Rb. Amsterdam: artiest mocht managementovereenkomst ontbinden wegens schending administratieplicht
Rb. Amsterdam 29 oktober 2025, IEF 23821; ECLI:NL:RBAMS:2025:8067 ([eiser] tegen [gedaagde]). De rechtbank oordeelt dat een artiest zijn managementovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden nadat zijn manager de overeengekomen administratieplicht niet behoorlijk was nagekomen. De artiest had op 1 juni 2023 eerst de samenwerking opgezegd, waarna op grond van de overeenkomst een opzegtermijn van zes maanden begon te lopen. Die eerdere opzegging stond er niet aan in de weg dat hij de overeenkomst tijdens de opzegtermijn op 30 juni 2023 alsnog kon ontbinden. De administratieplicht uit de overeenkomst kwalificeert volgens de rechtbank als een kernverplichting, omdat de artiest de financiële en administratieve afhandeling van zijn artiestenbestaan aan zijn manager had uitbesteed en erop moest kunnen vertrouwen dat de administratie steeds een nauwkeurig en controleerbaar beeld gaf van de wederzijdse rechten en verplichtingen. Uit de stukken bleek dat de administratie materiële fouten bevatte en onvoldoende controleerbaar was; zo leidden twee kort na elkaar opgestelde verklaringen van de boekhouder tot sterk uiteenlopende saldi. Dat de manager later alsnog kostenfacturen, statements en overzichten verstrekte, herstelde die tekortkoming niet. Omdat partijen bovendien waren overeengekomen dat een tekortschietende partij van rechtswege in verzuim was zonder dat een ingebrekestelling nodig was, mocht de artiest de overeenkomst op grond van artikel 6:265 BW ontbinden. De gevorderde verklaringen voor recht dat de opzegging en ontbinding niet rechtsgeldig waren, worden daarom afgewezen.