ROYAL mist zowel intrinsiek als door gebruik verkregen onderscheidend vermogen
Gerecht EU 2 september 2026, IEF 23792; ECLI:EU:T:2026:505 (Royal tegen EUIPO). Royal verzoekt het Gerecht om vernietiging van de beslissing van de Vierde kamer van beroep van het EUIPO, waarbij de aanvraag voor het figuratieve Uniemerk ROYAL wordt geweigerd voor waren en diensten in de klassen 29, 31 en 35, waaronder bevroren fruit, verse groenten, zaden en andere landbouw-, tuinbouw- en bosbouwproducten en daarmee verband houdende reclame-, import-, export-, groot- en detailhandelsdiensten. De kamer van beroep gaat uit van het Engelstalige relevante publiek van de Unie, met name het publiek in Ierland en Malta, en oordeelt dat dit publiek het woord ‘royal’ onmiddellijk zal begrijpen als een lovende aanduiding die verwijst naar een bovengemiddelde of superieure kwaliteit. Het Gerecht bevestigt dit oordeel. Dat ‘royal’ geen concrete eigenschap van de betrokken waren en diensten beschrijft, verhindert niet dat het teken een uitsluitend promotionele betekenis heeft: een teken kan ook laudatief zijn doordat het abstracte kwaliteiten van waren of diensten aanprijst. Het relevante publiek zal ‘royal’ daarom opvatten als een aanprijzing van vermeend superieure kwaliteit, en niet als een aanduiding van commerciële herkomst. Ook de figuratieve vormgeving verleent het teken geen onderscheidend vermogen. Het gouden lettertype, de grotere beginletter ‘R’ en de overige grafische elementen zijn onvoldoende om de aandacht af te leiden van de promotionele betekenis van het woordelement; de gouden kleur versterkt volgens het Gerecht juist de associatie met koninklijkheid en hoge kwaliteit.