DOSSIERS
Alle dossiers

Proceskostenveroordeling (bijzondere uitspraken)  

IEF 23747

Werkelijke advocaatkosten toegewezen na overdracht domeinnaam tijdens kort geding

Rechtbank Limburg 14 jul 2026,, IEF 23747; ECLI:NL:RBLIM:2026:6960 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/werkelijke-advocaatkosten-toegewezen-na-overdracht-domeinnaam-tijdens-kort-geding

Rb. Limburg 14 juli 2026, IEF 23747; IT 5434; ECLI:NL:RBLIM:2026:6960 ([eiseres] tegen [gedaagde]). In deze zaak oordeelt de voorzieningenrechter over de proceskosten nadat [eiseres] haar oorspronkelijke inhoudelijke vorderingen heeft ingetrokken. [gedaagde] is de voormalige partner van [eiseres] en heeft in het verleden werkzaamheden verricht ten behoeve van de onderneming van [eiseres], waaronder het bouwen en beheren van haar website. [gedaagde] heeft op enig moment de feitelijke controle over de domeinnaam, website, hostingomgeving en zakelijke e-mailomgeving van [eiseres] naar zich toe getrokken, [eiseres] de toegang daartoe ontzegd en vervolgens haar website offline gehaald. [eiseres] vordert oorspronkelijk, naast vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten, onder meer dat [gedaagde] wordt bevolen de controle over en toegang tot de domeinnaam, website, hostingomgeving en zakelijke e-mailomgeving aan haar terug te geven en de daarvoor noodzakelijke medewerking te verlenen, op straffe van een dwangsom. Nadat de procedure aanhangig is gemaakt, herstelt [gedaagde] op 28 juni 2026 de toegang tot de zakelijke mailbox en zet hij de website weer online. Op 29 juni 2026 draagt hij ook de domeinnaam aan [eiseres] over. [eiseres] trekt daarop haar inhoudelijke vorderingen in, zodat uitsluitend haar vordering tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten resteert. [gedaagde] verschijnt niet in de procedure.

IEF 23749

Sky veroordeeld in proceskosten na intrekking oppositie

Gerecht EU (voorheen GvEA) 21 jul 2026,, IEF 23749; ECLI:EU:T:2026:482 (Sky tegen EUIPO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/sky-veroordeeld-in-proceskosten-na-intrekking-oppositie

Gerecht EU 21 juli 2026, IEF 23749; IEFbe 4277; ECLI:EU:T:2026:482 (Sky tegen EUIPO). In deze beschikking oordeelt de Eerste kamer van het Gerecht EU dat Sky wordt veroordeeld in de kosten in de procedure tegen EUIPO. Sky had beroep ingesteld tot nietigverklaring van een beslissing van de Tweede kamer van beroep van het EUIPO van 27 april 2022. Tijdens de procedure trok Sky haar oppositie tegen de inschrijving van het betrokken merk in. Hierdoor raakte het beroep zonder voorwerp en hoefde het Gerecht niet langer uitspraak te doen. Op grond van artikel 137 van het Reglement voor de procesvoering veroordeelt het Gerecht Sky in alle proceskosten.

IEF 23748

Walsall Conduits veroordeeld in proceskosten na intrekking beroep

Gerecht EU (voorheen GvEA) 22 jul 2026,, IEF 23748; ECLI:EU:T:2026:486 (Walsall Conduits tegen EUIPO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/walsall-conduits-veroordeeld-in-proceskosten-na-intrekking-beroep

Gerecht EU 22 juli 2026, IEF 23748; IEFbe 4276; ECLI:EU:T:2026:486 (Walsall Conduits tegen EUIPO). In deze beschikking beveelt de president van de zesde kamer van het Gerecht EU de doorhaling van zaak T-73/22 en veroordeelt hij Walsall Conduits Ltd in de proceskosten. Walsall Conduits had beroep ingesteld tot nietigverklaring van een beslissing van de Eerste kamer van beroep van het EUIPO van 22 november 2021. Tijdens de procedure liet Walsall Conduits het Gerecht weten dat zij haar beroep wilde intrekken en verzocht zij dat het EUIPO zijn eigen kosten zou dragen. Het EUIPO maakte geen bezwaar tegen de intrekking, maar verzocht Walsall Conduits haar eigen kosten te laten dragen. Het Gerecht overweegt dat uit het dossier niet blijkt van gedragingen van het EUIPO die rechtvaardigen dat het EUIPO in de kosten wordt veroordeeld. Op grond van artikel 136, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de zaak daarom doorgehaald en wordt Walsall Conduits veroordeeld in de proceskosten.

IEF 23627

Rb. Amsterdam: klantenbestand kwalificeert als bedrijfsgeheim

Rechtbank Amsterdam 11 jun 2026,, IEF 23627; ECLI:NL:RBAMS:2026:5976 ((TMU tegen [gedaagde])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-klantenbestand-kwalificeert-als-bedrijfsgeheim

Rb. Amsterdam 11 juni 2026, IEF 23627; IT 5312; ECLI:NL:RBAMS:2026:5976 (TMU tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen TMU en [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door een klantenbestand van TMU te gebruiken voor eigen marketingactiviteiten. De voorzieningenrechter oordeelt dat het klantenbestand van TMU een bedrijfsgeheim vormt en dat [gedaagde] door het zonder toestemming gebruiken van dat bestand onrechtmatig heeft gehandeld op grond van onder meer artikel 6:162 BW en de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb). [gedaagde] wordt bevolen ieder verder gebruik van het klantenbestand te staken en opgave te doen van de met het bestand verrichte marketingactiviteiten en de daarmee behaalde omzet en winst. TMU is actief op het gebied van handelseducatie en financiële markten en verkoopt cursussen over handelen op de financiële markt. [gedaagde] exploiteert een concurrerende onderneming. Partijen hadden sinds 2022 zowel een zakelijke als persoonlijke relatie. In april 2026 verstuurde [gedaagde] vanaf zijn eigen e-mailadres een commerciële e-mail aan een groot aantal adressen die onderdeel bleken te zijn van het klantenbestand van TMU. In die e-mail presenteerde hij zich als de "mentor van uw mentor" en maakte hij reclame voor zijn eigen diensten. Daarnaast plaatste hij een vergelijkbaar bericht op Telegram. Van de 66 adressen waarvan TMU meldingen ontving, kwamen er 64 voor in haar klantenbestand. Elf ontvangers verklaarden bovendien dat zij het betreffende e-mailadres uitsluitend gebruikten voor hun account bij TMU. Volgens TMU had een voormalig opdrachtnemer eind 2025 een grote hoeveelheid vertrouwelijke bedrijfsinformatie ontvreemd, waaronder het klantenbestand. TMU stelde dat [gedaagde] daarmee onrechtmatig handelde en tevens in strijd met de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb) en de regels over vergelijkende reclame. [gedaagde] voerde aan dat hij het adressenbestand anoniem had ontvangen via een link, er niet voor had betaald en niet wist van wie het afkomstig was. Nadat hij de e-mails had verzonden, zou hij het bestand weer hebben verwijderd. De voorzieningenrechter overweegt dat [gedaagde] onder deze omstandigheden had moeten begrijpen dat een dergelijk klantenbestand economische waarde vertegenwoordigt. Als actief handelaar op een concurrerende markt ontving hij zonder tegenprestatie een omvangrijk adressenbestand. Door dat bestand zonder enige controle voor eigen commerciële doeleinden te gebruiken, heeft hij willens en wetens het risico aanvaard dat hij inbreuk maakte op rechten van derden. Dat handelen is voorshands onrechtmatig. Daarbij weegt mee dat [gedaagde] de e-mail zelf heeft opgesteld en daarin expliciet verwees naar [naam 1] van TMU, die hij persoonlijk kende. Verder acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat TMU geen toestemming heeft gegeven voor verspreiding van haar klantenbestand, dat het bestand aanzienlijke economische waarde vertegenwoordigt en bovendien het voornaamste bedrijfsdebiet van TMU vormt. Daarom wordt het gevorderde verbod op verdere verkrijging, openbaarmaking en gebruik van het klantenbestand toegewezen, waaraan een dwangsom wordt verbonden van € 20.000 per dag met een maximum van € 500.000

IEF 23579

Verbetervonnis in IE-verstekzaak: proceskosten alsnog begroot op grond van artikel 1019h Rv

Rechtbank Den Haag 8 apr 2026,, IEF 23579; ECLI:NL:RBDHA:2026:12265 (Volkswagen tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/verbetervonnis-in-ie-verstekzaak-proceskosten-alsnog-begroot-op-grond-van-artikel-1019h-rv

Rb. Den Haag 8 april 2026, IEF 23579; ECLI:NL:RBDHA:2026:12265 (Volkswagen tegen [gedaagde]. De Rechtbank Den Haag wijst het verzoek van Volkswagen tot verbetering van een eerder, op 11 februari 2026 gewezen verstekvonnis toe. Volkswagen had aangevoerd dat sprake was van een kennelijke fout in de zin van artikel 31 Rv, omdat de rechtbank in het oorspronkelijke vonnis had overwogen dat de gevorderde proceskosten niet waren gespecificeerd, terwijl die specificatie wel degelijk in de dagvaarding was opgenomen. De rechtbank volgt Volkswagen daarin. Nu gedaagde niet in het geding was verschenen, beslist de rechtbank op het verzoek zonder nader bericht aan gedaagde. Volgens de rechtbank is sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent: in het oorspronkelijke vonnis werd voor de feiten van het geding verwezen naar de dagvaarding, en uit de aan dat vonnis gehechte dagvaarding blijkt dat Volkswagen haar proceskosten onder randnummer 6.1 had opgegeven en gespecificeerd.

IEF 23573

Uitspraak ingezonden door Sabin Tigu & Evianne Roos, Ploum.

Modelinbreuk via dropshipping: rb. Den Haag passeert verweren over art. 21 Rv en misbruik van procesrecht

Rechtbank Den Haag 13 mei 2026,, IEF 23573; C/09/690949 ((Graypants tegen Gedaagde)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/modelinbreuk-via-dropshipping-rb-den-haag-passeert-verweren-over-art-21-rv-en-misbruik-van-procesrecht

Rb. Den Haag 13 mei 2026, IEF 23573; C/09/690949 (Graypants tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen Graypants en [gedaagde] (handelend onder de naam handelsnaam) staat de vraag centraal of het aanbieden van een LED-tafellamp via een dropshipwebsite inbreuk maakt op het Uniemodel van Graypants en, in het verlengde daarvan, of Graypants nog belang heeft bij haar vorderingen nadat de vermeende inbreuk al was gestaakt en een onthoudingsverklaring was afgegeven. Graypants is houder van een geregistreerd Uniemodel voor de zogeheten Wick-lamp. [gedaagde] exploiteert een webshop waarop onder meer de “Olyx – Moderne LED tafellamp” werd aangeboden. Volgens Graypants wekt dit product dezelfde algemene indruk als haar Wick-model. Na sommatie heeft [gedaagde] het product van de website verwijderd. Partijen hebben vervolgens onderhandeld over een minnelijke regeling, waarbij Graypants onder meer een onthoudingsverklaring en vergoeding van juridische kosten verlangde. [gedaagde] weigerde die kosten te betalen, maar stuurde uiteindelijk wel een, beperkter, ondertekende onthoudingsverklaring waarin hij expliciet erkent inbreuk te hebben gemaakt en toezegt iedere verdere inbreuk te staken, op straffe van een boete. Omdat geen overeenstemming werd bereikt over de kosten, startte Graypants een bodemprocedure waarin zij onder meer een stakingsbevel, opgave van verkoopgegevens, rectificatie, schadevergoeding en een volledige proceskostenveroordeling vordert. [gedaagde] voert als kernverweer dat Graypants geen belang meer heeft bij haar vorderingen, nu de inbreuk al is gestaakt en grotendeels aan de verlangde maatregelen is voldaan. Volgens hem is de procedure uitsluitend ingesteld om een proceskostenveroordeling te verkrijgen, hetgeen strijd zou opleveren met artikel 21 Rv en neerkomt op misbruik van procesrecht. De rechtbank stelt voorop dat, gelet op de door [gedaagde] ondertekende onthoudingsverklaring, tussen partijen vaststaat dat sprake is van inbreuk op het Wick-model. De daarin opgenomen erkenning van de modelrechten en de inbreuk daarop, alsmede de toezegging om deze te staken, maken dat dit punt geen nadere inhoudelijke beoordeling meer vergt. Eventuele nietigheidsverweren tegen het model blijven buiten beschouwing, nu geen reconventionele nietigheidsvordering is ingesteld en de geldigheid van het model daarom wordt verondersteld. Het verweer dat Graypants geen belang meer heeft bij haar vorderingen wordt verworpen.

IEF 23451

Terugvordering na vernietiging van een schadevonnis: rechtsopvolgers niet zonder meer gebonden aan de veroordeling van de cedent

Rechtbank Amsterdam 1 apr 2026,, IEF 23451; ECLI:NL:RBAMS:2026:3265 ([eiser 1] tegen Longnorth c.s.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/terugvordering-na-vernietiging-van-een-schadevonnis-rechtsopvolgers-niet-zonder-meer-gebonden-aan-de-veroordeling-van-de-cedent

Rb. Amsterdam 1 april 2026, IEF 23451; ECLI:NL:RBAMS:2026:3265 ([eiser 1] tegen Longnorth c.s.). In deze procedure vorderen [eiser 1] en [eiser 2] terugbetaling van bedragen die in 2019 zijn betaald na een vonnis van de rechtbank Den Haag, waarin [eiser 1] wegens merkinbreuk met betrekking tot Jack Daniel’s-producten was veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten aan Jack Daniel’s, Brown-Forman en Pitts Bay. In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag vervolgens geoordeeld dat Pitts Bay haar vordering al op 27 december 2007 aan Longnorth en Bacardi had gecedeerd, zodat Pitts Bay zelf niets meer van [eiser 1] te vorderen had; voor zover de eerdere vonnissen Pitts Bay betroffen, zijn die vernietigd en is Pitts Bay tot terugbetaling veroordeeld. In de onderhavige procedure beroepen eisers zich jegens Longnorth, Bacardi, Jack Daniel’s, Brown-Forman en hun advocaat op gezag van gewijsde, derden- of precedentwerking, onverschuldigde betaling en onrechtmatige daad. De rechtbank wijst dat grotendeels af. Longnorth en Bacardi waren in de procedure bij het hof geen formele of materiële procespartij, zodat zij niet op die grond aan de veroordeling van Pitts Bay zijn gebonden. Art. 236 Rv brengt volgens de rechtbank alleen mee dat in deze procedure vaststaat dát Pitts Bay haar vordering in 2007 aan Longnorth en Bacardi had overgedragen; daaruit volgt niet dat Longnorth en Bacardi daardoor zelf zonder meer gehouden zijn tot terugbetaling. Ook het beroep op derden- of precedentwerking faalt. Verder is de betaling van de zogenoemde Pitts Bay-vordering zelf niet onverschuldigd geweest: de vernietiging van het eerdere vonnis betekent niet dat die materiële vordering niet bestond, maar slechts dat Pitts Bay niet meer de rechthebbende was. Het hof had immers al geoordeeld dat [eiser 1] die vordering op 20 maart 2019 bevrijdend aan Longnorth en Bacardi had betaald, en eisers hebben in deze procedure niet onderbouwd dat op [eiser 1] geen of slechts een lagere schadevergoedingsplicht rustte. Anders ligt het uitsluitend voor het bedrag van € 10.664,78 aan proceskosten dat ten behoeve van Pitts Bay op grond van het vernietigde eindvonnis was betaald: daarvoor is de rechtsgrond door het tussenarrest komen te vervallen, zodat Longnorth en Bacardi dat bedrag wél moeten terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2022. Voor de proceskosten van het hoger beroep geldt dat [eiser 1] daarvoor slechts een vordering op Pitts Bay als procespartij heeft, zodat ook dat deel niet tegen Longnorth en Bacardi toewijsbaar is.

IEF 23423

Samenwerkingsovereenkomst: geen verjaring, maar ontbreken van ingebrekestelling en verzuim leidt tot afwijzing van de wanprestatievorderingen

Rechtbank Rotterdam 4 mrt 2026,, IEF 23423; ECLI:NL:RBROT:2026:2297 ([naam] tegen FTG), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/samenwerkingsovereenkomst-geen-verjaring-maar-ontbreken-van-ingebrekestelling-en-verzuim-leidt-tot-afwijzing-van-de-wanprestatievorderingen

Rb. Rotterdam 4 maart 2026, IEF 23423; ECLI:NL:RBROT:2026:2297 ([naam] tegen FTG). De rechtbank wijst de vorderingen van [naam] B.V. tegen [naam 2] Group B.V. (FTG) af in een geschil over een samenwerkingsovereenkomst betreffende een concept voor duurzame verpakkingen voor bloemen en planten. Partijen waren overeengekomen dat een door FTG aan te wijzen groepsvennootschap per 1 november 2018 het merk, de domeinnaam, de website en de voorraad van [naam] zou overnemen, tegen betaling van een eenmalige vergoeding van € 15.000 exclusief btw en daarnaast gedurende drie jaar een procentuele vergoeding over door de FTG-groep gerealiseerde en betaalde omzet. FTG wees Zyon Group B.V. aan voor de uitvoering van de samenwerking, terwijl [naam 3], bestuurder en aandeelhouder van [naam], binnen de FTG-groep in dienst trad. [naam] stelde dat FTG was tekortgeschoten doordat zij onvoldoende verkoopondersteuning had geboden en de verwachte omzet niet had gerealiseerd. De rechtbank verwerpt eerst de formele verweren van FTG. FTG is zelf partij gebleven bij de overeenkomst, zodat [naam] haar terecht heeft gedagvaard; van contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW is geen sprake. Ook het beroep op verjaring faalt, omdat de e-mail van 14 december 2020 een geldige stuitingsmededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW bevat: voor FTG was voldoende duidelijk dat [naam] haar aanspraken handhaafde en een procedure in het vooruitzicht stelde.

IEF 23187

Art. 1019i Rv: verval voorlopige voorzieningen tast proceskostenveroordeling niet aan

Rechtbank Den Haag 11 dec 2025,, IEF 23187; ECLI:NL:RBDHA:2025:23583 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/art-1019i-rv-verval-voorlopige-voorzieningen-tast-proceskostenveroordeling-niet-aan

Rb. Den Haag 11 december 2025, IEF 23187; ECLI:NL:RBDHA:2025:23583 ([eiser] tegen [gedaagde]). In dit kort geding stond een executiegeschil centraal naar aanleiding van een IE-kortgedingvonnis uit 2017. In dat eerdere vonnis waren voorlopige voorzieningen (verboden wegens auteurs- en handelsnaaminbreuk) opgelegd én was [eiser] veroordeeld tot betaling van proceskosten. Vast stond dat [eiser] geen bodemprocedure had gestart binnen de door de voorzieningenrechter gestelde termijn en dat vervolgens een verklaring ex art. 1019i Rv bij de griffie was ingediend. [eiser] stelde dat hierdoor niet alleen de voorlopige voorzieningen, maar ook de proceskostenveroordeling hun kracht hadden verloren, zodat de latere executie (inclusief beslag op zijn woning) onrechtmatig was. Daarnaast voerde hij aan dat sprake was van misbruik van bevoegdheid en subsidiair van (gedeeltelijke) verjaring van wettelijke rente.

IEF 22942

AFB betaalt proceskosten wegens ingetrokken kort geding

Hof Den Haag 14 jan 2025,, IEF 22942; ECLI:NL:GHDHA:2025:191 (Hidalgo tegen AFB), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/afb-betaalt-proceskosten-wegens-ingetrokken-kort-geding

Hof Den Haag 14 januari 2025, IEF 22942; ECLI:NL:GHDHA:2025:191 (Hidalgo tegen AFB). Hidalgo is actief als groothandel in sportartikelen. AFB exploiteert fitnesscentra. In 2023 startte AFB een kort geding tegen Hidalgo wegens inbreuk op de handelsnaam en merkenrechten en het offline halen van de 'maartcampagne'. AFB trok de zaak een paar dagen voor de zitting in. Hidalgo vordert vergoeding van haar volledige proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, te begroten op grond van artikel 1019h Rv. De voorzieningenrechter heeft die vordering afgewezen. Hidalgo is het hier niet mee eens en gaat in hoger beroep.