Handeling in België, inbreuk op Duits merk en/of octrooi?
Prejudiciële vragen aan HvJ EU 31 juli 2012, in zaak C-360/12 (Coty Prestige Lancaster Group/First Note Perfumes NV)
Prejudiciële vragen gesteld door het Duitse Bundesgerichtshof, Duitsland.
IPR. EEX. Merkenrechtvariant: Als resultaat van een handeling in België, kan dat als een inbreuk op een merk in Duitsland gelden?
1. Dient artikel 93, lid 5, van verordening (EG) nr. 40/942 aldus te worden uitgelegd dat in een lidstaat (lidstaat A) een inbreuk is gepleegd in de zin van artikel 93, lid 5, van verordening (EG) nr. 40/94 wanneer door een handeling in een andere lidstaat (lidstaat B) is deelgenomen aan de in eerstgenoemde lidstaat (lidstaat A) gepleegde inbreuk?
2. Dient artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 aldus te worden uitgelegd dat het schadebrengende feit zich in een lidstaat (lidstaat A) heeft voorgedaan wanneer de onrechtmatige daad waarop de procedure betrekking heeft of waarop aanspraken worden gebaseerd in een andere lidstaat (lidstaat B) is verricht en in de deelneming aan de in eerstgenoemde lidstaat (lidstaat A) gepleegde onrechtmatige daad (basisdelict) bestaat?
Vraag aan HvJ EU 15 augustus 2012, in zaak C-387/12 (Hi Hotel HCF SARL tegen Uwe Spoering)
BGH 28 juni 2012, I ZR 35/11 (Hi Hotel HCF SARL tegen Spoering)
Prejudiciële vraag gesteld door het Duitse Bundesgerichtshof, Duitsland.
IPR. EEX. Onrechtmatige daad/Octrooirechtvariant: Als resultaat van een handeling in België, kan dat als een inbreuk op een octrooi in Duitsland gelden? Ook op PatLit, 1709blog.
Dient artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 aldus te worden uitgelegd dat het schadebrengende feit zich in een lidstaat (lidstaat A) heeft voorgedaan wanneer de onrechtmatige daad waarop de procedure betrekking heeft of waarop aanspraken worden gebaseerd, in een andere lidstaat (lidstaat B) is gesteld en in de deelneming aan de in eerstgenoemde lidstaat (lidstaat A) gepleegde onrechtmatige daad (basisdelict) bestaat?
Als gevolg van de publicatie van beelden van veiligheidscamera heeft eiser immateriële schade geleden. Rechtspraak.nl: Artt. 10 EVRM, 6:106 BW, 6:162 BW. Eind november 2011 is bij de woning van [X] een haar in eigendom toebehorende auto uitgebrand. Met een bij de woning geïnstalleerde veiligheidscamera zijn een aantal uren voor de brand opnames gemaakt. [X] heeft deze beelden aan Omroep Brabant ter beschikking gesteld en deze heeft de beelden enkele dagen op een door haar gecontroleerde website gezet, welke site voor het algemeen publiek toegankelijk is. Bij de beelden is een tekst gepubliceerd met als titel "Is dit de Bossche pyromaan?" Door eiser wordt gesteld dat hij de persoon is die op de beelden is te zien. Hij stelt door talloze personen te zijn herkend en daarop te zijn aangesproken. Bij tussenvonnis d.d. 19 juli 2012 is eiser in de gelegenheid gesteld om te bewijzen althans aannemelijk te maken dat hij op de betreffende camerabeelden te zien is. In het eindvonnis is geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat hij daarop te zien is. De vordering jegens [X] wordt afgewezen, omdat zij niet onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld. Ten aanzien van Omroep Brabant wordt voldoende aannemelijk geacht dat eiser als gevolg van de publicatie immateriële schade heeft geleden, in die zin dat hij door de publicatie van de beelden en de daarbij geplaatste teksten in zijn eer of goede naam is aangetast. Eiser heeft op grond van artikel 6:106 BW recht op een schadevergoeding van € 1.000,-. Ook op
Als randvermelding. Rechtspraak.nl: Publicatie onjuiste uitlatingen over strafrechtelijk veroordeeld zedendelinquent onrechtmatig geoordeeld met toekenning immateriele schadevergoeding. Niet relevant is of die uitlatingen daadwerkelijk zijn gedaan nu hetgeen gepubliceerd is feiten bevat die diffamererend zijn voor eiser. Omroep Brabant had beweerdelijk gedane uitlatingen niet zomaar mogen publiceren gelet op de bestaande controverse tussen degene die uitlatingen zou hebben gedaan en eiser en gelet op de persoon van eiser en diens voorgeschiedenis. In aanmerking wordt genomen dat de uitlatingen niet slechts een opvatting van degene die de uitlatingen heeft gedaan inhouden maar een weergave bevatten van concrete feiten die zich zouden hebben voorgedaan. Uitlatingen houden verdachtmakingen in die impliceren dat eiser ook na zijn veroordeling onverminderd seksuele belangstelling heeft voor kinderen. Eiser is in zijn eer en goede naam aangetast en kan worden geacht immateriele schade te hebben geleden. De kantonrechter veroordeelt Omroep Brabant om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de som van € 2.000,-.
Prejudiciële vraag gesteld door Bundesgerichtshof, Duitsland.
Contractenrecht. Ontvlechtingsovereenkomst met boetebeding. Statutaire naamswijziging. Readershouse Brand Media c.s. (koper van de aandelen Readershouse) vordert in conventie schadevergoeding van Pelican c.s. (verkoper). In reconventie vordert Pelican c.s. betaling van (het restant van) de koopprijs. In de koopovereenkomst staat onder meer dat Readerhouse Brand Media "hun statutaire- en handelsnaam uiterlijk binnen 6 maanden na de Closingdatum zodanig wijzigen dat iedere referentie naar de Intellectuele Eigendomsrechten van de Overgenomen Vennootschappen zal zijn verdwenen." en in de ontvlechtingsovereenkomst staat dat na het verstrijken van de termijn er geen enkele wijze gebruik zal maken van het begrip "Readers House" in handelsnamen, merknamen, domeinnamen en alle andere uitingsvormen.
Als randvermelding: Gerrits / High Fashion Music beheert en exploiteert geluidsopname van diverse artiesten en labels en is bestuurslid van Buma/Stemra. PowNed heeft een geschil tussen Rietveldt met Buma/Stemra over het uitblijven van inkomsten uit de exploitatie van zijn muziekstuk (in een anti-piraterij filmpje voor Filmwereld) een item gemaakt voor haar nieuwsprogramma op Nederland 3 [transcript daarvan vanaf pagina 3]. Powned heeft daar een nieuwsbericht met titel 'Buma/Stemra bestuurder corrupt" geplaatst op haar site.
Uitspraak ingezonden door Paul Tjiam en Tobias Cohen Jehoram,
Uitspraak ingezonden door Remco Klöters, Bertil van Kaam,
Contractenrecht. Incidentele bevoegheidsvordering. IPR. Tops vordert betaling van facturen voor de promotie van het kledingmerk Cavalleria Toscana bij gelegenheid van springwedstrijden voor paarden in de steden Monte Carlo (Monaco), Cannes en Chantilly (Frankrijk) en Valkenswaard. Een partij gelet op artikel 5 EEX-Vo ook worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de diensten volgens de overeenkomst werden verstrekt of verstrekt hadden moeten worden. Tops stelt dat zij alle werkzaamheden die nodig zijn om te komen tot een deugdelijke uitvoering van de overeenkomst, verricht te Valkenswaard.
Als randvermelding, eerder als