DOSSIERS
Alle dossiers

Contracten  

IEF 16022

De KNVB mocht de licentie van de Eredivisie van FC Twente intrekken

Rechtbank Midden-Nederland 10 jun 2016, IEF 16022; ECLI:NL:RBMNE:2016:3107 (FC Twente tegen KNVB), https://ie-forum.nl/artikelen/de-knvb-mocht-de-licentie-van-de-eredivisie-van-fc-twente-intrekken

Vzr. Rechtbank Midden-Nederland 10 juni 2016, IEF 16021; ECLI:NL:RBMNE:2016:3107 (FC Twente tegen KNVB)
Licentie. In december 2015 heeft de KNVB een besluit genomen tot voorwaardelijke intrekking van de licentie van van FC Twente voor deelname aan de Eredivisie. Tussen partijen zijn vervolgens afspraken gemaakt over nader onderzoek. De club dacht dat zij niet gestraft zou worden als zij misstanden uit het verleden voor 1 mei 2016 zou melden. Volgens de rechter had FC Twente het Decemberbesluit niet als een vrijbrief mogen opvatten. De licentiecommissie mocht consequenties verbinden aan de uitkomsten van het onderzoek. De rechter oordeelt dat de KNVB als straf de club mag terugzetten naar de Jupiler League. De KNVB heeft bij haar beslissing rekening gehouden met de inspanningen van FC Twente voor een nieuwe toekomst en de belangen van de medewerkers, financiers en supporters. De rechter oordeelt dat de KNVB in redelijkheid tot deze maatregel heeft kunnen komen.

IEF 15998

Uitspraak ingezonden door Margriet Koedooder, De Vos & Partners.

Geen agentuurovereenkomst nu uit de bepalingen afgeleid kan worden dat 7-Agency het debiteurenrisico draagt

Rechtbank Oost-Brabant 26 mei 2016, IEF 15998; ((7-Agency tegen X)), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-agentuurovereenkomst-nu-uit-de-bepalingen-afgeleid-kan-worden-dat-7-agency-het-debiteurenrisico

Ktr. Rechtbank Oost-Brabant 26 mei 2016, IEF 15998 (7-Agency tegen X) 
Kwalificatie (agentuur)overeenkomst. Debiteurenrisico. (Vgl. IEF 14886 / 13934 / 8748 / 14138 / 14136). 7-agency vordert o.m. een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen gekwalifcieerd moet worden als agentuurovereenkomst en dat X deze onrechtmatig (zonder inachtneming van de contractuele opzeggingstermijn van 2 maanden) heeft beeindigd (r.o. 1.1). X stelt dat de overeenkomst niet als agentuuroverenkomst gekwalificeerd kan worden ondanks dat het in de bepalingen van het contract zo wordt aangeduid.

De kantonrechter is van oordeel dat de gesloten overeenkomst niet als agentuurovereenkomst gekwalificeerd kan worden nu uit de bepalingen blijkt dat ten aanzien van de prestatie die aan de opdrachtgever geleverd moet worden (i.c. het optreden van de dj) 7-Agency bepaalt of deze geleverd wordt, waardoor zij ook het debiteurenrisico draagt (r.o. 5.2). 

De kantoonrechter acht zich onbevoegd kennis te nemen van het geschil nu de vordering van gedaagde in reconventie meer dan € 25.000 bedraagt en verwijst de zaak naar de civiele kamer van de rechtbank (r.o. 6 en 7).

IEF 15966

Uitspraak ingezonden door Reindert van der Zaal en Fabiënne Dohmen, Kennedy Van der Zaal.

Eredivisie controleert licenties wel en discrimineert niet

Rechtbank Gelderland 20 mei 2016, IEF 15966; ECLI:NL:RBGEL:2016:2860 (Eredivisie c.s. tegen Café De Bolle), https://ie-forum.nl/artikelen/eredivisie-controleert-licenties-wel-en-discrimineert-niet

Vzr. Rechtbank Gelderland 20 mei 2016, IEF 15966; ECLI:NL:RBGEL:2016:2860(Eredivisie tegen Café De Bolle)
Auteursrecht. Contractenrehct. Eredivisie heeft met café De Bolle een licentieovereenkomst voor het tonen van wedstrijdbeelden aan gasten voor €99,95 per maand, er is een betalingsachterstand ontstaan en de overeenkomst is per 25 november 2015 ontbonden. Ex 10 lid 1 sub 10 jo. 45a Aw zijn de voetbalclubs auteursrechthebbenden op de live registraties van de in eigen stadion gespeelde wedstrijden en het beeldmateriaal. Het verweer dat er sprake is van discriminatie, omdat er andere (horeca)gelegenheden in de nabijheid van café De Bolle ook zonder licentie wedstrijdbeelden worden uitgezonden, terwijl Eredivisie c.s. daar niet tegen optreedt, wordt verworpen. Het stakingsverbod wordt toegewezen voor de live registraties van de eredivisiewedstrijden en het ander beeldmateriaal, zoals promofilmpjes en studioprogramma's die tijdens en random uitzendingen van de wedstrijden tonen.

IEF 15937

VU moet promovenda schadevergoeding betalen na plagiaatkwestie

Kantonrechter 25 apr 2016, IEF 15937; ECLI:NL:RBAMS:2016:2702 (Promovenda tegen VU), https://ie-forum.nl/artikelen/vu-moet-promovenda-schadevergoeding-betalen-na-plagiaatkwestie

Ktr. Rechtbank Amsterdam 25 april 2016, IEF 15937; ECLI:NL:RBAMS:2016:2702 (Promovenda tegen VU)
Mediarecht. Plagiaat. Werkgeversschap. Promovenda zou op 29 mei 2013 haar proefschrift verdedigen aan de VU, dat werd uitgesteld vanwege een anonieme e-mail dat er sprake was van plagiaat. De KNAW neemt geen anonieme klachten in behandeling, de Ombudsman van de VU wel. De kantonrechter oordeelt [net als het College voor de mensenrechten] dat de universiteit in strijd met beginsel van goed werkgeverschap en onrechtmatig heeft gehandeld jegens promovenda en veroordeelt de universiteit tot betaling van schadevergoeding. De Commissie Drenth concludeert in haar integriteitsonderzoek dat plagiaat is terug te voeren tot de gehanteerde werkwijze en te ruime interpretatie van 'zelfcitatie'. Het LOWI vastgesteld dat weliswaar sprake is van plagiaat, maar dat de promovenda de wetenschappelijke integriteit niet heeft geschonden. VU wordt veroordeeld voor immateriële schadevergoeding van €7.500, de rectificatie wordt afgewezen.

 

IEF 15932

Uitspraak ingezonden door Marc de Boer, Boekx Advocaten.

Inbreuk portretrecht omdat video-opname "lang genoeg" online heeft gestaan

Hof Amsterdam 3 mei 2016, IEF 15932; (Privatescan tegen presentatrice X), https://ie-forum.nl/artikelen/inbreuk-portretrecht-omdat-video-opname-lang-genoeg-online-heeft-gestaan

Hof Amsterdam 3 mei 2016, IEF 15931; ECLI:NL:GHAMS:2016:1759 (Privatescan tegen X) Portretrecht. In kort geding is Privatescan veroordeeld tot rectificatie, omdat zij zonder (nadere) toestemming van presentatrice X een film op de site hebben geplaatst waarin zij een body scan ondergaat en haar portret hebben gebruikt in de nieuwsbrieven. Ondanks de overeenkomst uit 2009 tussen partijen voor plaatsing van de video-opname op privatescan.nl, vond X in 2014 dat de video-opname "lang genoeg" op de site had gestaan en verzocht om verwijdering. Nadat de video verwijderd was, is deze opnieuw ingezet. Het is voldoende aannemelijk dat beëindigingsoverenkomst was gesloten, zodat opnieuw plaatsen niet vrij stond en inbreuk op het portretrecht maakt. De wens van Privatescan om de foto en verwijzing naar de video-opname op sociale mediakanalen te delen, is niet bij X geverifieerd.

IEF 15910

Licentieovereenkomst geoctrooieerd proces afwaterzuivering afhankelijk van positief testresultaat

Hof Den Haag 26 apr 2016, IEF 15910; ECLI:NL:GHDHA:2016:1063 (Olaopa tegen BP Raffinaderij), https://ie-forum.nl/artikelen/licentieovereenkomst-geoctrooieerd-proces-afwaterzuivering-afhankelijk-van-positief-testresultaat

Hof Den Haag 26 april 2016, IEF 15910; LS&R 1304; ECLI:NL:GHDHA:2016:1063 (Olaopa tegen BP Raffinaderij)
Contractenrecht. Octrooirecht. Eiser heeft Geoctrooieerd proces voor zuivering van afvalwater van olieraffinaderij (Biological nutritient removal using ‘the Olaopa Process’ - EP 1 196 354 B1. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank die de vorderingen heeft afgewezen. Tussen X en BP is wel een licentieovereenkomst tot stand gekomen is, deze voorwaardelijk was aan het welslagen van de test, waarbij niet is komen vast te staan dat deze voorwaarde is vervuld. De vorderingen op basis van de precontractuele aansprakelijkheid worden afgewezen, de vorderingen kunnen niet worden toegewezen gelet op het (niet aan BP te wijten) mislukken van de test. Het hof bekrachtigt het vonnis.

IEF 15755

Uitspraak ingezonden door Thijs van Aerde, Houthoff Buruma. Bas Le Poole, Le Poole Bekema en Arnout Groen, HofhuisAlkemaGroen.

HR: Hof oordeelde onterecht dat Ryanairs databankgebruiksverbod in algemene voorwaarden nietig was

Hoge Raad 11 mrt 2016, IEF 15755; ECLI:NL:HR:2016:390 (RyanAir tegen PR Aviation), https://ie-forum.nl/artikelen/hr-hof-oordeelde-onterecht-dat-ryanairs-databankgebruiksverbod-in-algemene-voorwaarden-nietig-was

HR 11 maart 2016, IEF 15755; IT 2007; ECLI:NL:HR:2016:390 (RyanAir tegen PR Aviation)
Screen scraping. Databankenrecht. Beperking contractsvrijheid ingevolge Databankenrichtlijn geldt niet voor onbeschermde databanken. Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat verbod in de algemene voorwaarden van Ryanair om gebruik te maken van haar databank nietig is. De HR volgt AG in zijn conclusie IEF 15478 tot vernietiging van het arrest van het hof en verwijst het geding naar het Hof Den Haag.

IEF 15737

HvJ EU: Voormalig erkende garagehouder niet aansprakelijk voor merkgeassocieerde internetadvertenties

HvJ EU 3 maart 2016, IEF 15737; ECLI:EU:C:2016:134; C-179/15 (Daimler)
Zie eerder IEF 14981. Uit het persbericht: Voormalige erkend garagehouders van Daimler zijn niet aansprakelijk voor internetadvertenties waarin hun naam geassocieerd blijft worden met het merk „Mercedes-Benz” ondanks hun inspanningen om die advertenties van het internet te laten verwijderen. Bovendien kan Daimler van die garagehouders niet eisen dat zij actie ondernemen om dergelijke advertenties van het internet te laten verwijderen wanneer zij geen opdracht tot plaatsing daarvan hebben gegeven.

Antwoord:

Artikel 5, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten moet aldus worden uitgelegd dat een derde die wordt genoemd in een op een website gepubliceerde advertentie die een teken bevat dat gelijk is aan of overeenstemt met een merk, zodat de indruk wordt gewekt dat er commerciële banden bestaan tussen hem en de merkhouder, geen gebruik van dat teken maakt dat krachtens die bepaling door de merkhouder kan worden verboden, wanneer de advertentie niet door of namens de derde is geplaatst of, ingeval de advertentie door of namens de derde is geplaatst met de toestemming van de merkhouder, wanneer de derde de beheerder van die website, bij wie hij de advertentie had besteld, nadrukkelijk heeft gevraagd om de advertentie of de vermelding van het merk erin te verwijderen.

Gestelde vraag:

Moet artikel 5, lid 1, onder b), van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten aldus worden uitgelegd dat de houder van een merk tegen een derde die wordt genoemd in een internetadvertentie waarin een teken is opgenomen dat met het merk kan worden verward en die betrekking heeft op door de derde aangeboden diensten die identiek zijn aan de waren of diensten waarvoor het merk is ingeschreven, zodat bij het publiek ten onrechte de indruk kan worden gewekt dat er officiële commerciële banden bestaan tussen de onderneming van de derde en de houder van het merk, ook dán kan optreden, wanneer de advertentie niet op het internet is geplaatst door of voor rekening van de erin genoemde persoon of op het internet blijft opduiken hoewel de erin genoemde persoon alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verlangd om de advertentie te laten verwijderen, maar daar niet in is geslaagd?
IEF 15723

Tweede pandrecht op glazenknikkeroctrooi is niet zodanig meer waard dat octrooi overgedragen wordt

Vzr. Rechtbank Den Haag 18 februari 2016, IEF 15723; ECLI:NL:RBDHA:2016:1626 (Ceraglass Patenten)
Pandrecht op octrooi. Tevens verzoek 3:251 BW tot op afwijkende wijze (niet-openbare) verkoop. Uitspraak in de vorm van een vonnis alsmede een beschikking. Eiser heeft een geldbedrag geleend en daarvoor een pandrecht bedongen op octrooien voor, eenvoudig gezegd, produceren van een knikker met daarin een figuurtje. Ceraglass betwist terecht dat de waarde van de vordering hoger is dan de waarde van de octrooien en onderbouwt dat met een oordeel van een onafhankelijke deskundige. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het op naam van verzoeker/eiser stellen van octooien af. Dat het eerdere pandrecht van VA Banque Management verjaard is, vanwege het constitutieve karakter van zo'n vaststelling tegenover het voorlopig karakter van het kort geding. Dat wordt eveneens afwezen.

4.2. Ingeval een pand wordt uitgewonnen geldt volgens artikel 3:250 BW als hoofdregel dat dit gebeurt door middel van een openbare verkoop. Op grond van artikel 3:251 BW is een afwijkende wijze van verkoop, na toetsing door de voorzieningenrechter, echter mogelijk. Tot de mogelijkheden behoort tevens het verlenen van toestemming door de voorzieningenrechter voor het verblijven van het pand aan de pandhouder, zoals [verzoeker/eiser] kennelijk wenst. Dit betekent evenwel dat daarvoor een prijs dient te worden vastgesteld. Aangezien [verzoeker/eiser] de Octrooien in eigendom wenst te verkrijgen tegen kwijtschelding van de schuld, kan de voorzieningenrechter een verzoek om toepassing van deze mogelijkheid slechts toewijzen indien in voldoende mate vast staat dat een reële koopprijs van de Octrooien gelijk of minder is dan de lening die onderwerp is van het pand. Anders zou de pandhouder immers meer krijgen dan waar hij recht op heeft.
4.3. Ceraglass betwist dat de waarde van de vordering van [verzoeker/eiser] op Ceraglass hoger is dan de waarde van de Octrooien, of daaraan gelijk is. Dit ongeacht de exacte hoogte van die vordering, waarover partijen eveneens van mening verschillen. De waarde van de Octrooien ligt volgens Ceraglass drie- tot viermaal hoger dan de waarde van de vordering van [verzoeker/eiser] .
4.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat geen van partijen de door hem/haar gestelde waarde van de Octrooien heeft onderbouwd met een oordeel van een onafhankelijke deskundige. Hierbij zij opgemerkt dat het in de eerste plaats aan [verzoeker/eiser] is om de waarde van de Octrooien deugdelijk te onderbouwen. Hij wenst immers afwijking van de hoofdregel dat executoriale verkoop dient plaats te vinden bij uitwinning van het pandrecht. Bovendien kan hij bij die verkoop ook zelf mee bieden. Zonder nader onderzoek naar de feiten, waarvoor dit geding zich niet leent, kan daarom deze waarde niet deugdelijk worden vastgesteld. Onder die omstandigheden kan de voorzieningenrechter niet tot het oordeel komen dat de vordering van [verzoeker/eiser] hoger is dan de waarde van het onderpand, of daaraan minst genomen gelijk is. Daarbij kunnen de door Ceraglass gevoerde verweren ter zake de hoogte van die vordering onbesproken blijven.
IEF 15701

Onbeperkt gebruiksrecht zonder auteursrechtoverdracht maakt hergebruik Haags folderontwerp mogelijk

Rechtbank Den Haag 17 februari 2016, IEF 15701; ECLI:NL:RBDHA:2016:1398 (Eiser tegen Zootz)
Auteursrecht bij overeenkomst van opdracht. Geen onrechtmatige daad. Zootz heeft eiser verzocht een campagnestijl/communicatiestijl voor DSB te ontwikkelen die zou worden gebruikt in (mini)campagnes voor de Gemeente. Conform het verzoek dient het ontwerp binnen de Stijlgids te blijven, dat er een word cloud wordt gebruikt en een schuine balk met foto's. Zootz hergebruikt de moederbestanden waarvoor een gebruiksrecht was ingeruimd, maar zonder auteursrechtoverdracht. Er staat niet vast dat er een beperkt gebruiksrecht voor het ontwerp was overeengekomen zoals door eiser gesteld, dus komt het niet tot uitleg en de reikwijdte van het afgesproken gebruiksrecht. Vorderingen worden afgewezen.

4.7. De kern van het geschil is de reikwijdte van het gebruiksrecht dat [eiser] in het kader van de opdracht aan Zootz heeft verstrekt ten aanzien van het ontwerp. [eiser] stelt zich op het standpunt dat het gebruiksrecht op het ontwerp beperkt is tot gebruik in de campagne waarvoor het ontwerp is gemaakt en dat voor iedere keer dat de stijlelementen uit het ontwerp worden hergebruikt opnieuw toestemming moet worden gevraagd. [eiser] beroept zich daarbij op de BNO-voorwaarden die volgens hem van toepassing zijn op de opdracht. Zootz heeft dit gemotiveerd betwist en stelt zich op het standpunt dat de opdracht zag op het ontwerpen van een eerste onderdeel van een langdurigere campagne waarbij zij de stijlelementen uit het eerste ontwerp in vervolgcampagnes vrijelijk mocht toepassen. Zootz betwist dat de BNO-voorwaarden van toepassing zijn.

4.11. Uit de wel door [eiser] overgelegde twee facturen die zien op het ontwerp (voor fasen 1 en 2) is niet af te leiden wat partijen zijn overeengekomen omtrent het aan Zootz verstrekte gebruiksrecht.

4.15. Nu niet is vast komen te staan dat partijen een beperkt gebruiksrecht ten aanzien van het ontwerp zijn overeengekomen zoals door [eiser] gesteld, komt de rechtbank niet toe aan de uitleg en de reikwijdte van het afgesproken gebruiksrecht en ook niet aan de beoordeling van de stelling van [eiser] dat sprake is van onrechtmatig handelen door Zootz door zich niet aan die afspraak te houden.

Op andere blogs:
DeClercq