Merkenrecht  

IEF 23665

Philips krijgt ex parte IE-maatregelen tegen OneBlade-inbreuk

Rechtbank Den Haag 12 jun 2026,, IEF 23665; ECLI:NL:RBDHA:2026:16624 ((Philips ten verzoeke van [gerekwestreerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/philips-krijgt-ex-parte-ie-maatregelen-tegen-oneblade-inbreuk

Rb. Den Haag 12 juni 2026, IEF 23665; ECLI:NL:RBDHA:2026:16624 (Philips ten verzoeke van [gerekwestreerde]). In deze ex parte‑verzoekschriftprocedure op grond van artikel 1019e Rv wijst de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag het door Philips gevraagde stakingsbevel toe en wijst hij een aantal aanvullende verzoeken gedeeltelijk af. Philips verzoekt onmiddellijke maatregelen tegen [gerekwestreerde], tevens handelend onder [handelsnaam] LTD, wegens gestelde inbreuk op haar Uniemerkrechten en het OneBlade‑model. Volgens Philips worden via online platforms producten aangeboden die inbreuk maken op haar IE‑rechten en is een onmiddellijke voorziening noodzakelijk om verdere verhandeling te voorkomen.

IEF 23664

Artikel geschreven door Bas Kist, Chiever.

Haaland scoort ook bij het Europese merkenbureau

Bas Kist, 6 juli 2026

De Noorse voetballer Erling Haaland scoort niet alleen op het WK, ook bij de Board of Appeal (BOA) van het Europese merkenbureau EUIPO pakt hij zijn punten. Op 20 mei 2026 oordeelde de BOA dat Michal Was, een Poolse ondernemer, te kwader trouw was toen hij de naam Haaland als Europees merk deponeerde. De merkregistratie Haaland van de Pool wordt nu uit het register geschrapt.

IEF 23662

Rb. Den Haag: geen auteursrecht op PANARA-schoencollectie, wel verbod op merkgebruik

Rechtbank Den Haag 6 jul 2026,, IEF 23662; ECLI:NL:RBDHA:2026:18180 ([partij A] tegen [partij B] c.s. en Commerbas), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-geen-auteursrecht-op-panara-schoencollectie-wel-verbod-op-merkgebruik

Rb. Den Haag 3 juli 2026, IEF 23662; ECLI:NL:RBDHA:2026:18180 ([partij A] tegen [partij B] c.s. en Commerbas). In deze zaak tussen [partij A] en [partij B] c.s. staat de vraag centraal of [partij B] c.s. met de verkoop van Borgesa-schoenen inbreuk maakt op de auteursrechten op de PANARA-schoencollectie en op het Beneluxwoordmerk PANARA. De voorzieningenrechter wijst de auteursrechtelijke vorderingen af, maar verbiedt [partij B] c.s. wel het PANARA-merk nog langer te gebruiken voor de verkoop van schoenen in de Benelux. [partij A] ontwerpt en verkoopt sinds de jaren tachtig schoenen onder het merk PANARA. De productie vond plaats bij het Italiaanse Commerbas. [partij B] c.s. exploiteert sinds 2010 een Panara-winkel in Den Haag en verkocht jarenlang uitsluitend PANARA-schoenen op basis van een overeenkomst met [partij A]. Nadat die overeenkomst feitelijk was beëindigd, liet [partij B] c.s. vergelijkbare schoenen produceren door Commerbas en verkocht zij deze onder de naam Borgesa. De voorzieningenrechter oordeelt dat de mondelinge opzegging rechtsgeldig was, ook al ontbrak de contractueel voorgeschreven aangetekende brief. Volgens de voorzieningenrechter was voor [partij B] c.s. duidelijk dat de overeenkomst was beëindigd en heeft zij zich daar ook naar gedragen. Volgens [partij A] zijn die schoenen identiek aan de PANARA-modellen en maakt [partij B] c.s. daarnaast zonder toestemming gebruik van het PANARA-merk in de winkelnaam, domeinnaam en promotie. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de PANARA-schoencollectie auteursrechtelijk beschermd is. [partij A] heeft niet duidelijk gemaakt op welke afzonderlijke schoenmodellen zij zich beroept, welke creatieve keuzes daarin zijn gemaakt en welke kenmerken voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen.

IEF 23661

Rb. Amsterdam: geen voorzieningen voor toegang tot bedrijfssystemen en gebruik merknaam Coconaut

Rechtbank Amsterdam 6 jul 2026,, IEF 23661; ECLI:NL:RBAMS:2026:6427 (NoNonz tegen [gedaagden]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-geen-voorzieningen-voor-toegang-tot-bedrijfssystemen-en-gebruik-merknaam-coconaut

Rb. Amsterdam 12 juni 2026, IEF 23661; ECLI:NL:RBAMS:2026:6427 (NoNonz tegen [gedaagden]). In deze zaak tussen NoNonz en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (samen: [gedaagden]) staat de vraag centraal of [gedaagden] in kort geding kunnen worden verplicht volledige toegang te verschaffen tot de digitale bedrijfssystemen van NoNonz, de volledige bedrijfsadministratie af te geven en zich te onthouden van het handelen namens NoNonz of het gebruik van de merknaam Coconaut(drinks). De voorzieningenrechter oordeelt dat NoNonz haar vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd en wijst deze volledig af. NoNonz exploiteert onder meer de drank Coconaut op basis van een licentie. De aandelen in NoNonz worden gehouden door twee persoonlijke holdings, die ieder 50% van de aandelen bezitten en ook bestuurder zijn. Sinds halverwege 2024 is de samenwerking tussen de indirect bestuurders ernstig verstoord. [gedaagde 1] liet zich op 7 april 2025 met terugwerkende kracht per 31 december 2024 uitschrijven als bestuurder in het handelsregister van de KvK. Partijen probeerden hun geschil onder meer met een uitkoop op te lossen, maar dat lukte niet. Volgens NoNonz heeft [gedaagde 1] zich zonder besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders als bestuurder uitgeschreven. Ook zouden [gedaagden] buiten medeweten van NoNonz Coconaut hebben verkocht, voorraad en administratie hebben achtergehouden en klanten van NoNonz hebben benaderd. Volgens NoNonz heeft zij sinds november 2024 bovendien geen toegang meer tot haar digitale bedrijfsomgeving, waaronder Google Workspace, Shopify, Zoho en de bijbehorende domeinnaam. Daarom vordert zij toegang tot de bedrijfssystemen, afgifte van de administratie en een verbod om namens NoNonz of onder de merknaam Coconaut op te treden. [gedaagden] betwisten deze verwijten. Volgens hen is juist de andere aandeelhouder verantwoordelijk voor het buitensluiten van [gedaagden] uit de onderneming. Volgens [gedaagde 1] liet zij zich als bestuurder uitschrijven omdat zij geen zicht meer had op de bedrijfsvoering en niet aansprakelijk wilde zijn voor vermeende privéonttrekkingen. Verder beroept [gedaagde 1] zich op een overeenkomst waarin is afgesproken dat haar aandelen zouden worden overgenomen tegen betaling van € 30.000, waarna de toegang tot de onderneming zou worden overgedragen. [gedaagden] stellen bovendien niet over de gevorderde bedrijfssystemen of administratie te beschikken en ontkennen nog namens NoNonz of onder het merk Coconaut te handelen.

IEF 23660

Gerecht EU: ARYUNA mag naast ARMUNIA worden ingeschreven

Gerecht EU (voorheen GvEA) 2 jul 2026,, IEF 23660; ECLI:EU:T:2026:421 (Sandoz tegen EUIPO en Be Healthy), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-aryuna-mag-naast-armunia-worden-ingeschreven

Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23660; ECLI:EU:T:2026:421 (Sandoz tegen EUIPO en Be Healthy). In deze zaak tussen Sandoz en EUIPO, met Be Healthy als wederpartij in de oppositieprocedure, staat de vraag centraal of het Uniewoordmerk ARYUNA wegens verwarringsgevaar niet kan worden ingeschreven tegenover de oudere Benelux- en Oostenrijkse woordmerken ARMUNIA voor farmaceutische producten. Sandoz betoogt dat de Kamer van Beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van verwarringsgevaar, met name omdat bij geneesmiddelen patiëntveiligheid en het risico op vergissingen tussen geneesmiddelen een zwaardere rol zouden moeten spelen. Be Healthy diende in 2022 een Uniemerkaanvraag in voor het woordmerk ARYUNA voor onder meer jodiumtincturen, medicinale kruiden en kruidengeneesmiddelen in klasse 5. Novartis, inmiddels opgevolgd door Sandoz, stelde oppositie in op basis van de oudere merken ARMUNIA, die bescherming genieten voor farmaceutische producten, waaronder orale anticonceptiva. Zowel de oppositieafdeling als de Kamer van Beroep wezen de oppositie af omdat, ondanks (gedeeltelijk) identieke waren, geen sprake was van verwarringsgevaar. Het Gerecht verklaart allereerst een reeks door Sandoz voor het eerst in beroep overgelegde stukken niet-ontvankelijk. Het gaat onder meer om rapporten, persartikelen, studies en websitefragmenten waarmee Sandoz wilde onderbouwen dat zorgverleners en patiënten regelmatig geneesmiddelen met vergelijkbare namen verwisselen. Omdat deze stukken niet tijdens de administratieve procedure bij EUIPO zijn ingebracht en niet alleen een juridische context schetsen, kunnen zij niet alsnog in de beroepsprocedure worden betrokken. Ten aanzien van het relevante publiek ondersteund het Gerecht het oordeel van de Kamer van Beroep dat medische professionals en het algemene publiek tot het relevante publiek behoren. Voor de globale beoordeling moet worden uitgegaan van het algemene publiek, omdat dat de laagste mate van aandacht heeft binnen de relevante groepen. Die aandacht is echter nog steeds relatief hoog. Geneesmiddelen en andere gezondheidsproducten raken namelijk rechtstreeks aan de gezondheid van de consument, zodat ook producten die zonder recept verkrijgbaar zijn met verhoogde oplettendheid worden gekocht.

IEF 23659

Verworven onderscheidend vermogen van merkondeel maakt samengesteld merk niet intrinsiek onderscheidend

Gerecht EU (voorheen GvEA) 1 jul 2026,, IEF 23659; ECLI:EU:T:2026:432 (Veikkaus Oy tegen EUIPO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/verworven-onderscheidend-vermogen-van-merkondeel-maakt-samengesteld-merk-niet-intrinsiek-onderscheidend

Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23659, IEFbe 4247; ECLI:EU:T:2026:432 (Veikkaus Oy tegen EUIPO). In deze zaak vordert Veikkaus gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO over haar aanvraag voor het Uniewoordmerk FOR BETTER GAMING - VEIKKAUS. De aanvraag zag onder meer op diensten in de klassen 35, 41 en 42, waaronder retaildiensten voor game- en goksoftware, online entertainment-, spel-, gok-, wed- en casinodiensten en ontwerp-, ontwikkel- en onderhoudsdiensten voor online goksoftware en gokwebsites. De kamer van beroep had het beroep slechts gedeeltelijk toegewezen voor enkele diensten, maar de inschrijving voor de overige diensten geweigerd wegens gebrek aan intrinsiek onderscheidend vermogen op grond van artikel 7 lid 1 onder b, gelezen in samenhang met artikel 7 lid 2, Verordening 2017/1001. Volgens de kamer van beroep zou het Finstalige relevante publiek het teken begrijpen als “voor beter gokken/spelen – weddenschap, gokvoorspelling” en dus niet als herkomstaanduiding, maar als een zuiver promotionele boodschap voor de betrokken diensten. De subsidiaire stelling van Veikkaus dat het teken door gebruik onderscheidend vermogen had verkregen, was nog niet inhoudelijk beoordeeld en was door de kamer van beroep terugverwezen naar de onderzoeker.

IEF 23652

Rb. Den Haag: logistieke dienstverleners maken geen merkinbreuk door verwerking Temu- en AliExpress-pakketten

Rechtbank Den Haag 29 jun 2026,, IEF 23652; ECLI:NL:RBDHA:2026:16647 ((Puma tegen Shaoke NL en E-Com)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-logistieke-dienstverleners-maken-geen-merkinbreuk-door-verwerking-temu-en-aliexpress-pakketten

Rb. Den Haag 17 juni 2026, IEF 23652; ECLI:NL:RBDHA:2026:16647 (Puma tegen Shaoke NL en E-Com). In deze zaak tussen Puma en Shaoke Logistics B.V. en E-Com Global Logistics (samen Shaoke NL c.s.) staat de vraag centraal of een logistieke dienstverlener en een douaneverlener merkinbreuk plegen of onrechtmatig handelen door pakketjes met mogelijk inbreukmakende Puma-producten afkomstig van Chinese webshops te verwerken. Puma meent dat de ondernemingen een essentiële schakel vormen in de distributieketen van namaak- en parallel geïmporteerde goederen die via platforms als Temu en AliExpress rechtstreeks aan Nederlandse consumenten worden verkocht. De rechtbank wijst alle vorderingen af. Van merkinbreuk is geen sprake, omdat Shaoke NL c.s. de Puma-merken niet gebruiken in hun eigen commerciële communicatie. Evenmin handelen zij onrechtmatig door hun logistieke en douanediensten te verlenen. De rechtbank verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Puma is houdster van diverse Uniemerken voor sportkleding, schoenen en accessoires. Shaoke Logistics verwerkt in Nederland zogenoemde overpacks met pakketjes die afkomstig zijn van Chinese verkopers en maakt deze gereed voor bezorging door vervoerders als PostNL en DHL. E-Com verzorgt daarbij de douaneformaliteiten. Tijdens douanecontroles en door Puma gelegde beslagen zijn in sommige pakketten goederen aangetroffen die waren voorzien van Puma-merken. Volgens Puma had zij geen toestemming verleend voor invoer vanuit China, zodat iedere dergelijke zending inbreuk opleverde. Daarnaast stelde Puma dat Shaoke NL c.s. de handel in inbreukmakende producten faciliteerden door onder meer de inklaring te verzorgen, goederen tijdelijk op te slaan en als retouradres te fungeren. Zij vorderde onder meer een verbod, opgave van gegevens, vernietiging van de goederen (onder meer door DWZ op kosten van gedaagden te laten vernietigen), schadevergoeding en volledige proceskosten. De rechtbank stelt voorop dat voor merkinbreuk vereist is dat een derde het merk zelf gebruikt in het economische verkeer. Daarbij moet sprake zijn van een actieve gedraging en van rechtstreekse of indirecte controle over het gebruik van het merk, waarbij het merk bovendien wordt gebruikt in de eigen commerciële communicatie. Puma baseert haar merkinbreukgrondslag op gebruik in de zin van artikel 9 lid 2 van de Uniemerkenverordening. De rechtbank verwijst daarbij naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, waaronder Daimler, Google France, Coty Germany en TOP Logistics.

IEF 23651

Geen inbreuk op model- en auteursrechten Cobefa-grasbetonplaten

Rechtbank Den Haag 19 jun 2026,, IEF 23651; ECLI:NL:RBDHA:2026:16620 ((Cobefa tegen [gedaagde])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-inbreuk-op-model-en-auteursrechten-cobefa-grasbetonplaten

Rb. Den Haag 19 juni 2026, IEF 23651; ECLI:NL:RBDHA:2026:16620 (Cobefa tegen [gedaagde]). In deze zaak oordeelt de voorzieningenrechter dat er geen sprake is van inbreuk op de model- en auteursrechten van de grasbetonplaten van Cobefa en evenmin slaafse nabootsing. Zowel Cobefa als [gedaagde] zijn producent van betonproducten, waaronder grasbetonplaten. Cobefa houdt verscheidene Uniemodelregistraties voor de grasbetonplaten. Na een sommatiebrief van Cobefa richting [gedaagde] hebben partijen nader overlegd, maar dit heeft niet tot een oplossing geleid. [gedaagde] heeft vervolgens de verkoop niet gestaakt. Cobefa vordert een verbod op inbreuk op haar model- en auteursrechten op de Cobefa-grasbetonplaten en een verbod op slaafse nabootsing, met nevenvorderingen en een dwangsom. Volgens Cobefa maakt [gedaagde] met de verhandeling van de [modelnaam] inbreuk op haar modelrechten, omdat het product bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt dan de Cobefa-modellen. Daarnaast stelt Cobefa dat de grasbetonplaten auteursrechtelijk beschermde werken zijn en dat de creatieve elementen daarvan herkenbaar zijn overgenomen in de [modelnaam]. Ook zou [gedaagde] onrechtmatig handelen door de Cobefa-grasbetonplaten slaafs na te bootsen. [gedaagde] betwist de gestelde inbreuken en voert aan dat de Cobefa-modellen nietig zijn wegens gebrek aan nieuwheid en eigen karakter en omdat de vormgeving technisch bepaald is. Volgens [gedaagde] wekt de [modelnaam] bovendien een andere algemene indruk. Ook is volgens [gedaagde] geen sprake van auteursrechtinbreuk, omdat Cobefa geen auteursrechthebbende zou zijn en de grasbetonplaten geen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. Voor zover wel sprake is van auteursrechtelijke bescherming, zijn de creatieve elementen niet herkenbaar overgenomen. Verder betwist [gedaagde] dat sprake is van slaafse nabootsing en voert zij aan dat de slaafse nabootsingsleer in strijd is met Europees recht.

IEF 23650

Uitspraak ingezonden door Rik Balk, Balk Legal

BenGH over merk NIELSON: kwade trouw en incidenteel beroep buiten de beroepstermijn

BenGH 29 jun 2026,, IEF 23650; C 2021/18/V (([verzoeker] tegen [verweerders])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/bengh-over-merk-nielson-kwade-trouw-en-incidenteel-beroep-buiten-de-beroepstermijn

BenGH 15 april 2026, IEF 23650; IEF-Be 4243; C 2021/18/V ([verzoeker] tegen [verweerders]). In deze zaak tussen [verzoeker] en [verweerders] gaat het om de vraag of de Eerste Kamer van het Benelux‑Gerechtshof aanleiding ziet een arrest van de Tweede Kamer te corrigeren, waarin een Benelux‑woordmerk NIELSON (gedeeltelijk) nietig is verklaard wegens depot te kwader trouw. Daarnaast speelt de vraag of incidenteel beroep tegen een beslissing van het BBIE mogelijk is nadat de in het BVIE opgenomen beroepstermijn is verstreken. [verzoeker] heeft in 2013 het Benelux‑woordmerk NIELSON aangevraagd, dat in 2013 is ingeschreven voor diensten in de klassen 35, 41 en 42. In 2020 hebben [verweerders] bij het BBIE een vordering ingediend tot vervallenverklaring en nietigverklaring van het merk voor de in klasse 41 aangeduide diensten. Zij hebben zich daarbij beroepen op verval wegens het ontbreken van normaal gebruik en op kwade trouw bij de aanvraag. Het BBIE heeft het merk vervallen verklaard voor een groot deel van de diensten in klasse 41, maar de inschrijving in stand gelaten voor de diensten van een DJ. Het beroep op kwade trouw is door het BBIE afgewezen. Daarbij is onder meer overwogen dat het gebruik van het teken “Mister Nielson” voor DJ‑diensten niet afdoet aan het onderscheidend vermogen van het ingeschreven merk, dat voor DJ‑diensten normaal gebruik is aangetoond, dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat [verzoeker] ten tijde van de aanvraag geen gebruiksintentie had en dat voor de aanvraag een commerciële logica bestond. [verweerders] hebben beroep ingesteld bij de Tweede Kamer van het Benelux‑Gerechtshof. [verzoeker] heeft incidenteel beroep ingesteld tegen de beslissing van het BBIE. De Tweede Kamer heeft dat incidentele beroep niet‑ontvankelijk verklaard omdat het na afloop van de in artikel 1.15bis BVIE genoemde beroepstermijn van twee maanden is ingesteld en BVIE, het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux‑Gerechtshof en het Reglement op de procesvoering geen grondslag bieden voor incidenteel beroep buiten die termijn. Voorts heeft de Tweede Kamer de beslissing van het BBIE vernietigd voor zover het beroep op kwade trouw was afgewezen. Samengevat heeft zij geoordeeld dat de inschrijving te kwader trouw is aangevraagd voor diensten die identiek zijn aan of overeenstemmen met de diensten waarvoor het teken Nielson op het moment van de aanvraag werd gebruikt, waarbij onder meer betekenis is toegekend aan de (door de Tweede Kamer vastgestelde) bekendheid van de artiest Nielson, de bekendheid van [verzoeker] met dat gebruik, diens eigen gebruik van “Mister Nielson” en diens beweegredenen voor het depot. Voor de overige diensten in klasse 41 is het merk reeds vervallen verklaard.

IEF 23649

De nabeschouwing van WK & Recht op 23 juni 2026

Afgelopen week keken we bij WK & Recht naar de juridische hordes rond een wereldwijd sportevenement. Tijdens de sessies bij Buro de Pijp ging het over de regels achter het toernooi: wie supporters mag filmen, wie wedstrijddata mag gebruiken, wie beelden mag uitzenden en hoever merken mogen gaan in hun WK-campagnes.