dient te beantwoorden is of deze overtreding, met inachtneming van de eisen van redelijkheid en billijkheid, voldoende ernstig is om te rechtvaardigen dat daardoor dwangsommen zijn verbeurd.

4.12.   De voorzieningenrechter is in dit geval van oordeel dat de overtreding van ondergeschikte aard is, waardoor geen dwangsommen zijn verbeurd en heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen. De rechtbank ‘s-Gravenhage heeft de veroordeling uitgesproken naar aanleiding van artikelen die te vinden waren op de De Standaard Online (een Belgische website) en op Medical Facts (een Nederlandse website), waarin stond vermeldt dat Privatescan marktleider was. Het is veel waarschijnlijker dat de maatman-consument op dergelijke sites zal kijken, indien hij informatie over Privatescan dan wel Prescan zoekt, dan dat hij op het persoonlijke LinkedIn profiel van de directeur van Privatescan kijkt. De maatman-consument zal op zoek gaan naar reviews van andere consumenten, (nieuws)artikelen of vergelijkingen van Privatescan en Prescan. [Eiser sub 1] heeft bovendien – onbetwist – aangevoerd dat er sinds het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage (vrijwel) geen consumenten op zijn LinkedIn profiel hebben gekeken, maar dat het profiel voornamelijk is bezocht door Prescan en door de deurwaarder die door Prescan is ingeschakeld. Nadat Prescan [eiser sub 1 c.s.] op de hoogte stelde van de zinsnede op het LinkedIn profiel, heeft [eiser sub 1 c.s]. de zinsnede bovendien direct verwijderd.

4.13.  Hoewel het plaatsen van de zinsnede ‘Privatescan is marktleider’ dus valt binnen het doel van de veroordeling in het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, is de overtreding van zodanige ondergeschikte betekenis dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter door de overtreding geen dwangsommen zijn verbeurd.

Op andere blogs:
Ius Mentis (Een uitingsverbod geldt ook voor de LinkedIn van de directeur)
MediaReport (Linkedinprofiel is een persoonlijk profiel voor zakelijke doeleinden)

IEF 12309

Oproep aan medegedupeerden niet onrechtmatig

Rechtbank 's-Hertogenbosch 28 november 2012, LJN BY4334 (Hapé Investment consultants Nederland B.V. tegen gedaagde)

Vrijheid van meningsuiting. Oproep op internet. "Tros Opgelicht". Medegedupeerden. Onrechtmatige daad.

Gedaagde heeft begin 2011 op het internetforum van “Tros Opgelicht!” een oproep geplaatst waarin gedaagde op zoek is naar medegedupeerden van onder andere; Arasbridge, Kindi Consultants, waaronder ook  "Hapé Investments Consultants Nederland B.V.". Hapé is beleggingsadviseur.

Ter discussie staat de vraag of de mededelingen door gedaagde, de jegens Hapé in acht te nemen grenzen van de vrijheid van meningsuiting heeft overschreden. Hierbij speelt onder andere mee de vorm en aard van de mededelingen, de juistheid ervan en het belang wat daarmee is gediend. Aangezien het hier een standaardtekst betrof betekent dat de term “gedupeerden” niet uitsluitend en in het bijzonder tegen of in verband met Hapé werd gebruikt, hetgeen de willekeurige bezoeker van de site destijds met enig “surfen” tussen de diverse andere oproepen op die site had kunnen constateren. De rechtbank acht de grenzen van de vrijheid van meningsuiting niet overschreden. Ook van een onrechtmatige daad is geen sprake. Gedaagde heeft een rechtvaardig belang bij het inwinnen van informatie. De rechtbank wijst de vordering af. Hapé zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.2.  Aan de orde is daarmee de vraag of de mededelingen, in feite oproepen van [gedaagde] aan medegedupeerden om zich te melden via de site, de jegens Hapé in acht te nemen grenzen van de vrijheid van meningsuiting hebben overschreden. Daarbij speelt onder andere mee de vorm en aard van de mededelingen, de juistheid er van en het belang wat daarmee is gediend.
4.3. (...) Aangezien het hier een standaardtekst betrof kan hieruit de conclusie worden getrokken dat de term “gedupeerden” niet uitsluitend en in het bijzonder tegen of in verband met Hapé werd gebruikt, hetgeen de willekeurige bezoeker van de site destijds met enig “surfen” tussen de diverse andere oproepen op die site had kunnen constateren.
4.4. (...) Om daarbij helder te krijgen dat het om die categorie van personen/dat doel gaat, is het gebruik van het woord “gedupeerde” niet onlogisch of persé overtrokken. Dit geldt te meer omdat [gedaagde] bij deze oproepen niet nader heeft aangegeven en volledig in het midden heeft gelaten welk “duperen” er aan de orde zou kunnen zijn.
4.5. Voor wat betreft de juistheid van de mededeling kan, gelet op het in 4.3 en 4.4. beschrevene, de onrechtmatigheidstoets beperkt blijven of niet ten onrechte diverse namen met elkaar in verband worden gebracht, en dit in (onnodig) ongunstige zin. (...)

4.5. (...) De rechtbank is van oordeel dat het niet vreemd te noemen is dat deelnemende beleggers zich (tenminste) ongemakkelijk gaan voelen als een beleggingfonds - zoals hier onbetwist vaststaat - enige jaren “op slot” gaat wegens aangevoerde administratieve problemen. Dat zij dan nadere informatie gaan zoeken, via lotgenoten of via adviseurs ligt voor de hand. Het belang daarbij is natuurlijk te weten of men rustig en in goed vertrouwen de ontwikkelingen bij het fonds dient af te wachten of dat er sprake is van calamiteiten, al dan niet bestaande uit fraude, op grond waarvan het nemen van maatregelen moet worden overwogen. Dit is een rechtmatig belang bij het inwinnen van die informatie.

4.6.  Concluderend is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] de jegens Hapé in acht te nemen grenzen van de vrijheid van meningsuiting niet heeft overschreden. Van een onrechtmatige daad in dier voege jegens Hapé is dan ook geen sprake. Dat brengt mee dat het onderzoek naar eventueel door Hapé hierdoor geleden schade, als verder niet meer relevant, achterwege kan blijven. De vorderingen van Hapé zullen worden afgewezen.
IEF 12193

Beveiligingslekken van randapparatuur en de verkregen bestandsgegevens

Vzr. Rechtbank Amsterdam 6 december 2012, zaaknr. 531461 / KG ZA 12-1663 MvW/JWR (Orange Business NL B.V. tegen KRO)

Uitspraak ingezonden door Jens van den Brink, Kennedy Van der Laan.

Bedrijfsgevoelige informatie. Beveiligingslekken. Europolbestandsnamen. Orange is aanbieder van IT- en telecommunicatiediensten en KRO is een publiek omroep die voornemens is in de uitzending van KRO Reporter aandacht te besteden aan de manier waarop via randapparatuur, waaronder externe harde schijven, toegang kan worden verkregen tot heimelijke informatie.

Orange stelt dat de vertrouwelijke aard van de informatie en het belang van Orange (en haar klanten) groter is dan het belang van KRO bij openbaarmaking hiervan. Ook doet ze een beroep op portretrecht en privacybescherming. KRO heeft geen wachtwoord gekraakt, zoals bedoeld in artikel 138a Sr en door Orange gesteld, wel zijn bedrijfsgevoelige en vertrouwelijke gegevens van Orange(-klanten) in haar bezit geweest en deze zal ná de uitzending worden vernietigd. KRO zal niet dan wel zeer beperkt ingaan op de inhoud van de gevonden informatie, omdat de uitzending in het teken staat van gebrekkige veiligheid van randappatuur van computers, Orange is ook in de gelegenheid gesteld te reageren op de bevindingen. KRO verklaard geen materiaal uit te zenden waarop de medewerker van Orange is te zien.

De voorzieningenrechter acht een deel van de vorderingen toewijsbaar: de bestandsnamen van Europol moeten onleesbaar in beeld worden gebracht. Het wordt verboden de bestandsgegevens te gebruiken, kopiëren aan derden ter beschikking te stellen of openbaar te maken. De naam van Orange mag wel worden genoemd en de namen van enkele klanten van haar, waaronder Europol, eveneens. Onder last van een dwangsom van €50.000 per keer met een maximum van €500.000.

IEF 12184

"In mijn visie" is een uiterst lichte relativering

Vzr. Rechtbank Breda 6 december 2012, LJN BY6172 ("In mijn visie")

Als randvermelding. Onrechtmatige uitlatingen. Geen rectificatie; eiser kan dit vonnis aan bestuur van NVM zenden.

Eiser en gedaagde hebben een samenwerkingsverband op het gebied van makelaarsactiviteiten; de ontvlechting is uitgesproken; eiser is voorzitter van de vakgroep Business Onroerend Goed binnen de NVM.

Bij e-mailbericht bericht gedaagde het hoofdbestuur van de NVM als volgt:  “Zoals u zo mogelijk bekend heb ik met de heer [eiser], thans voorzitter vakgroep BOG, vele jaren tezamen een onderneming gehad. Aan het eind van de onderneming heeft de heer [eiser] zich, in mijn visie, onder andere schuldig gemaakt aan oplichting en paulianeus handelen. Mede door toedoen van de heer [eiser] zijn onze gezamenlijke ondernemingen in april en mei 2009 gefailleerd."

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de beperking “in mijn visie” een uiterst lichte relativering die niet of nauwelijks afbreuk doet aan de ernst van het verwijt oplichting en paulianeus handelen.

De voorzieningenrechter
4.1. verbiedt gedaagde in privé en handelend namens de aan hem gelieerde ondernemingen en/of de door hem gecontroleerde vennootschappen, om jegens derden uitlatingen te doen met de strekking of inhoud dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting en/of paulianeus handelen, al dan niet met een toevoeging “in mijn visie”;

3.7. De gevorderde rectificatie acht de voorzieningenrechter niet noodzakelijk, omdat [eiser] dit vonnis kan toezenden aan het bestuur van de NVM.

3.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de beperking “in mijn visie” een
uiterst lichte relativering die niet of nauwelijks afbreuk doet aan de ernst van het verwijt oplichting en paulianeus handelen. Er is door [gedaagde] geen algemeen belang aangevoerd voor het geven van de kwalificaties “oplichting” en “paulianeus handelen”. De relevantie van deze kwalificaties voor de vraagstelling zoals weergegeven in de laatste alinea van het
e-mailbericht ontbreekt. Met andere woorden, de diffamerende woorden oplichting en paulianeus handelen zijn niet functioneel en worden niet gedragen door meer dan een particulier belang van [gedaagde].
IEF 12149

Interne gevoelens kunnen iemand niet opgelegd worden

Ktr. Rechtbank Breda 6 december 2012, LJN BY6447 ('broodfokker')

Onrechtmatige publicaties. Internetterreur. Het recht op vrijheid van meningsuiting versus het recht op bescherming van eer en goede naam. Wetsverwijzing BW 6:162; EVRM 10, 8. Geen rectificatie.

Via marktplaats.nl, cavalierpage.com en facebook en twitter heeft gedaagde berichten geplaatst over een kennel die aan Broodfok doet (vóór de leeftijd van 16 maanden een hond laten dekken). Het begrip ‘broodfokker’, hetgeen de voornaamste belediging inhoudt, is naar algemeen aanvaarde maatstaven een negatief begrip.

Gedaagde betwist niet dat de uitlatingen enkel zijn gedaan op  basis van vermoedens en deze niet op feiten berusten. Daarmee zijn de uitlatingen onrechtmatig. Dit geldt te meer nu het gekozen medium, internet, een grote impact heeft daar informatie hierop wijd verspreid kan worden en het eenvoudig en voor veel mensen bereikbaar is.

De vordering tot rectificatie wordt afgewezen. Oprechte excuses aanbieden en vermelding dat eisers het beste voor hebben met de honden en dit ook altijd hebben gehad, is het opleggen van interne gevoelens. Interne gevoelens kunnen iemand niet opgelegd worden. De kantonrechter gebiedt gedaagde gedurende een half jaar geen uitlatingen jegens eisers (meer) te doen waarbij het woord ‘broodfokker’ wordt gebruikt of woorden van gelijke strekking.

 


3.11 Nu [gedaagde] niet betwist dat zij de gestelde uitlatingen gedaan heeft enkel op basis van vermoedens en deze uitlatingen derhalve niet op feiten berusten, en de kantonrechter onder 3.10 reeds overwogen heeft dat de uitlatingen suggestief en grievend zijn, betekent dit dat [gedaagde] met de door haar geplaatste uitlatingen en publicaties onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres 1] en [eiser 3]. Dit geldt te meer nu het gekozen medium, internet, een grote impact heeft daar informatie hierop wijd verspreid kan worden en het eenvoudig en voor veel mensen bereikbaar is. Hieruit volgt dat het recht van [eiseres 1] en [eiser 3] op bescherming van haar eer en goede naam dient te prevaleren boven het recht van [gedaagde] op de vrijheid van meningsuiting. De kantonrechter begrijpt dat het doel van [gedaagde] was een mogelijke misstand waarover zij zich zorgen maakte, te weten het in een te vroeg stadium fokken met [Y], aan de kaak te stellen. Deze omstandigheid brengt echter geen rechtvaardiging mee nu een gegronde feitelijke onderbouwing van deze mogelijke misstand ontbreekt.

3.12 Ten aanzien van de vordering onder I is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] niet tot deze rectificatie gehouden kan worden. De rectificatie houdt in dat [gedaagde] haar oprechte excuses moet aanbieden en dat zij moet rectificeren dat ‘[eisers]. het beste voor hebben met de honden en dit ook altijd hebben gehad’. Het gaat hier om interne gevoelens. Interne gevoelens kunnen iemand niet opgelegd worden. De rechter kan namelijk niet bevelen dat iemand zijn (onrechtmatige) mening verandert. Daarnaast ligt het niet in de macht van [gedaagde] om uitvoering te geven aan de vordering, nu zij onder andere geen beheerder van de genoemde websites is. De vordering zal daarom worden afgewezen.

3.14 Ten aanzien van de vordering onder IV gebiedt de kantonrechter [gedaagde] gedurende een half jaar, geen uitlatingen jegens [eiseres 1] en [eiser 3] (meer) te doen waarbij het woord ‘broodfokker’ wordt gebruikt of woorden van gelijke strekking.
IEF 12142

De ongebreide procedeerlust van Pretium

Rechtbank 's-Gravenhage 12 december 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6985 (Pretium tegen VARA)

Uitspraak ingezonden door Peter Kok en Bas Le Poole, Houthoff Buruma.

Als randvermelding. Onrechtmatige publicaties. Onderwerp van de procedure zijn twee artikelen die in het Kassa Magazine zijn verschenen.

Centraal in deze zaak staat het artikel "Aan de bel". Dit artikel is onmiskenbaar kritisch over Pretium. De teneur ervan is dat er vele klachten van consumenten over de telefonische wervingsmethode van Pretium binnenkomen, maar dat Pretium het, door zijn ongebreide procedeerlust [zie hier], het de media - waaronder het programma Kassa - moeilijk maakt om over deze klachten te berichten. Op zichzelf is juist dat een dergelijk artikel de goede naam van Pretium aantast en daarmee schade toebrengt aan Pretium.

Aan de orde is daarmee de botsing tussen het recht op vrijheid van meningsuiting van de Vara c.s., en het recht op eerbiediging van de goede naam van Pretium. De vorderingen van Pretium worden afgewezen. De rechtbank gaat er van uit dat de Vara CS. daarmee ook hun standpunt dat een volledige proceskostenveroordeling moet volgen hebben laten varen; de aangekondigde specificatie van de (volledige) proceskosten is uitgebleven. De rechtbank gaat uit van het liquidatietarief.

2.8. In het decembernummer 2008 van het blad Kassa Magazine heeft Veenstra als Kassa-eindredacteur, in de rubriek "Consumentennieuws" een zelfgeschreven artikel gepubliceerd met als titel "Aan de bel". De aanhef van dit artikel (in groot lettertype) luidt voor zover relevant als volgt:

"Klachten of kritische stukken over telecombedrijf Pretium kunnen je zomaar op een fax van een van hun advocaten komen te staan, merkten De Telegraaf/KPN, de Ombudsman, De Gooi- en Eemlander, MAX, Radar, de Consumentenautoriteit - wat is er aan de hand met die firma? Renzo Veenstra, als Kassa-eindredacteur ervaringsdeskundig, legt uit"

2.11. Naar aanleiding van deze uitspraak van het hof is in het maart-nummer van 2010 van Kassa Magazine een tweede artikel van Veenstra verschenen, onder de titel "De praktijken van Pretium (2)". In dat artikel is beschreven dat de Vara c.s. het door Pretium aanhangig gemaakte kort geding bij de rechtbank verloren, maar dat de Vara c.s. bij het hof alsnog gelijk kregen in het arrest van 12 januari 2010.

2.12. Pretium heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 12 januari 2010. Bij arrest van 16 december 2011 heeft de Hoge Raad de klachten van Pretium met toepassing van artikel 81 RO verworpen.

4.1. Centraal in deze zaak staat het artikel "Aan de bel". Dit artikel is onmiskenbaar kritisch over Pretium. De teneur ervan is dat er vele klachten van consumenten over de telefonische wervingsmethode van Pretium binnenkomen, maar dat Pretium het, door zijn ongebreide procedeerlust, het de media - waaronder het programma Kassa - moeilijk maakt om over deze klachten te berichten. Op zichzelf is juist dat een dergelijk artikel de goede naam van Pretium aantast en daarmee schade toebrengt aan Pretium.

[…tussenkoppen…]
Omschrijving van rechterlijke uitspraken in "Aan de bel" onrechtmatig?
Heeft Veenstra ten onrechte bericht dat er een grote hoeveelheid klachten over Pretium bestaat?
Veenstra suggereert in het artikel ten onrechte dat de eigenaar van een website met negatieve content over Pretium zijn content slechts onder advocatendruk heeft gewist
Veenstra beweert in het artikel ten onrechte dat Pretium tracht Kamervragen in de doofpot te (doen) stoppen
Veenstra had Pretium in de gelegenheid moeten stellen om op de in het artikel "Aan de hel" geuite beschuldigingen te reageren.
[…tussenkoppen…]

4.35. Het bovenstaande brengt mee dat de vorderingen van Pretium worden afgewezen Pretium zal als de m het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het gedmg. De Vara c.s. hebben aanvankelijk betoogt dat Pretium met de onderhavige procedure misbruik van procesrecht maakte. De Vara c.s. heeft dit standpunt bij gelegenheid van de compantie van 28 maart 2011 laten varen. De rechtbank gaat er van uit dat de Vara CS. daannee ook hun standpunt dat een volledige proceskostenveroordeling moet volgen hebben laten varen; de aangekondigde specificatie van de (volledige) proceskosten is uitgebleven. De rechtbank gaat daarom uit van het liquidatietarief De kosten aan de zijde van de Vara c.s. worden confonn dat tarief begroot op € 263,= aan griffierecht en € 2.486 = aan salaris advocaat (5 Vt punten x het toepasselijke tarief van € 452,=). De gevorderde wettelijke rente over de kosten kan - als onbestieden - worden toegewezen als gevorderd.

Op andere blogs:
Charlotteslaw.nl (Vrijheid van meningsuiting vs. eer en goede naam)
MediaReport (Artikel in Kassa Magazine ook in bodemprocedure niet onrechtmatig jegens Pretium)

IEF 12109

Geen beslissing over fundamentele vormen van vrijheid van meningsuiting in kort geding

Vzr. Rechtbank Breda 29 november 2012, LJN BY5493 (DAHABSHIIL TRANSFER SERVICES LIMITED tegen STICHTING ASSOCIATED SOMALI JOURNALISTS)

Rechtspraak.nl: In deze zaak gaat het over een groot aantal publicaties op internet, waarvoor gedaagde, respectievelijk Stichting ASOJ, journalistieke verantwoordelijkheid erkent. In de publicaties wordt Dahabshiil beschuldigd van banden met terrorisme, het aanzetten tot moord en het aanzetten tot het plegen van strafbare feiten. De publicaties betreffen onderwerpen van belang voor het publieke debat in en over Somalië: terrorismebestrijding, veiligheid, opheldering van belangenposities en beëindiging van geweld in Somalië. Nu het hier gaat om fundamentele vormen van vrijheid van meningsuiting is grote terughoudendheid op zijn plaats om beslissingen te baseren op een summiere behandeling in kort geding.

 

4.1. In deze zaak gaat het over een groot aantal publicaties op internet, waarvoor [gedaagde 1], respectievelijk Stichting ASOJ, journalistieke verantwoordelijkheid erkent.

De publicaties betreffen onderwerpen van belang voor het publieke debat in en over Somalië : terrorismebestrijding, veiligheid, opheldering van belangenposities en beëindiging van geweld in Somalië. In het bijzonder gaat het om beschuldigingen aan Dahabshiil van terrorisme, aanzetten tot moord en aanzetten tot andere strafbare feiten. Dit zijn zeer ernstige beschuldigingen, die buitengewoon diffamerend zijn. Echter, het gaat dus ook om uitlatingen die vallen onder de meest essentiële vorm van vrijheid van meningsuiting en waarop een beperking niet snel gerechtvaardigd is in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM.


4.2. [gedaagde 1] verdedigt de juistheid en voldoende gegrondheid van deze berichtgeving. Dahabshiil betwist deze. Dahabshiil stelt dat [gedaagde 1] zijn stellingen moet bewijzen en dat hij dit niet doet en niet kan. [gedaagde 1] stelt dat het kort geding zich niet leent voor dit debat. Beide partijen stellen een veelheid van feiten en leggen elk vele schriftelijke stukken over ter verdediging van hun respectieve standpunten.

4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het kort geding zich niet leent voor de beoordeling van de verweten publicaties. Aangezien het hier gaat om fundamentele vormen van vrijheid van meningsuiting is grote terughoudendheid op zijn plaats om beslissingen te baseren op een summiere behandeling in kort geding.

Voor de zorgvuldige beoordeling van de zaak is bewijsvoering nodig, waarvoor dit kort geding zich niet leent. Daar komt bij dat het voor een groot deel gaat om publicaties die al in 2009, 2010 en 2011 zijn geplaatst, zodat een bodemprocedure daarover reeds lang had kunnen zijn gestart. Het is juist dat in dit kort geding is gebleken dat [gedaagde 1] in het eerdere kort geding opzettelijk in strijd met de waarheid heeft ontkend verantwoordelijk te zijn voor een groot aantal publicaties. Dat verweer hoefde Dahabshiil echter niet ervan te weerhouden de bodemprocedure te beginnen en die ontkenning daarin te weerleggen. Hoezeer zijn genoemde onwaarachtigheid de geloofwaardigheid van [gedaagde 1] in algemene zin ook schaadt, het is niet voldoende om zonder verder onderzoek zijn verweer ten aanzien van de inhoud van de berichtgeving in alle opzichten ongeloofwaardig te oordelen.

Tenslotte weegt mee dat blijkens een door Dahabshiil zelf overgelegd rapport de Somalische journalistiek geen enkel gezag geniet. Dit relativeert het spoedeisend belang bij een correctie.

IEF 12102

Gewraakt artikel van Quote is drie jaar niet opvraagbaar geweest

Vzr. Rechtbank Amsterdam 6 december 2012, LJN BZ0554 (Hearst Magazines Netherlands tegen Bouwhuis)

Uitspraak ingezonden door Christiaan Alberdingk Thijm, SOLV.

Executievonnis. Gewraakt (onrechtmatig) artikel drie jaar niet opvraagbaar geweest. Technische fout. Relatief korte duur. Beperkte kring van personen. Van een (journalistiek) medium kan niet worden verlangd dat zij gepubliceerde artikelen - ook al zijn die door een rechter onrechtmatig bevonden - voor altijd uit haar archieven wist.

Quote is in een kort geding uit 2009 bevolen tot het gestaakt houden van de publicatie met twee titels "Hans Wiegel betrokken bij vastgoedfraude van Bouwstate" en "Hans Wiegel betrokken bij dubieuze praktijken Bouwstate". Tevens is rectificatie op quotenet.nl bevolen. Nu blijkt in november 2012 dat na het invoeren van zoektermen "Johan Bouwhuis" of "Wiegel" op de site dat het artikel "Update: Hans Wiegel betrokken bij dubieuze praktijken Bouwstate" verschijnt.

Recentelijk is opnieuw aandacht besteed aan Bouwhuis, vanwege nieuwe ontwikkelingen. Het aantal opvragingen van het artikel op 20, 21, 22 en 23 november is respectievelijk 9, 37, 2 en 7 keer. Dat het (oude) artikel tijdelijk opvraagbaar is geweest, komt door een technische fout. Op 4 november 2012 heeft Quote haar nieuwe website gelanceerd en de oude artikelen zijn vervolgens in delen overgezet naar het archief, een instelling bij het gewraakte artikel is verloren gegaan. Op die dag heeft de zoekmachine Google het in haar cache opgeslagen.

Als van een artikel (op eenvoudige wijze) kennis genomen kan worden, zijn er dwangsommen verbeurd. Echter van een (journalistiek) medium kan niet worden verlangd dat zij artikelen voor altijd uit haar archieven wist, waardoor die artikelen ook niet meer voor intern gebruik toegankelijk zouden zijn. Het door de voorzieningenrechter gehanteerde uitgangspunt dat sprake is geweest van een technische fout, waardoor het artikel korte tijd weer opvraagbaar is geweest, leidt tot de conclusie dat geen sprake is geweest van enig bewust of actief handelen van Quote gericht op het overtreden van het bevel uit het vonnis. Bij het lanceren van haar nieuwe website heeft Quote niet moeten controleren of het artikel weer opvraagbaar was. Voor een dergelijke controle bestond, zeker drie jaar na dato, voor Quote geen aanleiding. Er zijn in dit geval geen dwangsommen verbeurd.

In interessante overweging:

4.6. Vervolgens zal worden beoordeeld (...) of Quote met de handelingen die zij al dan niet heeft verricht ter uitvoering van het vonnis van 5 november 2009 dwangsommen heeft verbeurd. Bij deze beoordeling is het van belang dat Quote aanvankelijk (in november 2009) te goeder trouw uitvoering heeft gegeven aan het vonnis. Het artikel is vervolgens drie jaar niet opvraagbaar geweest via de website van Quote. Voorshands heeft Quote voldoende aannemelijk gemaakt dat het artikel in november 2012 enige tijd opvraagbaar is geweest als gevolg van een technische fout. Bovendien is aannemelijk dat die opvraagbaarheid van relatief korte duur is geweest en dat het aantal opvragingen beperkt is gebleven (en grotendeels in de kring van personen rondom Bouwhuis heeft plaatsgevonden). (...) Bouwhuis heeft aangevoerd dat het nog maar de vraag is of in dit geval sprake is geweest van een technische fout en gesuggereerd dat de opvraagbaarheid van het artikel in november 2012 samenhing met de hernieuwde aandacht van Quote voor zijn persoon, maar hij slaagt er niet in dit voldoende aannemelijk te maken. Ook heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het artikel al op 29 oktober 2912 opvraagbaar was en dat er dus geen verband kan bestaan tussen de opvraagbaarheid van het artikel en het lanceren van de nieuwe website van Quote op 4 november 2012. Uit het proces-verbaal van constatering van 21 november 2012 blijkt immers niet dat het artikel op 29 oktober 2012 reeds opvraagbaar was en Bouwhuis heeft ter zetting verklaard dat hij zelf pas op 20 november 2012 heeft ontdekt dat het artikel opvraagbaar was. (...) Het door de voorzieningenrechter gehanteerde uitgangspunt dat sprake is geweest van een technische fout, waardoor het artikel korte tijd weer opvraagbaar is geweest, leidt tot de conclusie dat geen sprake is geweest van enig bewust of actief handelen van (medewerkers van) Quote dat erop was gericht het bevel zoals opgenomen in het vonnis van 5 november 2009 te overtreden. Quote heeft dan ook redelijkerwijs voldoende inspanning en zorgvuldigheid betracht om dit vonnis na te komen. Onjuist is het standpunt van Bouwhuis dat Quote het desbetreffende artikel had moeten wissen van haar server en dat zij hoe dan ook, door dit na te laten, onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Van een (journalistiek) medium als Quote kan niet worden verlangd dat zij in het verleden gepubliceerde artikelen - ook al zijn die door een rechter onrechtmatig bevonden - voor altijd uit haar archieven wist, waar die artikelen ook niet meer voor intern gebruik toegankelijk zouden zijn. Eveneens onjuist is het standpunt van Bouwhuis dat Quote bij het lanceren van haar nieuwe website had moeten controleren of het gewraakte artikel niet weer opvraagbaar was. Voor een dergelijke controle bestond, zeker drie jaar na dato, voor Quote geen aanleiding.

Lees de uitspraak zaaknr. 530886 / KG ZA 12-1618 SP/MV, LJN BZ0554.

Op andere blogs:
MediaReport (Quote verbeurt geen miljoen euro aan dwangsommen)