Bewegingsmerk voor scharnierend voertuigraam terecht geweigerd wegens technisch bepaalde kenmerken
Gerecht EU 14 januari 2026, IEF 23353; IEFbe 4130; ECLI:EU:T:2026:9 (Kct GmbH & Co. KG tegen EUIPO). In dit arrest stond de vraag centraal of een aangevraagd Uniemerk, bestaande uit een bewegingsmerk dat het openen en sluiten van een scharnierend voertuigraam weergeeft, kon worden ingeschreven voor “voertuigramen voor transportvoertuigen” in klasse 12. De examinator had de aanvraag aanvankelijk afgewezen wegens gebrek aan onderscheidend vermogen. De Tweede Kamer van Beroep van het EUIPO verwierp het daartegen ingestelde beroep echter primair op een andere absolute weigeringsgrond, namelijk art. 7 lid 1, onder e, ii, UMVo: het teken zou uitsluitend bestaan uit een kenmerk van het product dat noodzakelijk is voor het bereiken van een technisch resultaat. Subsidiair oordeelde de Kamer van Beroep ook dat het teken onderscheidend vermogen miste in de zin van art. 7 lid 1, onder b, UMVo. Voor het Gerecht voerde Kct aan dat niet alleen de bewegingssequentie als geheel, maar ook andere elementen van het teken in aanmerking moesten worden genomen, zoals de zichtbare zwarte tussenstukken en de kleurverandering van delen van het binnenframe. Volgens Kct waren die elementen niet louter functioneel, maar althans deels decoratief of fantasievol. Het Gerecht stelt voorop dat bij toepassing van art. 7 lid 1, onder e, ii, UMVo eerst de wezenlijke kenmerken van het teken moeten worden vastgesteld en vervolgens moet worden beoordeeld of die kenmerken alle een technische functie vervullen. Die bepaling moet volgens vaste rechtspraak strikt worden toegepast, omdat zij beoogt te voorkomen dat het merkenrecht wordt gebruikt om een potentieel onbeperkt monopolie te verkrijgen op technische oplossingen of gebruikskenmerken van een product.