Of deze zaak werkelijk een IE zaak is
Rechtbank ’s-Gravenhage, 18 februari 2009, HA ZA 08-1908, General Cardiac Technology Inc. tegen Exim Holland B.V. c.s.
Tussenvonnis. Octrooirecht, merkenrecht, maar misschien ook wel helemaal geen IE-recht. Geschil over de afwikkeling van een beëindigde distributieovereenkomst met betrekking tot borstharnassen voor geopereerde hartpatiënten.
Naar de kern genomen is het geschil wat partijen verdeeld houdt de vraag of de overeengekomen royalties moeten worden betaald over de volledige afzet van Europees geproduceerde Heart Hugger harnassen of dat de royalties enkel verschuldigd zijn over de afzet in landen waar het octrooi EP 351 geldig was. Gedaagde Exim stelt dat zij teveel heeft betaald omdat zij gedeeltelijk ook royalties heeft afgedragen in landen waar EP 351 nooit gelding heeft gehad.
Voorshands laat de rechtbank in het midden of deze zaak werkelijk een IE zaak is en bepaalt dat de accountants van partijen eerst gezamenlijk vast dienen te stellen hoeveel Heart Hugger harnassen in opdracht van Exim Holland in Europa zijn geproduceerd en gespecificeerd, naar enerzijds de landen waar het octrooi geldig was en anderzijds de landen waar het octrooi niet geldig is geweest, opgave doen van de jaarlijkse afzet. M.b.t. tot een al dan niet werkelijke 1019h-proceskosten geeft de rechtbank alvast een voorschot op haar mening: “Voorshands heeft de rechtbank de indruk dat de inzet zijdens GCT onevenredig is geweest en dat de IE-rechtelijke grondslagen niet slagen.”
“4.6. (…) GCT heeft ook niet inzichtelijk gemaakt waarom er sprake zou zijn van octrooi-inbreuk of merkinbreuk. In het algemeen maakt de distributeur die handelt onder een distributieovereenkomst geen inbreuk op een octrooi dat ziet op het product dat onder de distributieovereenkomst wordt verhandeld. Ditzelfde geldt indien er sprake is van een licentieovereenkomst met betrekking tot een geoctrooieerd product, ook niet indien de licentienemer in verzuim is wat betreft de betaling van royalties.
4.7. De registratie op 19 mei 2005 van het teken Heart Hugger als gemeenschapsmerk door Exim Holland is zonder meer evenmin als merkinbreuk of registratie ter kwader trouw aan te merken. Geen van partijen betwist immers dat op dat moment de distributieovereenkomst nog liep. Uit §11 van de distributieovereenkomst volgt niet dat de registratie van een merk dat identiek is aan het teken van GCT is verboden. De registratie door Exim Holland is eerder aan te merken als de handhaving van het recht van GCT ingevolge §12 van de overeenkomst. Vergelijkbare overwegingen gelden voor de registratie door Exim Holland van de Heart Hugger domeinnamen.
4.9. Naar de kern genomen is dit het geschil wat partijen verdeeld houdt. Uit de thans beschikbare rapportages van de accountants volgt dat indien de uitleg van GCT juist is Exim Holland nog een bedrag aan royalties verschuldigd is. Exim stelt dat zij juist teveel heeft betaald omdat zij gedeeltelijk ook royalties heeft afgedragen in landen waar EP 351 nooit gelding heeft gehad.
4.10. De rechtbank kan deze vraag vooralsnog niet beantwoorden. Partijen hebben haar onvoldoende geïnformeerd omtrent de modaliteiten van de aanvullende licentieovereenkomst. Onduidelijk is vooralsnog door welk recht deze overeenkomst wordt beheerst. Ter comparitie hebben partijen aangegeven zich hierover te willen beraden en nader te willen concluderen. Deze gelegenheid zal hun worden gegeven.
4.11. Bij voortprocederen kunnen partijen, met name GCT, ook enige aandacht besteden aan de door GCT gestelde onrechtmatigheid in algemene zin van het handelen van Exim in de periode rondom de beëindiging van de overeenkomsten. De rechtbank begrijpt dat die onrechtmatigheid ziet op wapperen met octrooirechten of merkrechten door Exim in die periode en op ongeoorloofde reclame. Vooralsnog heeft GCT aan die grondslag nog geen handen en voeten gegeven.
4.12. (…) de accountants van partijen (…) zullen gezamenlijk aan de hand van de actuele administratie van Exim Holland vaststellen hoeveel Heart Hugger harnassen in opdracht van Exim Holland in Europa zijn geproduceerd en gespecificeerd, naar enerzijds de landen waar het octrooi geldig was en anderzijds de landen waar het octrooi niet geldig is geweest, opgave doen van de jaarlijkse afzet.
4.15. In elk geval GCT merkt deze zaak aan als een IE zaak waarop de regeling van artikel 1019h Rv van toepassing is. Voorshands laat de rechtbank in het midden of deze zaak werkelijk een IE zaak is waarvoor de regeling van de volledige proceskosten in aanmerking dient te worden genomen. Eerst bij eindvonnis zal over de kosten van de procedure, ook die van het incident worden beslist. Partijen dienen er rekening mee te houden dat bij toepasselijkheid van artikel 1019h Rv de toetsingsnorm zal bestaan uit de redelijkheid en evenredigheid van de gemaakte proceskosten. Voorshands heeft de rechtbank de indruk dat de inzet zijdens GCT onevenredig is geweest en dat de IE-rechtelijke grondslagen niet slagen.
Lees het vonnis hier.
Rechtbank ’s-Gravenhage, 22 december 2008, rekestnr: 2008-2245, ‘Octrooihouder Ltd. / Octrooihouder sas tegen Gerekwestreerde International B.V. / Gerekwestreerde Nederland B.V.’
M.M.M. van Eechoud: Annotatie, bij Hof Den Bosch 14 oktober 2008 (Michaud/Graham Packaging), AMI 2009/1, p. 34-36.
Gerechtshof Amsterdam, 17 februari 2009, LJN: BH3125, Zino Davidoff S.A. en Coty Prestige Lancaster Group Gmbh tegen Coscentra B.V.
HvJ EG, 12 februari 2009, conclusie A-G Trstenjak in zaak C-5/08, Infopaq International A/S tegen Danske Dagblades Forening (verzoek van het Højesteret (Denemarken) om een prejudiciële beslissing).
Jeroen Cornelis is ervaren merken- en modellengemachtigde, zowel voor de Benelux als voor de Europese Unie. Hij bedient diverse belangrijke binnenlandse en Europese klanten. Hij werkt ook voor enkele grote bedrijven in Azië, die hij regelmatig bezoekt om de dienstverlening verder te verbeteren. Jeroen is verder actief adviseur op de gebieden van het auteursrecht, overeenkomsten en licenties. Bovendien is hij arbiter aan het Arbitrage- Instituut Noord-Holland, uiteraard vooral bij vraagstukken op het gebied van de Intellectuele Eigendom. Jeroen kwam in 1999 bij Nederlandsch Octrooibureau in Den Haag, nadat hij aan de Universiteit Groningen een rechtenstudie had afgerond, met specialisatie in Intellectuele Eigendom. Als partner zal hij nog beter in staat zijn de Juridische Sectie van Nederlandsch Octrooibureau verder uit te bouwen.
Erwin Ehrenburg is verantwoordelijk voor de gehele administratieve ondersteuning van Nederlandsch Octrooibureau, waaronder de octrooien merkenadministratie, taksen, vertalingen en de portefeuille en locatiemedewerkers. Erwin is al sinds 1985 aan Nederlandsch Octrooibureau in Den Haag verbonden en kent als geen ander de finesses van alle octrooi- en merkenprocedures. Hij onderhoudt intensieve contacten met de autoriteiten, zoals Europees Octrooibureau, Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom en Octrooicentrum Nederland. Hij speelt een vooraanstaande rol bij de ontwikkeling van alle vormen van communicatie binnen het kantoor maar ook met de opdrachtgevers en de autoriteiten. Ook is hij actief in het uitbreiden van het dienstenpakket van Nederlandsch Octrooibureau. Daaraan kan hij nu ook op meer strategisch niveau verder werken.
Gerechtshof 's-Gravenhage, 10 juli 2008, zaaknr: 105.006.498/01, Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter Bevordering der Pharmacie (KNMP) tegen ID/Farma B.V.
Vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 17 februari 2009, KG ZA 08-1646, Euro-Stoel B.V. tegen Schaffenburg Office Furniture B.V. c.s.