Kort geding over gestelde schendingen van een exclusieve merkrechtlicentie
Rb. Amsterdam 18 maart 2026, IEF 23450; ECLI:NL:RBAMS:2026:2822 (Copar tegen CSB). In dit kort geding tussen Copar en Continental Sweets Belgium (CSB) staat de vraag centraal of CSB in strijd heeft gehandeld met een in 2012 gesloten exclusieve, eeuwigdurende en royaltyvrije licentieovereenkomst op grond waarvan Copar de betrokken woord- en vormmerken in Nederland mag gebruiken voor de productie en distributie van snoepgoed. De rechtbank Amsterdam acht zich bevoegd op grond van de forumkeuze in de overeenkomst (art. 25 Brussel I-bis) en past, conform de rechtskeuze van partijen, Nederlands recht toe. Daarbij speelt mee dat in een eerder bodemvonnis van 12 juni 2024 reeds voor recht was verklaard dat de opzegging van de licentieovereenkomst door CSB van 22 juni 2023 geen effect had en dat Copar de relevante Benelux-merken in Nederland mocht blijven gebruiken; tegen dat vonnis liep nog hoger beroep. De vorderingen van Copar in conventie worden afgewezen, omdat in dit kort geding onvoldoende aannemelijk is geworden dat CSB door rechtstreekse verkoop aan in Nederland gevestigde afnemers de exclusieve licentie heeft geschonden. Dat de producten bij Jumbo in Nederland en via Bol.com worden aangeboden, dat CSB als fabrikant wordt genoemd, of dat de producten van Belgische oorsprong zijn, volstaat daarvoor niet, omdat de producten ook via buiten Nederland gevestigde tussenpartijen in Nederland terecht kunnen zijn gekomen. Ook de correspondentie over Jumbo acht de voorzieningenrechter onvoldoende, nu CSB gemotiveerd heeft toegelicht dat zij aan Jumbo België B.V. verkoopt en aan een distributiecentrum in Nederland levert ten behoeve van Belgische winkels. Omdat een contractuele tekortkoming niet voldoende aannemelijk is, wordt ook de gevorderde administratieve inzage via een registeraccountant afgewezen; de verwijzing naar de Handhavingsrichtlijn en het BVIE kan Copar daarbij niet baten. De proceskosten in conventie worden niet begroot op grond van art. 1019h Rv, omdat het geschil overwegend verbintenisrechtelijk van aard is, maar volgens het reguliere liquidatietarief.